Dinsdag, 15 januari 2019

Het is druk bij de lift. Ik moet naar de vijf­de ver­die­ping. Omdat ik jong van hart ben kies ik als alter­na­tief voor de trap. Een best wel stei­le wen­tel­trap bij nader inzien. Voor mij beklimt een vrouw op leef­tijd maar altijd nog jon­ger dan ik dezelf­de trap. Aan­van­ke­lijk best wel snel maar dat ver­an­dert al bij de eer­ste omwen­te­ling. Ook begint ze te hij­gen. Na de twee­de omwen­te­ling moet ze even uit­rus­ten en grijpt daar­bij de leu­ning aan de bin­nen­zij­de vast. Een kapi­ta­le fout want nu heeft ze vrij zicht door de spij­len op de diep­te bene­den. Het lijkt of ze bij­na onder­uit gaat van angst wan­neer ze rea­li­seert ern­sti­ge hoog­te­vrees te heb­ben.

Ik vraag of ik van hulp kan zijn. Met boven­men­se­lij­ke kracht geeft ze aan dat dit niet nodig is ter­wijl ze tree­tje voor tree­tje en zucht na zucht haar weg omhoog ver­volgt. Tus­sen de zuch­ten door laat ze weten na de der­de omwen­te­ling de trap te zul­len ver­la­ten om als­nog de lift te nemen. Laat nu net de deur bij de der­de ver­die­ping geslo­ten zijn. Gedul­dig blijf ik op haar staan wach­ten tot ze van de schrik beko­men is en vol­doen­de adem heeft om er een aller­laat­ste vier­de omwen­te­ling uit te per­sen. Dan ver­l­lat ze ein­de­lijk vol­op zwe­tend en met rood aan­ge­lo­pen gezicht het trap­pen­huis waar ze door enke­le niet toe­val­lig aan­we­zi­ge ver­pleeg­sters wordt opge­van­gen en voor de zeker­heid even op een gereed­staand zie­ken­huis­bed wordt gelegd.

Flui­tend ver­volg ik mijn tocht naar een hoge­re eta­ge alwaar ik mijn zie­ken­huis­be­zoek ga afleg­gen.

~ ~ ~

Maandag, 14 januari 2019

Elkaar soms niet begrij­pen is men­se­lijk. Maar het maakt het tege­lij­ker­tijd ook moei­lijk te bemid­de­len tus­sen twee men­sen die elkaar niet begrij­pen. Ik heb het van­daag gepro­beerd, maar men begreep mij niet. Of ik hen niet. De vraag is natuur­lijk of jul­lie begrij­pen wat ik hier­mee wil zeg­gen. Zo niet, heb ik daar alle begrip voor.

~ ~ ~

Zondag, 13 januari 2019

Ren­nen. In de regen. En met wat wind erbij. Ik vind het heer­lijk. Daar­om zag ik er hele­maal niet tegen­op om deze och­tend, na mijn weke­lijk­se (ja, ik hoop er weer een vas­te rou­ti­ne van te maken) blog­post over Don Qui­chot de hard­loop­schoe­nen aan te trek­ken. Ik had al wat hard­lo­pers voor­bij zien komen en wat me tel­kens weer ver­baas­de was hoe warm inge­pakt ze waren. Als­of het hart­je win­ter was. Qua sei­zoen mis­schien, maar de weers­om­stan­dig­he­den zijn toch echt niet zoda­nig dat een lan­ge broek, hand­schoe­nen en een muts nodig zijn. Hoog­uit een wind­jack­je. Wat mij betreft ten­min­ste.

