Daar bij die molen, die watermolen…

Eerste deel – Twintigste hoofdstuk:
Over een nooit ter wereld door enig edelman zó zonder gevaren ten einde gebracht, ongehoord en ongezien avontuur, hetwelk hier voleind werd door de dappere Don Quichot van de Mancha

De zadeltas die Sancho van de schaapsherders uit het vorige hoofdstuk ontvreemd heeft bevat een hoop voedsel maar helaas geen water. Dus moeten ze op zoek naar een plek waar ze de dorst kunnen lessen en besluiten net zo lang door te rijden tot ze iets gevonden hebben. Sancho die al zijn leven op het land heeft gewoond vermoed dat er een beek in de buurt moet zijn gezien het malse groene gras dat hij overal ziet. Tegen middernacht menen ze dat het niet ver meer kan zijn omdat ze het geluid van vallend water steeds beter kunnen onderscheiden. Wat ze echter ook horen is een geheel ander geluid, dat van ‘zware regelmatig vallende slagen, en tegelijkertijd gerammel van ijzer en ketenen’.

Don Quichot zou Don Quichot niet zijn als hij dit niet zou aangrijpen als een zoveelste aanleiding om zijn onverschrokkenheid te tonen. Voordat hij ten strijde trekt tegen het onbekende gevaar geeft hij Sancho eerst uitgebreid instructies wat deze moet doen in het geval zijn meester niet levend terug zal keren van het strijdtoneel. Voor Sancho, die de schrik toch al om het hart is geslagen is dit reden om Don Quichot te overtuigen van het feit dat het beter is te wachten op het daglicht. Of, nog beter, ‘rechtsomkeert te maken en het gevaar ontlopen’. Don Quichot wil daar vanzelfsprekend niets van weten. Dat is zijn eer te na, en daarom zit er voor Sancho niets anders op dan via een list er voor te zorgen dat de ongeduldige ridder vooralsnog niet kan vertrekken. In het geniep bindt hij beide voorbenen van Rossinant bij elkaar zodat deze slechts wat bokkesprongen kan maken in plaats van galopperen. In het duister viel deze sabotage gelukkig niet op bij Don Quichot die in vol ornaat hoog gezeten op zijn paard zich neerlegt bij de situatie in afwachting tot het eerste daglicht.

Om de tijd te doden besluit Sancho een verhaal te vertellen dat redelijk vreemd in elkaar steekt. Het begint er al mee dat Sancho er redelijk lang over doet om het verhaal in te leiden. Iets wat Don Quichot nog meer ongedurig maakt en hem maant wat op te schieten. Maar Sancho heeft daar geen oren naar en beroept zich op de verteltraditie uit zijn streek waar ze ‘zulke verhalen juistement vertellen op de manier dat ik het vertel’. Niet veel later beschrijft hij een herderin zo beeldend dat Don Quichot zich terecht afvraagt of hij haar misschien gekend heeft:

‘Nee, gekend heb ik haar niet’, antwoordde Sancho; ‘maar de man die mij dit verhaal verteld heeft, zei dat het zo waarlijk en waarachtig gebeurd was dat ik als ik het anderen vertelde best beweren en zelfs bezweren mocht dat ik alles zelf had meegemaakt.
[p.135]

Halverwege (althans zo lijkt het) is er een episode waar de geitenhoeder (als centrale persoon in de vertelling) met zijn kudde een rivier dient over te steken. Een visser die daarbij kan helpen heeft in zijn bootje echter slechts plaats voor één geit. Sancho begint vervolgens uitgebreid te beschrijven hoe vaak de visser op en neer moet en vraagt Don Quichot de tel bij te houden. Als die op een gegeven moment wanneer Sancho er naar vraagt niet precies kan aangeven hoeveel geiten er al overgezet zijn is het verhaal afgelopen.

