Zaterdag, 13 april 2019

Kerkbank

Ik was het bij­na ver­ge­ten. Een aan­tal weken gele­den stuur­de Inge me mid­den op de werk­dag een foto door van een hou­ten bank. Of ik die mooi vond. Het bericht­je zag ik bin­nen­ko­men tij­dens een ver­ga­de­ring dus ik keek er pas later op de dag naar. Het was een mooi bank­je. Vond ik. En dat liet ik haar weten.

Nog dezelf­de avond ver­tel­de ze me, tus­sen de soep en aard­ap­pels, dat ze het bank­je gekocht had. Op Markt­plaats. We moesten het bank­je zelf opha­len. In Spij­ke­nis­se. Hon­der­der­tig kilo­me­ter heen en ook weer terug. Het eerst­ko­men­de week­end kwam het er niet van en het daar­op vol­gen­de week­end kwam er op het laat­ste moment iets tus­sen. Daar­om was ik het onder­tus­sen zo’n beet­je ver­ge­ten. Maar Inge niet.

Deze och­tend leeg­de ik eerst een vol­le aan­hang­wa­gen met mei­doorn­tak­ken bij de stort­plaats zodat we vol­doen­de ruim­te voor de bank had­den en ver­trok­ken we tegen 11 uur rich­ting het wes­ten. Dank­zij het navi­ga­tie­sys­teem arri­veer­den we zon­der pro­ble­men bij de uiterst vrien­de­lij­ke ver­ko­pers die ons met spijt met­een weer zagen ver­trek­ken aan­ge­zien ze ver­schil­len­de keren aan­dron­gen of we toch niet echt een bak­kie kof­fie wil­den drin­ken. We had­den ech­ter nog meer te doen van­daag.

~ ~ ~

Hagel en natte sneeuw

Toen ik later de bood­schap­pen ging doen kwam de hagel als ste­nen zo hard naar bene­den. De Jum­bo was bin­nen hand­be­reik maar ik bleef toch nog even luis­te­ren naar de radio. Bij de Toren van Bem­mel heb ik op de terug­weg nog een mooi kado voor Inge gekocht die maan­dag jarig is. Een­maal thuis ging de hagel over in nat­te sneeuw.

~ ~ ~

0

Zondag, 7 april 2019

Specht

Ach­ter in de tuin staat een kip­pen­hok zon­der kip­pen. Die zijn vorig jaar afge­slacht door ver­moe­de­lijk een mar­ter of fret. Een­tje wist er te over­le­ven en logeert nu tij­de­lijk bij een bevrien­de tuin­man. Bin­nen­kort gaan we het hok van dich­ter gaas voor­zien zodat het hope­lijk kil­ler­proof wordt. Tot die tijd heb­ben we er net­jes met noten en zaad han­gen voor de klei­ner vogels in onze tuin die er zon­der over­last van eksters, vlaam­se gaai­en en kraai­en op hun gemak kun­nen eten.

Wat we niet gedacht had­den is dat ook de klei­ne bon­te specht zich op de ver­sna­pe­rin­gen zou stor­ten. Net als de mee­s­jes en mus­sen hing hij onder­ste­bo­ven aan een net­je en deed zich goed aan al het lek­kers. Helaas had ik geen goe­de came­ra bij de hand om op gepas­te afstand een dui­de­lij­ke foto te maken. Toen ik pro­beer­de wat dich­ter­bij te komen was de specht met­een gevlo­gen en ging hij weer voort­va­rend boven in de boom ver­der met het klus­je waar we hem alle­maal van ken­nen, gaten hak­ken.

~ ~ ~

1

Maandag, 1 april 2019

Aalscholver

Op ’t eind van de dag die ik zon­der grap­pen en grol­len was door­ge­ko­men riep Inge mij om naar de voor­deur te komen. Er zou een aal­schol­ver aan de over­kant van de straat staan. ‘Tuur­lijk!’, riep ik, en bleef zit­ten waar ik zat met een poes en boek op schoot. Nadat ze me nog een keer­tje geroe­pen had, kwam ik toch maar even kij­ken. De aal­schol­ver stond er inder­daad. In de laat­ste zon­ne­stra­len van de dag een beet­je op te dro­gen. Een mooi gezicht.