En zo ver­trok ik dan ook. In mijn kor­te broek. Bin­nen de kort­ste keren was ik zeik­nat. Want hoe­wel het de eer­ste minu­ten niet regen­de begon het al snel te hozen. Het mocht de pret niet druk­ken. Tegen de wind in beu­kend ver­volg­de ik mijn weg vast­be­slo­ten mini­maal een rond­je van vijf kilo­me­ter te vol­tooi­en. De voor­bije week heb ik helaas ver­zaakt qua vast­hou­den aan de drie dagen regel en daar­om had ik wat goed te maken. Tege­lij­ker­tijd wil ik de boel ook niet for­ce­ren. Nieu­we bles­su­res zit ik niet op te wach­ten. De vijf kilo­me­ter is dus een soort van com­pro­mis. Daar­nast bedacht ik me tij­dens het ren­nen dat ik in ieder geval van­af nu mezelf kan ver­plich­ten dat wan­neer ik een dag niet loop ik dan wel op z’n minst een aan­tal minu­ten aan core trai­ning moet doen. Ga ik wel lopen dan is de core trai­ning opti­o­neel. Zo hou ik mezelf bezig.

Onder­weg kwam ik een hek en sloot tegen. Dat is wel vaker het geval maar mis­schien omdat ik toch al nat was en door­dat het wei­ni­ge sur­vi­val­run­bloed dat nog door mijn ade­ren stroomt plots wat harts­toch­te­lij­ker ging stro­men, kon ik het niet laten wat oefe­nin­gen bij het hek te vol­tooi­en en een paar keer over de sloot te sprin­gen. Als een kind zo blij liep ik de rest naar huis in sop­pen­de hard­loop­schoe­nen vol met water en mod­der waar een hete dou­che het feest com­ple­teer­de. De zon­dag kan niet meer stuk.

~ ~ ~

Don Quichot kon het weer niet laten

Deze blog­post is deel 25 van 25 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Vier­en­twin­tig­ste hoofd­stuk:
Waar­in het avon­tuur van de Sier­ra More­na ver­volgd wordt

De jon­ge­man die zo plots­klaps en toe­val­lig van­uit het niets in vorig hoofd­stuk tevoor­schijn komt is inder­daad blij­kens de gei­ten­hoe­der de eige­naar van de spul­len die Don Qui­chot en San­cho Pan­zo eer­der tij­dens hun tocht door het geberg­te gevon­den (en in het geval van San­cho en de goud­stuk­ken, onrecht­ma­tig toe­ge­ëi­gend heb­ben, maar voor­als­nog gaat het daar (nog) niet over). Hij is in goe­de doen wat betreft mede­deel­zaam­heid over wat hem is voor­ge­val­len waar­door hij gemeend heeft zijn toe­vlucht te zoe­ken diep in het meest onher­berg­za­me gedeel­te van de Sier­ra More­na, ech­ter aller­eerst wil hij eten. Veel eten. Pas daar­na zoekt het gezel­schap een rus­tig plek­je op alwaar de jon­ge­man (door Cer­van­tes dan weer eens ‘de have­lo­ze Rid­der van het Geberg­te’ en een ande­re keer ‘De Rid­der van het Struik­ge­was’ genoemd) zijn ver­haal kan doen.

Er gaat wel een waar­schu­wing aan voor­af. Een­tje die Don Qui­chot met­een doet den­ken aan het ver­haal over de gei­ten door San­cho Pan­za. De jon­ge­man drukt hen op het hart hem niet in de rede te val­len, ‘want zodra ge dat doet, is mijn ver­haal uit’.

Wat volgt is het relaas door de eens geluk­ki­ge jon­ge­man van adel die al tij­dens zijn vroeg­ste jeugd ver­liefd is op de doch­ter uit een even­eens rijk en adel­lijk geslacht. Het lijkt voor­be­stemd dat zij een­maal de huw­ba­re leef­tijd bereikt heb­bend met elkaar zul­len gaan trou­wen. Het lot wil ech­ter dat de jon­ge­man tegen die tijd ont­bo­den wordt aan het hof van de her­tog om aldaar zijn dien­sten te bewij­zen als fami­lie­vriend voor de zonen van de her­tog. Zo ging dat toen. De trouw­par­tij zal nog even moe­ten wach­ten en zowel de aan­d­staan­de bruid als haar vader heb­ben begrip voor dit uit­stel van plan­nen.

