En weg wassie

Al een aan­tal dagen schit­ter­de een exter­ne con­sul­tant die aan ons pro­ject was toe­ge­we­zen door afwe­zig­heid. Zijn col­le­ga liet in eer­ste instan­tie niet met­een blij­ken dat ook zij geen idee had waar hij was en wan­neer we hem weer kon­den ver­wach­ten. Gis­ter kwam dan ein­de­lijk het hoge woord eruit. Ze zou bij hun geza­men­lij­ke mana­ger navra­gen wat er aan de hand was.

Van­och­tend vroeg ik haar of ze iets meer te weten was geko­men. Ze aar­zel­de voor­dat ze ant­woord gaf. Als­of ze naar de juis­te woor­den zocht. ‘He has abs­con­ded’, ver­stond ik. ‘Abs­con­ded?’ Ja, dat had ik goed ver­staan. Als ik meer wil­de weten dan kon ik beter recht­streeks con­tact opne­men met hun mana­ger. Die trou­wens sowie­so een upda­te ging uit­stu­ren over haar niet aan­we­zi­ge col­le­ga.

En we gin­gen over tot de orde van de dag ter­wijl in mijn ach­ter­hoofd het ‘abs­con­ded’ bleef rond­zoe­men. Wat bete­ken­de het in gods­naam? Was hij getrof­fen door een ern­sti­ge ziek­te? Ver­on­ge­lukt? Over­ge­plaatst? Gede­gra­deerd? Gepro­mo­veerd? Ik wist het niet en was pas na de ver­ga­de­ring in de gele­gen­heid om het op te zoe­ken:

abs­cond:
To lea­ve quick­ly and secret­ly and hide one­self, often to avoid arrest or pro­se­cu­ti­on. 

To reti­re from public view, or from the pla­ce in which one resi­des or is ordi­na­ri­ly to be found; depart in a sud­den and secret man­ner; take one’s self off; decamp; espe­ci­al­ly, to go out of the way in order to avoid a legal pro­cess.

Nu wist ik dat we aan een ste­vig en com­plex pro­ject wer­ken met een dead­line die met ras­se schre­den nadert maar dat een con­sul­tant ervoor op de vlucht slaat is ook voor mij de eer­ste keer dat ik het mee­maak. Never a dull day.

~ ~ ~

Laat niet als dank voor het aangenaam verpozen

Voor­dat ik het gras ga maai­en maak ik eerst een rond­je om de mees­te tak­jes, wal­no­ten, den­ne­ap­pels en wat er zoal nog meer het mes van de gras­maai­er kan bescha­di­gen te ver­wij­de­ren. Deze och­tend kwam ik bij deze inspec­tie het eer­ste zwa­luwei­tje van het sei­zoen tegen. Niet dat ik het daar zoals een kie­vits­ei zou moe­ten vin­den. Het was dan ook een half eitje. Beter gezegd, een hal­ve lege eier­schaal.

Eigen­lijk best wel een eind van de schuur van­daan waar de zwa­lu­wen onder de over­kap­ping hun nest heb­ben gebouwd. Eerst dacht ik dat mis­schien een ekster toe had gesla­gen, het ei had geroofd en daar­na de inhoud had zit­ten oppeu­ze­len mid­den op het gazon. Inge wist mij ech­ter te over­tui­gen dat de zwa­lu­wen dit toch echt zelf doen. Niet het opeten van het nage­slacht natuur­lijk, maar het ver­wij­de­ren van de eier­schaal. Zodra hun kroost uit het ei komt rui­men zij de over­bo­dig gewor­den ver­pak­kings­ma­te­ri­a­len op omdat die anders toch maar te veel ruim­te in beslag nemen.

Nor­maal wip­pen ze die gewoon over de rand en komt het terecht in de ont­zet­ten­de berg troep die ze kun­nen maken recht onder hun nest. (Wat je ove­ri­gens kunt beper­ken door onder het nest een opvang­plank­je te maken.) Dit­maal von­den we de eier­schaal dus hal­ver­we­ge het gazon. Het kan zijn dat het gewoon daar naar­toe is gewaaid of dat een ander beest het ver­plaatst heeft. In ieder geval was het aan­lei­ding om weer even stil te staan bij het rei­len en zei­len van de bees­ten­boel om ons heen.