~ ~ ~

0

Vrijdag, 29 maart 2019

Wals

Ons gazon was aan de beurt om gewalst te wor­den. Bij de aan­koop van dit huis zijn we een aan­tal jaar gele­den rigoreus te werk gegaan. Alles wat door de vori­ge bewo­ners in de grond was gestopt en ver­der niet meer naar was omge­ke­ken had­den wij eruit laten halen. Vele con­tai­ners vol ver­dwe­nen rich­ting de stort­plaats ofwel in de kachel­hout­op­slag ach­ter in de tuin. Daar­na rol­den we gras­zo­den ach­ter uit en voor zaai­den we han­den­vol gras­zaad. Maar niet nadat de wals de onder­grond zo glad als een bil­jart­la­ken had geë­ga­li­seerd.

Na een jaar kwa­men ze dat opnieuw doen omdat er vanal­les onder het gras zat wat de boel omhoog duw­de. En voor­lo­pig zul­len we dat nog wel elk jaar laten her­ha­len. Dus van­daag was het weer zover. Ter­wijl ik nog bezig was tak­jes en ande­re rom­mel te ver­wij­de­ren die de voor­jaars­wind ijve­rig door de tuin had ver­spreid begon de wals aan zijn plet­werk. Met veel gepug en gehijg rol­de het gevaar­te over het nog niet gemaai­de gras. Tot­dat plots de wals stil­viel en het eni­ge geluid slechts een flauw gesis was. Uit een roos­ter steeg een wolk van stoom op.

Met een gie­ter vol water pro­beer­de de chauf­feur de wals weer tot leven te bren­gen. Tever­geefs.

Er werd een mon­teur gebeld die niet veel later arri­veer­de. Zijn ana­ly­se was kort maar krach­tig: de motor is kaduuk.

En daar stond ie dan, de wals. Ach­ter in de tuin. Weg­sle­pen was geen optie. Omdat wals­wie­len zou­den niet rond­draai­en nu de motor bui­ten wer­king was.

De eni­ge optie was om een sho­vel te laten komen die met hef­truckle­pels de wals kon optil­len en ver­plaat­sen. We had­den alle geluk van de wereld dat de wals zoda­nig stond gepar­keerd dat de sho­vel er rela­tief gezien mak­ke­lijk bij kon. Er hoef­den geen scher­pe boch­ten te wor­den gemaakt, wat met de rups­ban­den (en het gewicht van de wals) desa­streus zou zijn geweest voor het gazon.

Met enke­le rij­pla­ten werd zoveel moge­lijk gepro­beerd ver­de­re scha­de te beper­ken. En het moet gezegd, dat viel inder­daad ach­ter­af erg mee.

Het ach­ter­uit terug rij­den van de sho­vel met nu de wals op de lepels lever­der nog enke­le ang­sti­ge momen­ten op. De wals bun­gel­de bij het keren ver­vaar­lijk boven de vij­vers en in mijn gedach­ten zag ik het gevaar­te er al afdon­de­ren recht het water in. Alles wat daar zwom ver­plet­te­rend onder het dui­zend kilo zwa­re gewicht. Het bleef geluk­kig bij deze gedach­ten. In het echt maneu­vreer­de de chauf­feur vak­kun­dig zon­der iets te raken of te ver­lie­zen tus­sen schuur en vij­vers.

Toen ieder­een ver­trok­ken was ble­ven er slechts twee die­pe spo­ren ach­ter in het gazon als her­in­ne­ring aan dit vreem­de voor­val. Er is beloofd om dit zo snel moge­lijk weg te wal­sen.

~ ~ ~

0

Laat me met rust!

