Zondag, 20 januari 2019

Of er spe­ci­aal iemand op de zon­dag voor Don Qui­chot een bezoek­je aan mijn blog brengt is me niet bekend (mis­schien kun je het laten weten mid­dels een reac­tie onder deze post). Mocht het zo zijn dan bij deze mijn wel­ge­meen­de excu­ses. Van­daag ver­schijnt er geen nieuw deel­tje in de gestaag groei­en­de reeks. Niet omdat ik er weer de brui aan geef. Wees gerust, ik heb er juist de smaak weer van te pak­ken gekre­gen. Nee, de reden is dat ik van­daag naar Cluj-Napo­ca reis voor een week­je over­dracht van het team aldaar aan de van ouder­schaps­ver­lof terug­ke­ren­de mana­ger. Dit, in com­bi­na­tie met wat klus­sen in de och­tend lie­ten geen tijd over om een nieu­we bij­dra­ge te schrij­ven.

Nu zou je kun­nen zeg­gen dat ik het dan maar iets beter had moe­ten plan­nen door de blog­post gis­ter al te schrij­ven. Helaas had ik toen ook geen tijd. Net als van­daag begon de dag met ver­schil­len­de klus­sen en rond het mid­dag­uur ver­trok ik rich­ting Dord­recht voor een work­shop Design Thin­king by Doing, ver­zorgd door de ono­ver­trof­fen en bij­zon­der sym­pa­thie­ke Cor Nol­tee. Ik had me hier niet zelf voor inge­schre­ven maar was vol­ko­men tot mijn aan­ge­na­me ver­ras­sing hier­voor uit­ge­no­digd door de min­stens zo sym­pa­thie­ke en hart­ver­war­mend lie­ve Elja. Dua, opnieuw, geen tijd.

En ja, ik weet het. Er staat niets geschre­ven over deze work­shop op zater­dag. Daar moet ik ook nog aan wer­ken. Of ik die upda­te dan met terug­wer­ken­de kracht op zater­dag ga zet­ten (anti­da­te­ren) weet ik nog niet. Mocht ik daar­toe beslui­ten (beslo­ten heb­ben) en je leest deze blog­post pas daar­na dan moet een en ander vreemd over­ko­men. Het zij zo.

~ ~ ~

Ik ben inmid­dels in Cluj met drie kwar­tier ver­tra­ging en het sneeuwt hier. Niet veel in tegen­stel­ling tot ande­re delen van Roe­me­nië waar het wel met bak­ken uit de lucht is geko­men. Helaas was het al don­ker bij aan­komst. Mooie plaat­jes kun je daar­om mis­schien pas van­af mor­gen ver­wach­ten mocht de sneeuw blij­ven lig­gen en niet al com­pleet tot pap zijn gere­den of weg­ge­smol­ten door inval­len­de dooi.

~ ~ ~

Donderdag, 17 januari 2019

Bij geen blo­gin­spi­ra­tie neem ik plaats op deze stoel en ga lezen. Ook als ik wel blo­gin­spi­ra­tie heb zit ik vaak op deze stoel om te lezen. Gewoon, omdat het zo’n fijn plek­je is. En voor­al omdat er zoveel te lezen is waar­over ik ooit wil blog­gen. Het lees­hoek­je lijkt klein maar het is eigen­lijk een soort van nis in mijn stu­deer­ka­mer en van­uit de stoel kijk ik uit op mijn boe­ken­kast aan de ande­re kant van de kamer. Als ik naar links kijk voor­bij het klei­ne boe­ken­kast­je wat je nog net op de foto ziet dan kan ik door het raam de voor­tuin en de Lin­ge zien. Ook niet slecht. Een ande­re voor­na­me reden waar­om ik vele uren door­breng in deze stoel.