~ ~ ~

De Sade weer eens op de leeslijst zetten?

Ooit, in de tijd dat ik nog op de mid­del­ba­re school zat en vei­lig bij mijn ouders in huis woon­de nam mijn moe­der zomaar spon­taan een abon­ne­ment op de ECI. Bij deze boe­ken­club moest je elke maand een boek bestel­len want anders kreeg je er een­tje toe­ge­stuurd die zij voor jou had­den gese­lec­teerd. Ik las in die tijd al alles wat los en vast zat in de plaat­se­lij­ke bibli­o­theek en waar­om mijn moe­der lid werd van de ECI is me eigen­lijk een raad­sel. Mis­schien vond ze het wel goed dat we een eigen ver­za­me­ling boe­ken in huis moesten heb­ben om uit te stal­len in de boe­ken­kast die voor­al dienst deed om foto­lijst­jes en ande­re prul­la­ria ten toon te stel­len.

Omdat er ver­der nie­mand in huis echt veel las was het aan mij om tij­dig een nieu­we bestel­ling te plaat­sen. Daar stak ik veel tijd in want het viel niet mee om uit het gro­te aan­bod iets fat­soen­lijks op te die­pen wat ik goed genoeg vond maar nog niet eer­der gele­zen had. Op een dag stuit­te ik op een boek van D.A.F. de Sade (1740–1814) met als titel Jus­ti­ne, of de tegen­spoed van de deugd­zaam­heid. Mis­schien had ik het al vele malen eer­der voor­bij zien komen zon­der dat het opge­val­len was, nu ech­ter bleef ik er bij han­gen waar­schijn­lijk omdat ik tij­dens een les­uur Fran­se lite­ra­tuur bekend was geraakt met de lot­ge­val­len en het werk van deze illus­te­re schrij­ver. Zou ik het aan­dur­ven iets van hem te bestel­len zon­der dat mijn ouders er iets vreemds van zou­den den­ken?

Het pro­bleem (in mijn ogen) was dat de omslag van het boek hoe­wel niet erg obsceen mis­schien toch wat vraag­te­kens zou oproe­pen. Ik besloot daar­om om er wat ande­re boe­ken bij te bestel­len van Fran­se auteurs onder het mom dat het me zou hel­pen de Fran­se taal wat beter onder te knie te krij­gen wan­neer ik  twee ver­sies van het­zelf­de boek naast elkaar zou kun­nen leg­gen en dat het alle­maal titels waren op de lees­lijst voor dit school­jaar. Mooi ver­zon­nen, maar ver­der totaal nut­te­loos want net zoals de voor­gaan­de keren werd ook deze keer toen het pak­ket­je bin­nen­kwam het onge­o­pend op mijn slaap­ka­mer gelegd door mijn moe­der. Met bon­kend hart maak­te ik het ’s avonds open en begon met­een te lezen in Jus­ti­ne.

Daar is het niet bij geble­ven. Nadat ik deze vreem­de men­ge­ling van uiterst schok­ken­de por­no­gra­fi­sche scè­nes afge­wis­seld met lang uit­ge­spon­nen filo­so­fi­sche ver­han­de­lin­gen meer­de­re keren van voor naar ach­ter en weer terug had gele­zen durf­de ik het op een gege­ven moment ook aan boe­ken van de Sade van­uit de bibli­o­theek mee naar huis te nemen. Nog altijd ver­ge­zeld van wat Fran­se col­le­ga auteurs om de schijn op te wek­ken dat het mij niet echt alleen maar om de Sade zelf ging.