Aan het hof raakt de jon­ge­man, waar­van we onder­tus­sen heb­ben ver­no­men dat zijn naam Car­de­nio is, goed bevriend met de twee­de zoon van de her­tog. Deze is genaamd Fer­nan­do en nadat de band tus­sen hen meer ver­trou­we­lijk is gewor­den biecht hij op dat hij ern­stig ver­liefd is op een waar­ach­tig mooi boe­ren­meis­je waar­van de ouders wel­is­waar erg rijk zijn, maar waar­voor de her­tog nooit zijn goed­keu­rig zou ver­le­nen mocht zijn zoon ver­zoe­ken om met zijn gelief­de in het huwe­lijk te tre­den om zodoen­de met haar in de ech­te­lij­ke spon­de te kun­nen dui­ken (wat trou­wens ook bij Car­de­nio als een van de voor­naams­te reden mee­speel­de op haar de hand te vra­gen).

Omdat Car­de­nio te horen krijgt dat Fer­nan­do dit hei­me­lijk toch wil door­voe­ren zit er voor hem niets anders op dat de her­tog op de hoog­te te stel­len. Maar Fer­nan­do heeft onder­tus­sen zijn lus­ten niet kun­nen bedwin­gen en met het voor­wend­sel dat zij spoe­dig zul­len trou­wen het boe­ren­meis­je al in het bed en uit haar kle­ren weten te pra­ten. En zoals dat vol­gens Cer­van­tes dan gaat is daar­mee bij jeug­di­ge gelief­des de roman­ti­sche beto­ve­ring met­een door­bro­ken1:

[…] lief­de is bij jon­ge men­sen in de mees­te geval­len geen lief­de, maar begeer­te, die genot als enig doel kent en daar­om ophoudt als ze dat bereikt heeft. Dan moet wat zich als lief­de voor­deed wel wij­ken, want begeer­te kan de grens die de natuur haar stelt niet over­schrij­den, en ware lief­de kent geen gren­zen.
[p.173]

Om onder zijn gelof­te uit te komen en voor zijn vader ver­bor­gen te hou­den wel­ke stom­mi­teit hij had begaan voor­dat Car­de­nio hem hier­over zou inlich­ten komt Fer­nan­do met het idee om in de streek waar Car­de­nio gebo­ren is een aan­tal paar­den te gaan bekij­ken en even­tu­eel te kopen. Tegen Car­de­nio ver­telt Fer­nan­do dat hij door er even tus­sen­uit te zijn wat aflei­ding krijgt en mis­schien op deze manier zijn boe­ren­meis­je zou ver­ge­ten omdat hij ook wel wist dat er geen toe­komst in hun rela­tie zat. Car­de­nio, die geen idee had dat Fer­nan­do al lang en breed het bed had gedeeld met zijn gelief­de vind het een pri­ma voor­stel. En ook de her­tog stemt in.

Het is de opmaat naar nieu­we ont­wik­ke­lin­gen want zodra de twee jon­ge­man­nen in de geboor­te­plaats van Car­de­nio arri­ve­ren begint Fer­nan­do meer dan gewo­ne belang­stel­ling voor Luscin­da (de jeugd­lief­de en zoals gezegd aan­staan­de bruid van Car­de­nio) te ver­to­nen. Car­de­nio ziet dit alles lijd­zaam toe en begint met toe­ne­men­de mate arg­waan te koes­te­ren aan­gaan­de de goe­de bedoe­lin­gen van Fer­nan­do die geen gele­gen­heid onbe­nut laat elk gesprek op Luscin­da te bren­gen ‘al moest hij ze er bij de haren bij­sle­pen’.

Voor­dat ons gege­ven wordt dui­de­lijk­heid te krij­gen over hoe dit ver­haal ver­der ver­loopt kan Don Qui­chot zich helaas niet inhou­den om de jon­ge­man te onder­bre­ken, die onge­luk­kig genoeg ver­meld dat zijn Luscin­da een groot lief­heb­ber is van rid­der­ro­mans. Natuur­lijk is dat dè gele­gen­heid voor Don Qui­chot om zijn ken­nis op dit gebied te delen wat hij dan ook niet nalaat om uit­voe­rig te doen.