~ ~ ~

Woensdag, 16 januari 2019

Op dezelf­de wen­tel­trap als gis­ter zit van­daag een vrouw. Voor­dat ik haar zie hoor ik al dat er een stuk­je ver­der­op omhoog iemand zich op de trap bevind. Zou het weer die vrouw met hoog­te­vrees zijn die een nieu­we poging onder­no­men heeft om haar groot­ste angst recht in de ogen te kij­ken? Is ze bezig zich­zelf moed in te pra­ten? Niet bij de tre­des neer te gaan zit­ten?  Eer­lijk gezegd kan ik me dat niet voor­stel­len, maar ik wil me aan­ge­naam laten ver­ras­sen en ben op alles voor­be­reid. Ik neem me voor als zij het echt is om dan vol­op tot hulp te zijn haar ver­der te bege­lei­den naar de ver­die­ping waar ze wil zijn.

Een aan­tal tre­des hoger krijg ik zicht op dege­ne die beslo­ten had niet meer ver­der te gaan. Het is inder­daad een vrouw. Erg jong nog. Gehuld in een ver­pleeg­sters­uni­form (hoe­wel ik dat niet met zeker­heid kan zeg­gen) zit ze tegen de bui­ten­leu­ning van de trap geleund. Ik heb even het idee dat ze een siga­ret zit te roken maar dat slaat natuur­lijk ner­gens op. Het trap­pen­huis is een plek waar mis­schien niet zoveel men­sen gebruik van maken toch lijkt het me niet de meest voor de hand lig­gen­de loca­tie om stie­kem een peuk­je weg te paf­fen. Ze is bezig de trap te poet­sen. Met een emmer­tje naast haar en een niet al te schoon doek­je in de hand wrijft ze rede­lijk onge­ïn­spi­reerd over de tre­de waar­op ze zojuist had geze­ten. Althans zo stel­de ik me dat voor. Dat ze van boven­af komend al wrij­vend op weg is naar de kel­der.

Ik excu­seer me voor het geval ik met mijn schoen­zo­len haar nij­ve­re werk onge­daan zou maken en omzeil voor­zich­tig de emmer die mid­den op de trap­tre­de staat. Ze mom­pelt iets wat ver­lo­ren gaat in de slech­te akoes­tiek van de hol­le buis waar we ons in bevin­den. Omdat ik het niet ver­sta draai ik me om en wil vra­gen of ze het mis­schien kan her­ha­len. Het is ech­ter niet tegen mij gericht zo merk ik nu pas. Ze heeft een draad­loos dop­je in haar oor en is in gesprek met iemand. Ik vraag me of ze me mij wel gezien heeft nu ik zie hoe vol­le­dig ze opgaat in de con­ver­sa­tie met waar­schijn­lijk een goe­de vrien­din en onder­wijl op de auto­ma­ti­sche piloot bezig is haar cor­vee uit te voe­ren.

Zacht­jes flui­tend om haar niet te sto­ren ver­volg ik mijn tocht naar een hoge­re eta­ge alwaar ik mijn zie­ken­huis­be­zoek vol­gens voor­lo­pi­ge plan­ning voor de laat­ste keer ga afleg­gen. De pati­ënt mag mor­gen weer naar huis.

~ ~ ~

Dinsdag, 15 januari 2019

Het is druk bij de lift. Ik moet naar de vijf­de ver­die­ping. Omdat ik jong van hart ben kies ik als alter­na­tief voor de trap. Een best wel stei­le wen­tel­trap bij nader inzien. Voor mij beklimt een vrouw op leef­tijd maar altijd nog jon­ger dan ik dezelf­de trap. Aan­van­ke­lijk best wel snel maar dat ver­an­dert al bij de eer­ste omwen­te­ling. Ook begint ze te hij­gen. Na de twee­de omwen­te­ling moet ze even uit­rus­ten en grijpt daar­bij de leu­ning aan de bin­nen­zij­de vast. Een kapi­ta­le fout want nu heeft ze vrij zicht door de spij­len op de diep­te bene­den. Het lijkt of ze bij­na onder­uit gaat van angst wan­neer ze rea­li­seert ern­sti­ge hoog­te­vrees te heb­ben.