Naast de boe­ken die hij zelf had geschre­ven begon ik ook meer te lezen over zijn leven en wat ande­re schrij­vers over hem en zijn werk te ver­tel­len had­den. Weer later toen ik een­maal het ouder­lijk huis had ver­la­ten leg­de ik mijn eigen ver­za­me­ling de Sade boe­ken aan en tij­dens mijn uni­ver­si­tai­re stu­die Geschie­de­nis heb ik hem als onder­werp geno­men voor een opdracht waar de bio­gra­fie als his­to­ri­sche bron cen­traal stond. Ik ver­diep­te me opnieuw gron­dig in twee nieu­we bio­gra­fi­ën die recen­te­lijk uit­ge­ko­men waren en her­las nog enke­le boe­ken van hem om goed voor de dag te komen. Vol­gens mij is het zowat de laat­ste keer geweest dat ik iets van hem of over hem gele­zen heb met uit­zon­de­ring natuur­lijk van een inci­den­teel arti­kel of ver­wij­zing naar De Sade die nog steeds regel­ma­tig opdui­ken in tijd­schrif­ten, kran­ten of boe­ken.

Zoals nu dus in het laat­ste boek van Peter Buwal­da, Otmars zonen:

Na een hal­ve minuut of zo pak­te ze het D.A.F. de Sade-boek. Juliet­te, of de voor­spoed van de ondeugd heet­te het. Het zag er gek uit: als een blok hout met voor­op een negen­tien­de-eeuws aan­doen­de foto van een meis­je van een jaar of twaalf dat een bos­je bloe­men vast­hield en een prul­le­rig jurk­je droeg. Zoals op som­mi­ge oude ansicht­kaar­ten was het geheel voor­zich­tig­jes inge­kleurd met aqua­rel­verf, tut­tig, nos­tal­gisch. Maar er was iets mee, het pseu­do-onschul­di­ge ‘ondeugd’ in de titel, het antie­ke vrou­wen­ge­zicht op de ach­ter­kant, een hoofd uit de prui­ken­tijd, dacht ze, de ogen onsma­ke­lijk gepuild.
[p.374]

Ik wist onmid­del­lijk over wel­ke uit­ga­ve van het ging, want deze had ik toe­val­lig zelf in mijn kast staan. Lang gele­den had ik het ergens in Utrecht op de kop getikt nadat ik het al veel eer­der gele­zen had als eer­ste boek na Jus­ti­ne omdat het de ultie­me omke­ring ervan is. Jus­ti­ne en Juliet­te zijn name­lijk zus­jes die na de dood van hun ouders aan hun lot wor­den over­ge­la­ten omdat de erf­ge­na­men meer oog voor het geld heb­ben dan de zorg­taak voor de twee meis­jes op zich wil­len nemen. Jus­ti­ne (de jong­ste van de twee) is ten ein­de raad, maar Juliet­te ziet de toe­komst juist uiterst roos­kleu­rig in. Zij is op haar vijf­tien­de al uiterst ver­dor­ven en pro­beert Jus­ti­ne te over­tui­gen dat zij zich geen zor­gen hoe­ven te maken mits ze zich een beet­je anders zou opstel­len:

Je bent gek dat je je onge­rust maakt,’ ver­volg­de het wel­lus­ti­ge meis­je, ter­wijl ze naast Jus­ti­ne plaats nam. ‘Met ons uiter­lijk en onze leef­tijd hoe­ven we beslist niet van hon­ger om te komen.’
En ze ver­tel­de haar hoe de doch­ter van een buur­vrouw die het ouder­lijk huis was ont­vlucht nu uit­ste­kend werd onder­hou­den en beslist veel geluk­ki­ger was dan ze thuis zou zijn geweest. [p.13, Jus­ti­ne, of de tegen­spoed van de deugd]

Jus­ti­ne gruwt ech­ter bij dit idee en al snel schei­den zich de wegen van de twee zus­jes, wat leidt tot twee boe­ken waar de Sade zich tot in het extre­me kan uit­wei­den over wat het bete­kent om je ener­zijds totaal deugd­zaam op te blij­ven opstel­len onder alle omstan­di­gen en hoe slecht het lot je dan gezind zal zijn omdat dit gedrag in zijn ogen onna­tuur­lijk is en daar tegen­over wat het bete­kent wan­neer je alle rem­min­gen laat gaan en alles uit de kast haalt om de meest ver­re­gaan­de (sek­su­e­le en sadis­ti­sche) fan­ta­sie­ën te rea­li­se­ren. Fas­ci­ne­ren­de lec­tuur vond ik toen, en ik heb het met rode oor­tjes gele­zen. Wie weet is het weer eens tijd om eens opnieuw te zien waar­om ik het toen­der­tijd (het is inmid­dels toch alweer zo’n vijf­en­twin­tig jaar gele­den) met zoveel inte­res­se heb gele­zen en of de per­soon D.A.F. de Sade en zijn filo­so­fie me nog steeds kan beko­ren.