‘Hoe zo?’ zie Don Quichot. ‘Komt het er bij deze geschiedenis zo nauw op aan hoeveel geiten er overgevaren zijn, dat als een mens den tel kwijtraakt, jij het verhaal niet verder kunt vertellen?’
‘Neen, heer, dat kan niet’, antwoordde Sancho; ‘want toen ik Ued. vroeg mij te vertellen hoeveel geiten er over waren en u zei dat u het niet wist, wist ik op het eigen ogenblik niet meer over hoeveel ik er nog vertellen moest, en ik kan u verzekeren dat het een best en aardig verhaal was.’
[p.136]

Met dit soort conversaties en andere zaken brengen ze de nacht door totdat bij het eerste ochtendgloren Don Quichot dan toch eindelijk zijn uitgestelde aanval kan inzetten. Een laatste poging van Sancho om hem op andere gedachten te brengen is verspilde moeite. Zelfs dat hij in huilen uitbarst kan zijn meester niet vermurwen, hoewel het wel totaal onverwachts de volgende terzijde oplevert voor de verbouwereerde lezer:

Uit deze tranen en dit hoogst eerzaam voornemen van Sancho Panza besluit de schrijver van deze geschiedenis dat hij van zeer goede afkomst moet geweest zijn en geboren uit christelijke voorzaten die zich niet met joden, moren of andere heidenen hadden vermengd.
[p.138]

Als een soort van anticlimax spurt Don Quichot in het laatste gedeelte van dit hoofdstuk bij het ochtendgloren op het onheilspellende geluid om al snel te merken dat het veroorzaakt wordt door de zware schoepen van een watermolen. Ditmaal laat hij zich niet door zijn verbeelding op stang jagen door te denken dat het wederom een machtig leger is wat hem uitdaagt maar berust hij verslagen op zijn paard dat hij zich deerlijk vergist heeft in de aard van het lawaai dat hem de hele nacht parten had gespeeld. Bij Sancho Panza komt alle spanning er in een keer uit en hij kan niet laten zijn meester belachelijk te maken hoe die vurige redevoeringen hield om zichzelf op te peppen de strijd aan te gaan met wat nu slechts een watermolen blijkt te zijn. Don Quichot grijpt dit aan om zijn knecht terecht te wijzen en hem te gebieden ietwat meer eerbied voor zijn meester te tonen ‘want na zijn ouders moet men zijne meesters eerbiedigen alsof ook zij ouders waren.’

~ ~ ~

Vrijdag, 7 december 2018

Eind december 2017 lukte het me om toch nog in de dubbele cijfers te komen voor wat betreft het aantal boeken dat ik uitgelezen kreeg. Uiteindelijk bleef de teller staan op 13 boeken. Een karig gemiddelde van 1 boek per maand. Mijn voornemen was om het dit jaar beter te doen.

Welnu, dat gaat me lukken. Maar een echte verbetering ten opzichte van vorig jaar kun je het niet noemen of ik moet in de laatste drie weken nog een tiental boeken weten weg te lezen. Want vandaag, 9 december 2018, is het me pas gelukt om de 13 boeken van vorig jaar te passeren.

En het is meteen d’rop en d’rover want ik had niet door dat het boek van Mariska van Sprundel op enkele bladzijdes na nog niet was uitgelezen. Dat heb ik eerst snel gedaan voordat ik aan het laatste gedeelte over Ernum begon. Dus kon ik net voor middernacht zowaar 2 titels bijschrijven. Dat zal me niet snel weer gebeuren.

~ ~ ~

Donderdag, 6 december 2018

Van 1996 tot en met 2016 heb ik in Arnhem gewoond. Tenminste, dat dacht ik. Nu ik Arnhem heb verruild voor de gemeente Bemmel kreeg ik van de sint een boekje waarin al meteen op de eerste bladzijdes duidelijk werd gemaakt dat ik al die tijd juist níet in Arnhem heb gewoon, maar Arnhem-Zuid. En dat is toch echt iets anders:

Arnhem is Arnhem-Noord, waar het hart en de ziel van de hoofdstad van Gelderland liggen. Niet alleen in het centrum, ook in omringende wijken zoals Klarendal, de Geitenkamp en het Spijkerkwartier. Arnhem-Zuid zou ook een buitenwijk van iedere willekeurige andere stad kunnen zijn.
[p.12, De Rijn, de Fles, Arnhemse Meisjes en Vites, Remco Kock]

Ik wist dat natuurlijk wel. Toen we de beslissing namen om samen te gaan wonen en ons oog viel op Arnhem, werd ons al snel duidelijk dat het centrum in Arnhem-Noord veel minder geschikt was. Niet alleen was het veel duurder om passende woonruimte te vinden, ook bracht het veel ongemak met zich mee wat typisch is voor een drukke binnenstad zoals weinig parkeerruimte, geluidsoverlast tot laat in de nacht en meer van dat. De keus was al snel gemaakt, wij gingen iets zoeken in Arnhem-Zuid. En daar hebben we nooit spijt van gehad. Tenslotte was Noord op fietsafstand en lagen de vele voordelen die een ‘grote stad’ had nog steeds binnen handbereik. Voor ons was het ‘the best of both worlds’ en namen we de neerbuigende grapjes die gemaakt werden over Zuid op de koop toe.