Ik vraag of ik van hulp kan zijn. Met boven­men­se­lij­ke kracht geeft ze aan dat dit niet nodig is ter­wijl ze tree­tje voor tree­tje en zucht na zucht haar weg omhoog ver­volgt. Tus­sen de zuch­ten door laat ze weten na de der­de omwen­te­ling de trap te zul­len ver­la­ten om als­nog de lift te nemen. Laat nu net de deur bij de der­de ver­die­ping geslo­ten zijn. Gedul­dig blijf ik op haar staan wach­ten tot ze van de schrik beko­men is en vol­doen­de adem heeft om er een aller­laat­ste vier­de omwen­te­ling uit te per­sen. Dan ver­l­lat ze ein­de­lijk vol­op zwe­tend en met rood aan­ge­lo­pen gezicht het trap­pen­huis waar ze door enke­le niet toe­val­lig aan­we­zi­ge ver­pleeg­sters wordt opge­van­gen en voor de zeker­heid even op een gereed­staand zie­ken­huis­bed wordt gelegd.

Flui­tend ver­volg ik mijn tocht naar een hoge­re eta­ge alwaar ik mijn zie­ken­huis­be­zoek ga afleg­gen.

~ ~ ~

Maandag, 14 januari 2019

Elkaar soms niet begrij­pen is men­se­lijk. Maar het maakt het tege­lij­ker­tijd ook moei­lijk te bemid­de­len tus­sen twee men­sen die elkaar niet begrij­pen. Ik heb het van­daag gepro­beerd, maar men begreep mij niet. Of ik hen niet. De vraag is natuur­lijk of jul­lie begrij­pen wat ik hier­mee wil zeg­gen. Zo niet, heb ik daar alle begrip voor.

~ ~ ~

Zondag, 13 januari 2019

Ren­nen. In de regen. En met wat wind erbij. Ik vind het heer­lijk. Daar­om zag ik er hele­maal niet tegen­op om deze och­tend, na mijn weke­lijk­se (ja, ik hoop er weer een vas­te rou­ti­ne van te maken) blog­post over Don Qui­chot de hard­loop­schoe­nen aan te trek­ken. Ik had al wat hard­lo­pers voor­bij zien komen en wat me tel­kens weer ver­baas­de was hoe warm inge­pakt ze waren. Als­of het hart­je win­ter was. Qua sei­zoen mis­schien, maar de weers­om­stan­dig­he­den zijn toch echt niet zoda­nig dat een lan­ge broek, hand­schoe­nen en een muts nodig zijn. Hoog­uit een wind­jack­je. Wat mij betreft ten­min­ste.

En zo ver­trok ik dan ook. In mijn kor­te broek. Bin­nen de kort­ste keren was ik zeik­nat. Want hoe­wel het de eer­ste minu­ten niet regen­de begon het al snel te hozen. Het mocht de pret niet druk­ken. Tegen de wind in beu­kend ver­volg­de ik mijn weg vast­be­slo­ten mini­maal een rond­je van vijf kilo­me­ter te vol­tooi­en. De voor­bije week heb ik helaas ver­zaakt qua vast­hou­den aan de drie dagen regel en daar­om had ik wat goed te maken. Tege­lij­ker­tijd wil ik de boel ook niet for­ce­ren. Nieu­we bles­su­res zit ik niet op te wach­ten. De vijf kilo­me­ter is dus een soort van com­pro­mis. Daar­nast bedacht ik me tij­dens het ren­nen dat ik in ieder geval van­af nu mezelf kan ver­plich­ten dat wan­neer ik een dag niet loop ik dan wel op z’n minst een aan­tal minu­ten aan core trai­ning moet doen. Ga ik wel lopen dan is de core trai­ning opti­o­neel. Zo hou ik mezelf bezig.

Onder­weg kwam ik een hek en sloot tegen. Dat is wel vaker het geval maar mis­schien omdat ik toch al nat was en door­dat het wei­ni­ge sur­vi­val­run­bloed dat nog door mijn ade­ren stroomt plots wat harts­toch­te­lij­ker ging stro­men, kon ik het niet laten wat oefe­nin­gen bij het hek te vol­tooi­en en een paar keer over de sloot te sprin­gen. Als een kind zo blij liep ik de rest naar huis in sop­pen­de hard­loop­schoe­nen vol met water en mod­der waar een hete dou­che het feest com­ple­teer­de. De zon­dag kan niet meer stuk.