Maar eerst ver­der in Otmars zonen.

~ ~ ~

Eerste woordjes

Deze och­tend las ik pas het inter­view door Tom­my Wie­rin­ga met A.L. Snij­ders in de NRC van 26 april 2019. Ik moest erg lachen hoe de inter­vie­wer, op bezoek bij Snij­ders de hele tijd geze­ten aan de keu­ken­ta­fel een ‘gesta­ge regen van zang­zaad en schel­pen­zand’ over zich heen krijgt uit de par­kie­ten­kooi die boven hem aan de muur is beves­tigd. Het zijn zul­ke details die ik waar­deer.

Lang bleef ik han­gen bij de vol­gen­de pas­sa­ge:

Het vro­lij­ke meis­je bleek tot haar schrik gebo­ren te zijn in een streng gere­for­meerd mili­eu”. Hij heeft ’m zomaar opge­schre­ven, zon­der gedach­ten voor­af, omdat hij zijn ZKV’s tegen­woor­dig schrijft vol­gens een nieuw pro­ce­dé: de min of meer wil­le­keu­ri­ge eer­ste zin trekt de rest van het stuk­je voort. „De eer­ste zin moet alles baren”, zegt hij van­uit de open keu­ken. „Ik bedoel daar­mee dat ik nog geen idee heb waar dat stuk­je over moet gaan. Ik wil alleen de eer­ste zin heb­ben en die moet het doen voor de rest.

Het was een pro­ce­dé dat ik jaren gele­den gebruik­te om mijn blog­posts te schrij­ven. Blijk­baar had ik toen de ruim­te in mijn hoofd om een hele dag te kun­nen kau­wen op zo’n eer­ste zin die zich vaak al ergens in de och­tend aan mij opdrong en alleen maar aan­ge­scherpt hoef­de te wor­den tot­dat hij klaar was om als start­sein te die­nen voor de rest van een ver­tel­sel dat zich van­zelf zou vor­men. Hoe, dat was bij mij ook niet bekend. Wel wist ik onge­veer waar­over het zou moe­ten gaan. De pre­cie­ze uit­wer­king werd pas dui­de­lijk op het moment dat ik begon met schrij­ven.

Al jaren komt er geen eer­ste zin meer in mij op. Of mis­schien is dat toch nog steeds het geval maar her­ken ik het niet als zoda­nig. Reser­veer ik er geen tijd meer voor om ‘m te laten rij­pen gedu­ren­de de dag. Omdat ik zoge­naamd te druk ben met ande­re, meer belang­rij­ke zaken. Ik weet het niet. Wel dat ik het mis. Zal het me luk­ken om me ooit nog eens opnieuw hier­voor open te stel­len? Ont­van­ke­lijk te zijn voor die toe­val­li­ge woor­den die aan komen waai­en zon­der dat ze als zoda­nig te her­ken­nen zijn om later gebruikt te kun­nen wor­den voor het begin van een blog­post?

~ ~ ~

Wijziging van regels

Het waren zoals gezegd de loven­de woor­den van A.F.Th. van der Heij­den over Boni­ta Ave­nue die me tij­dens de Boe­ken­week deden afwij­ken van de regel om dit jaar eens te pro­be­ren geen nieu­we boe­ken te kopen maar eerst de sta­pel onge­le­zen weg te wer­ken. Om het voor mezelf enigs­zins recht te pra­ten begon ik met­een nadat ik Saty­ri­con had uit­ge­le­zen aan het boe­ken­week­ge­schenk en ver­vol­gens aan het debuut van Peter Buwal­da. Ik las het in één ruk uit en het beviel me enorm.

Dat smaak­te naar meer.