Zuid is de tegenpool van Noord: kindvriendelijk, vlak en veilig. In Noord is het heuvel op, heuvel af. […] Noord is de stad, Zuid is, tja, wat? Het centrum van Zuid is Kronenburg. Overdekt winkelen. Kronenburg symboliseert Arnhem-Zuid. Niet romantisch, wel praktisch.
[p.11]

Voor ik het vergeet te zeggen, het boek van Remco Kock waar ik deze twee citaten vandaan halen is verre van een neerbuigend boek over Arnhem-Zuid. Integendeel, het is een verzameling korte verhalen over Arnhem waar de schrijver op zeer komische wijze de draak steekt met Arnhem en de Arnhemmers in het algemeen en zichzelf in het bijzonder. Ik ben er deze avond in begonnen en moest al verscheidene keren hardop lachen. Iets wat me niet vaak overkomt tijdens het lezen. Kopen dat boek als je Arnhem wat beter wilt leren kennen.

De Rijn, de Fles, Arnhemse Meisjes en Vites
Menno Kock
Uitgeverij Kontrast
ISBN 9789492411334

~ ~ ~

Woensdag, 5 december 2018

Pakjesavond. De kleinkinderen geloven niet meer in Sinterklaas en het plan is om met Kerstmis cadeaus en gedichten te doen. Hebben we met z’n allen iets meer tijd om alsnog op het allerlaatste moment in tijdnood te komen. Dachten we. Totdat duidelijk werd dat de jongste kleinzoon toch nog een beetje geloofde en we halsoverkop ontboden werden omdat de Sint waarschijnlijk langs zou komen deze avond. Wij dus snel nog wat aankopen doen. Op het lijstje stond een gezelschapspel. Daarvan lag gelukkig het allerlaatste exemplaar op ons te wachten. Niet zonder reden. De doos was beschadigd. Wat nu? Toch maar gekocht want het gaat uiteindelijk om de inhoud en niet de verpakking.

Zijn de pakjes eenmaal ontvangen dan is de aanpak als volgt: de oudste in het gezelschap mag een cadeautje uitkiezen maar niet voor zichzelf. Degene voor wie het pakje is kiest daarna een cadeautje voor iemand anders. Enzovoorts. Op een gegeven moment koos iemand een cadeautje met als opschrift ‘Jinxie’. De hond. Die was er erg blij mee. Maar hoe nu verder? Heel simpel. We zouden haar lokken en het eerste pakje waar ze op ging staan was aan de beurt. Laat dat nu net het gezelschapspel zijn. We grepen de gelegenheid aan om quasi-ongerust op te merken dat hopelijk het cadeau niet beschadigd zou zijn door de hond.

Sorry Jinxie…

~ ~ ~

Dinsdag, 4 december 2018

Precies twaalf jaar geleden verhuisden we van Veenendaal naar Ede. En met we bedoel ik deze keer voor de verandering mijn collega’s en ikzelf. Het bedrijfspand waar ik een paar jaar eerder begonnen was met werken voor Emerson stond op het punt van inzakken en het was hoog tijd voor iets moderners. Dat vonden we op het industrieterrein in Ede. Na de verhuizing van het magazijn waar ik grotendeels verantwoordelijk voor was betrok ik een kantoor dat ik helemaal voor mezelf alleen had. Heerlijk!

Een jaar of twee later verschoof ik echter vanwege een interne functieverandering naar een bureau in een open ruimte oftewel kantoortuin. Ik vond het verder prima. Omdat ik niet veel moeite heb met mezelf te concentreren op mijn werk werd ik niet echt afgeleid door alle rumoer en activiteit om me heen. Dat is al die tijd zo gebleven toen ik op z’n minst nog minimaal vijf keer van werkplek veranderde.

Vandaag was het opnieuw zover. Omdat er een afdeling uit het buitenland overgeheveld wordt naar onze vestiging moest er voor hen wat ruimte vrijgemaakt worden op de eerste verdieping. Wij van Business Systems waren zo bereidwillig om naar de begane grond te verhuizen. Waarbij ik opeens weer een eigen kantoor kreeg toegewezen. Jippie!

Het is nu nog wat kaal en steriel maar dat zal niet al te lang duren. Eerst maar eens beginnen met de kerstversiering voor de dag te halen.

~ ~ ~