Of er een oor­za­ke­lijk ver­band is wordt niet echt dui­de­lijk maar bij de jon­ge­man slaan de stop­pen door en wat volgt is een vecht­par­tij die wan­neer de stof­wol­ken zijn opge­trok­ken dui­de­lijk maakt dat hij zich weer uit de voe­ten heeft gemaakt en opnieuw ver­bor­gen houdt in deze uit­hoek van de Sier­ra More­na. De ach­ter­ge­ble­ven dolen­de rid­der, zijn knecht en de her­der zijn dan wel enke­le blau­we plek­ken rij­ker maar zeker niet veel wij­zer gewor­den. Wie weet gaat dat in een van de vol­gen­de hoof­stuk­ken als­nog gebeu­ren. Of is zijn ver­haal nu uit?

~ ~ ~


  1. En het staat daar­bij haaks op recent onder­zoek waar­over ik dit week­end las in de NRC: ‘Helpt seks om een roman­ti­sche rela­tie te begin­nen? 

Zaterdag, 12 januari 2019

Afge­lo­pen maan­dag deed ik mee aan de eer­ste #blog­praat van 2019. Dit was vraag 1:

Wie van jul­lie is van plan om een nieuw ont­werp te zoe­ken voor je blog dit jaar?

Ondanks dat ik na jaren afwe­zig­heid in decem­ber vorig jaar weer ben aan­ge­haakt is mijn gril­lig­heid op het gebied van blog­lay­outs schijn­baar nog niet ver­ge­ten. Want toen ik aan­gaf voor­lo­pig niet van the­ma te ver­an­de­ren werd dat met een zucht van ver­lich­ting ont­van­gen.

Maar wat zij niet weten is dat ik een uit­laat­klep heb in mijn oude blogsite die nu echt dienst doet als test­do­mein voor vanal­les wat ik wil uit­pro­be­ren. Ik kan me daar naar har­te­lust uit­le­ven in het wij­zi­gen van kleu­ren, menu’s, lay­outs, let­ter­ty­pes, hea­ders, en ga zo maar ein­de­loos door. Een ware speel­tuin. En nie­mand die er last van heeft. Ten­min­ste, ik stel me dat zo voor omdat er niets te halen valt op die oude site. Dus nor­maal gespro­ken zou er dan ook nie­mand iets te zoe­ken heb­ben.

Van­daag ben ik aan de slag geweest een soort van ken­nis­bank op te zet­ten met pas­sen­de navi­ga­tie en afge­scherm­de delen voor beta­len­de bezoe­kers. Uit­ein­de­lijk gaat deze ken­nis­bank ergens anders onder­ge­bracht wor­den, maar door er op deze manier mee te expe­ri­men­te­ren kan ik beter voor Inge (want zij is het die zo’n ken­nis­bank nodig heeft) in kaart bren­gen waar zoal aan gedacht moet wor­den wil het een beet­je naar beho­ren wer­ken en tevens een goe­de gebruik­s­er­va­ring geven. En ondanks dat ik niet meer dan een goed­be­doe­len­de ama­teur ben die wei­nig tot geen ver­stand heeft van de ach­ter­lig­gen­de code­ring is het me toch gelukt iets neer te zet­ten wat voor Inge een goed beeld geeft hoe het er uit moe­ten komen te zien.

Erg leuk om te doen (zeg maar gerust ver­sla­vend) en onder­tus­sen heb ik de komen­de tijd geen behoef­te om mijn hui­di­ge (deze dus) site op z’n kop te zet­ten. Blijf dus gerust langs­ko­men om hier te lezen, ik beloof je dat de voor­naams­te upda­tes mijn blog­post betref­fen, niet het ont­werp.