~ ~ ~

Don Quichot kon het weer niet laten

Deze blog­post is deel 25 van 25 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Vier­en­twin­tig­ste hoofd­stuk:
Waar­in het avon­tuur van de Sier­ra More­na ver­volgd wordt

De jon­ge­man die zo plots­klaps en toe­val­lig van­uit het niets in vorig hoofd­stuk tevoor­schijn komt is inder­daad blij­kens de gei­ten­hoe­der de eige­naar van de spul­len die Don Qui­chot en San­cho Pan­zo eer­der tij­dens hun tocht door het geberg­te gevon­den (en in het geval van San­cho en de goud­stuk­ken, onrecht­ma­tig toe­ge­ëi­gend heb­ben, maar voor­als­nog gaat het daar (nog) niet over). Hij is in goe­de doen wat betreft mede­deel­zaam­heid over wat hem is voor­ge­val­len waar­door hij gemeend heeft zijn toe­vlucht te zoe­ken diep in het meest onher­berg­za­me gedeel­te van de Sier­ra More­na, ech­ter aller­eerst wil hij eten. Veel eten. Pas daar­na zoekt het gezel­schap een rus­tig plek­je op alwaar de jon­ge­man (door Cer­van­tes dan weer eens ‘de have­lo­ze Rid­der van het Geberg­te’ en een ande­re keer ‘De Rid­der van het Struik­ge­was’ genoemd) zijn ver­haal kan doen.

Er gaat wel een waar­schu­wing aan voor­af. Een­tje die Don Qui­chot met­een doet den­ken aan het ver­haal over de gei­ten door San­cho Pan­za. De jon­ge­man drukt hen op het hart hem niet in de rede te val­len, ‘want zodra ge dat doet, is mijn ver­haal uit’.

Wat volgt is het relaas door de eens geluk­ki­ge jon­ge­man van adel die al tij­dens zijn vroeg­ste jeugd ver­liefd is op de doch­ter uit een even­eens rijk en adel­lijk geslacht. Het lijkt voor­be­stemd dat zij een­maal de huw­ba­re leef­tijd bereikt heb­bend met elkaar zul­len gaan trou­wen. Het lot wil ech­ter dat de jon­ge­man tegen die tijd ont­bo­den wordt aan het hof van de her­tog om aldaar zijn dien­sten te bewij­zen als fami­lie­vriend voor de zonen van de her­tog. Zo ging dat toen. De trouw­par­tij zal nog even moe­ten wach­ten en zowel de aan­d­staan­de bruid als haar vader heb­ben begrip voor dit uit­stel van plan­nen.

Aan het hof raakt de jon­ge­man, waar­van we onder­tus­sen heb­ben ver­no­men dat zijn naam Car­de­nio is, goed bevriend met de twee­de zoon van de her­tog. Deze is genaamd Fer­nan­do en nadat de band tus­sen hen meer ver­trou­we­lijk is gewor­den biecht hij op dat hij ern­stig ver­liefd is op een waar­ach­tig mooi boe­ren­meis­je waar­van de ouders wel­is­waar erg rijk zijn, maar waar­voor de her­tog nooit zijn goed­keu­rig zou ver­le­nen mocht zijn zoon ver­zoe­ken om met zijn gelief­de in het huwe­lijk te tre­den om zodoen­de met haar in de ech­te­lij­ke spon­de te kun­nen dui­ken (wat trou­wens ook bij Car­de­nio als een van de voor­naams­te reden mee­speel­de op haar de hand te vra­gen).