Wat ech­ter te doen met mijn ander voor­ne­men? Niet alleen zou ik trach­ten de sta­pel onge­le­zen te redu­ce­ren, ik was ook nog eens van plan via een soort zelf­ver­zon­nen regel van boek naar boek te lezen afhan­ke­lijk van wat mij tij­dens het lezen van het ene boek zoal te bin­nen schoot voor wat ik erna zou gaan lezen. Zie hier bij­voor­beeld wat mijn lees­lijst­plan­ning zou moe­ten zijn na het lezen van Pnin:

Non-fic­tie:

  • SPQR — Mary Beard
    • Geschie­de­nis van de Rus­si­sche lite­ra­tuur — Karel van het Reve
    • The revolt of the mas­ses — José Orte­ga y Gas­set

Fic­tie:

  • Dok­ter Zji­va­go — Boris Pas­ter­nak

Inmid­dels had ik SPQR (waar ik vorig jaar zomer mee gestart was…) uit­ge­le­zen en dat had me aan­ge­zet tot Saty­ri­con, waar­bij ik al een lich­te over­tre­ding had begaan door Dok­ter Zji­va­go over te slaan. Niets hield me dus tegen om ver­der te gaan op het ille­ga­le pad door de plan­ning hele­maal over­boord te zet­ten en de fon­kel­nieu­we onge­le­zen boe­ken op te pak­ken die ik aan­ge­schaft had.

Na Boni­ta Ave­nue durf­de ik ech­ter niet aan Otmars zonen te begin­nen. Ik was bang dat wan­neer ik ze te kort ach­ter elkaar zou lezen, ze zou­den ver­smel­ten als één geheel in mijn her­in­ne­ring. Iets der­ge­lijks heb ik met Garp en Hotel New Hamp­shi­re van John Irving. Van som­mi­ge gebeur­te­nis­sen in die boe­ken kan ik me niet voor de geest halen in wel­ke van de twee ze nu daad­wer­ke­lijk thuis­ho­ren. Dat wil­de ik pro­be­ren te voor­ko­men bij Otmars zonen.

Daar­om besloot ik A Song of Ice and Fire — [3] A Storm of Swords van Geor­ge R.R. Mar­tin eerst ver­der uit te lezen. Aan­lei­ding was de start van het laat­ste sei­zoen in deze serie die we zelf niet op HBO vol­gen maar pas veel later op dvd aan­schaf­fen om meest­al rond de kerst­pe­ri­o­de te bin­ge-wat­chen. Hier­na had ik nog steeds niet het plan om aan Otmar’s zonen te begin­nen, tot­dat mijn oog viel op een column van Ewald Enge­len in De Groe­ne Amster­dam­mer.

In de sadis­ti­sche seks die Johan Tromp met een Neder­land­se onder­zoeks­jour­na­lis­te van de Finan­ci­al Times heeft, weer­spie­gelt zich de wre­de wij­ze waar­op de mul­ti­na­ti­o­nal omgaat met zijn omge­ving. Zoals Tromp de frê­le Isa­bel­le Ort­hel voor eigen gerief vast­bindt en dagen­lang naakt met een lood­zwa­re sla­ven­ket­ting laat rond­lo­pen, zo mis­bruikt Shell het kwets­ba­re land­schap van de Niger­del­ta om maar zo veel moge­lijk aan­deel­hou­ders­waar­de uit de grond te per­sen.

Mijn inte­res­se was gewekt.

Otmars zonen ver­telt het ver­haal van de jon­ge Shell-employé Lud­wig Smit, die na een bezoek aan de illus­te­re Johan Tromp op het Sibe­ri­sche eiland Sak­ha­lin strandt in een sneeuw­storm. Juist nu, wan­neer onder­zoeks­jour­na­lis­te Isa­bel­le Ort­hel hem het dek­sel komt over­han­di­gen van een beer­put, begint Tromps dave­ren­de car­ri­è­re in de olie­bu­si­ness te wan­ke­len. Tromp — hedo­nist, alfa­man, kroon­prins van Shell, en in alles het tegen­beeld van Lud­wig — schat zijn twee bezoe­kers vol­ko­men ver­keerd in.

Otmars zonen
Peter Buwal­da
Uit­ge­ver: De Bezi­ge Bij
ISBN: 9789403123004

~ ~ ~