~ ~ ~

In da namid­dag werd het steeds don­ker­der in mijn werk­ka­mer. Bui­ten zag ik hoe een dicht wol­ken­dek laag boven de hori­zon hing. De weer­kun­di­gen zul­len er wel een woord voor heb­ben ver­zon­nen, ik vond het voor­al apart en ook een beet­je inti­mi­de­rend om te zien.

~ ~ ~

Vrijdag, 11 januari 2019

Deze week was het weer raak met de dage­lijk­se avond­fi­les. Zo erg dat ik gis­ter­avond pas tegen zeven uur ver­trok en als­nog er bij­na een uur over deed ter­wijl het nor­maal niet meer dan een half uur hoeft te duren. Voor de zeker­heid check­te ik dus van­avond op goog­le maps hoe het ver­keer er bij (stil)stond. Geluk­kig viel het mee. En tege­lij­ker­tijd viel me iets anders op. Het resul­taat van onze ver­bou­wing aan het huis is nu van boven goed te zien. Bij­voor­beeld het nieu­we dak met door­ge­trok­ken dak­ter­ras met daar­in twee ramen en ook de ver­leng­de schuur. Ver­der natuur­lijk de tuin die flink onder han­den is geno­men en niet te ver­ge­ten de twee vij­vers. Bij­zon­der dat het er zo snel al op staat.

~ ~ ~

Woensdag, 9 januari 2019

Het was op blad­zij­de 326, nog zo’n klei­ne veer­tig blad­zij­des ver­wij­derd van het ein­de dat ik de vol­gen­de pas­sa­ge las:

Ofschoon ik dit geschrift niet als een roman beschouw, aar­zel ik om in dit sta­di­um van het schrijf­pro­ces, op drie­kwart van het beoog­de boek, nog nieu­we per­so­na­ges te intro­du­ce­ren, al zul­len ze niet meer dan figu­ran­ten zijn bij een rechts­zaak, dus in het geheel geen karak­ters.
[Mooi dood­lig­gen, A.F.Th. van der Heij­den]

En ik dacht:

Ofschoon ik dit boek wel dege­lijk als een roman beschouw, geschre­ven door een van mijn lie­ve­lings­schrij­vers, aar­zel ik om in dit sta­di­um van het leespro­ces, op 90% van het ver­haal, toe te geven dat de opge­voer­de hoofd­per­so­na­ges in het geheel niet weten te over­tui­gen, en slechts karak­ters blij­ven.
[Mooi door­le­zen, Peter Pel­le­naars]

Jam­mer, maar helaas. Het kan niet altijd raak zijn. Even heb ik nog getwij­feld met­een door te pak­ken met een ander boek van hem. Om het goe­de gevoel terug te krij­gen. Maar uit­ein­de­lijk is het Pnin gewor­den. Door Nabok­ov.

~ ~ ~

Wat me voor­al stoor­de was dat de Rus­si­sche hoofd­per­soon, van­we­ge zijn con­tac­ten met een Neder­land­se vriend con­ti­nu voor­beel­den gebruikt die uit de Neder­land­se cul­tuur komen. De eer­ste keer is het nog wel grap­pig. Daar­na wordt het onge­loof­waar­dig en ging ik me afvra­gen waar­om dit nodig is. Hij is toch een Rus? En heeft een eigen geschie­de­nis bin­nen de Rus­si­sche cul­tuur. Daar valt genoeg over te ver­mel­den. Ik was daar juist wel nieuws­gie­rig naar.

Tot­dat ik begon te ver­moe­den dat Van der Heij­den waar­schijn­lijk gewoon te wei­nig tijd heeft gesto­ken in onder­zoek naar de ach­ter­grond van de belang­rijk­ste figuur in zijn ver­haal. Daar­door leek voor mij het op een gege­ven moment als­of een Neder­land­se acteur deze rol speel­de. Ver­vol­gens moest ik den­ken aan Jeroen Krab­bé als KGB offi­cier in de James Bond film The Living Day­lights. Tja, toen had ik het wel gehad…

~ ~ ~