Omdat Car­de­nio te horen krijgt dat Fer­nan­do dit hei­me­lijk toch wil door­voe­ren zit er voor hem niets anders op dat de her­tog op de hoog­te te stel­len. Maar Fer­nan­do heeft onder­tus­sen zijn lus­ten niet kun­nen bedwin­gen en met het voor­wend­sel dat zij spoe­dig zul­len trou­wen het boe­ren­meis­je al in het bed en uit haar kle­ren weten te pra­ten. En zoals dat vol­gens Cer­van­tes dan gaat is daar­mee bij jeug­di­ge gelief­des de roman­ti­sche beto­ve­ring met­een door­bro­ken1:

[…] lief­de is bij jon­ge men­sen in de mees­te geval­len geen lief­de, maar begeer­te, die genot als enig doel kent en daar­om ophoudt als ze dat bereikt heeft. Dan moet wat zich als lief­de voor­deed wel wij­ken, want begeer­te kan de grens die de natuur haar stelt niet over­schrij­den, en ware lief­de kent geen gren­zen.
[p.173]

Om onder zijn gelof­te uit te komen en voor zijn vader ver­bor­gen te hou­den wel­ke stom­mi­teit hij had begaan voor­dat Car­de­nio hem hier­over zou inlich­ten komt Fer­nan­do met het idee om in de streek waar Car­de­nio gebo­ren is een aan­tal paar­den te gaan bekij­ken en even­tu­eel te kopen. Tegen Car­de­nio ver­telt Fer­nan­do dat hij door er even tus­sen­uit te zijn wat aflei­ding krijgt en mis­schien op deze manier zijn boe­ren­meis­je zou ver­ge­ten omdat hij ook wel wist dat er geen toe­komst in hun rela­tie zat. Car­de­nio, die geen idee had dat Fer­nan­do al lang en breed het bed had gedeeld met zijn gelief­de vind het een pri­ma voor­stel. En ook de her­tog stemt in.

Het is de opmaat naar nieu­we ont­wik­ke­lin­gen want zodra de twee jon­ge­man­nen in de geboor­te­plaats van Car­de­nio arri­ve­ren begint Fer­nan­do meer dan gewo­ne belang­stel­ling voor Luscin­da (de jeugd­lief­de en zoals gezegd aan­staan­de bruid van Car­de­nio) te ver­to­nen. Car­de­nio ziet dit alles lijd­zaam toe en begint met toe­ne­men­de mate arg­waan te koes­te­ren aan­gaan­de de goe­de bedoe­lin­gen van Fer­nan­do die geen gele­gen­heid onbe­nut laat elk gesprek op Luscin­da te bren­gen ‘al moest hij ze er bij de haren bij­sle­pen’.

Voor­dat ons gege­ven wordt dui­de­lijk­heid te krij­gen over hoe dit ver­haal ver­der ver­loopt kan Don Qui­chot zich helaas niet inhou­den om de jon­ge­man te onder­bre­ken, die onge­luk­kig genoeg ver­meld dat zijn Luscin­da een groot lief­heb­ber is van rid­der­ro­mans. Natuur­lijk is dat dè gele­gen­heid voor Don Qui­chot om zijn ken­nis op dit gebied te delen wat hij dan ook niet nalaat om uit­voe­rig te doen.

Of er een oor­za­ke­lijk ver­band is wordt niet echt dui­de­lijk maar bij de jon­ge­man slaan de stop­pen door en wat volgt is een vecht­par­tij die wan­neer de stof­wol­ken zijn opge­trok­ken dui­de­lijk maakt dat hij zich weer uit de voe­ten heeft gemaakt en opnieuw ver­bor­gen houdt in deze uit­hoek van de Sier­ra More­na. De ach­ter­ge­ble­ven dolen­de rid­der, zijn knecht en de her­der zijn dan wel enke­le blau­we plek­ken rij­ker maar zeker niet veel wij­zer gewor­den. Wie weet gaat dat in een van de vol­gen­de hoof­stuk­ken als­nog gebeu­ren. Of is zijn ver­haal nu uit?

~ ~ ~


  1. En het staat daar­bij haaks op recent onder­zoek waar­over ik dit week­end las in de NRC: ‘Helpt seks om een roman­ti­sche rela­tie te begin­nen?