Deze blog­post is deel 32 van 32 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Een­en­der­tig­ste hoofd­stuk:

Over de kos­te­lij­ke gesprek­ken die gevoerd wer­den tus­sen Don Qui­chot en San­cho Pan­za, zijn schild­knaap, en wat er meer volgt

Ter­wijl het gezel­schap nog steeds onder­weg is naar het dichts­bij­zijn­de dorp om Don Qui­chot de hulp te bie­den die hij drin­gend nodig heeft (hoe­wel hij dat zelf zal ont­ken­nen) wil hij nu toch wel eens weten hoe het gesprek is gegaan tus­sen zijn knecht San­cho en zijn aan­be­den Dul­ci­nea. Het brengt San­cho in een moei­lij­ke situ­a­tie gezien hij de vrouw nog nooit eer­der heeft ont­moet, laat staan dat hij de brief van Don Qui­chot aan haar heeft weten te over­han­di­gen van­we­ge de toe­val­li­ge ont­moe­ting met de pas­toor en de bar­bier bij de her­berg.

Het lukt San­cho ech­ter om met veel fan­ta­sie zijn mees­ter te doen gelo­ven dat hij wel dege­lijk in het zeer kor­te tijds­be­stek op en neer is geweest om te ver­tel­len hoe het met haar aan­bid­der gesteld is. Wat hier­bij zeker hielp is dat Don Qui­chot waar nodig zelf de opval­len­de hia­ten in de leu­gens van San­cho wist op te vul­len met cre­a­tie­ve bedenk­sels om zo een slui­tend ver­haal tot stand te bren­gen. Want ook nu prikt zijn scher­pe geest met­een door de bedenk­sels van San­cho en de onmo­ge­lijk­heid om haar te heb­ben bezocht in slechts drie dagen.

Zodoen­de, bes­te San­cho, valt het mij ook in het geheel niet moei­lijk te gelo­ven dat je in zo kor­te tijd van­hier naar El Tobo­so en terug bent geweest; want, zoals ik al gezegd heb, een bevrien­de tove­naar zal je wel door de lucht heb­ben laten vlie­gen, zon­der dat jij er van wist. [p.232]

Ver­vol­gens gaat het gesprek over de belof­te die Don Qui­chot gedaan heeft om Doro­tea aka prin­ses Mico­mi­co­na te hel­pen haar konink­rijk terug te ver­o­ve­ren tegen­over het ver­lan­gen om zijn gelief­de Dul­ci­nea op te zoe­ken. San­cho ziet niets lie­ver dan dat de held­haf­ti­ge rid­der de strijd met de reus aan­gaat en na zijn roem­rij­ke over­win­ning in het huwe­lijk zal tre­den met de prin­ses. Op die manier denkt hij voor zich­zelf een hoop rijk­dom en aan­zien vei­lig te stel­len als belo­ning voor zijn bij­dra­ge in de strijd als schild­knaap. Don Qui­chot wil ech­ter nog steeds niets weten van een trouw­par­tij aan­ge­zien voor hem er maar één vrouw is waar hij zijn hart aan heeft ver­pand en dat is Dul­ci­nea.

Het gesprek wordt onder­bro­ken door de komst van een nieu­we rei­zi­ger die ze bij toe­val ont­moe­ten tij­dens een rust­pau­ze bij een bron waar ze hun dorst kun­nen les­sen. Het blijkt de jon­gen te zijn die Don Qui­chot een hele tijd gele­den hulp had gebo­den toen hij afge­ran­seld werd door de boer waar hij in dienst was alleen maar omdat hij om zijn loon had gevraagd. Het is de per­fec­te aan­lei­ding voor onze nobe­le rid­der om uit­ge­breid stil te staan bij zijn rol en van zijns gelij­ken ‘die het onrecht recht­ma­ken en de onrecht­vaar­dig­heid wre­ken wel­ke de geweld­da­di­gen en ver­dor­ven die er op leven er in uit­rich­ten’.

Helaas voor Don Qui­chot denkt de jon­ge­man hier toch heel anders over. Niet lang nadat zijn red­der was ver­trok­ken had de boer hem opnieuw vast­ge­bon­den en was ver­der gegaan met de afran­se­ling zon­der zich te hou­den aan de belof­te gedaan rich­ting Don Qui­chot om geza­men­lijk huis­waarts te keren en de boe­ren­knecht het geld te over­han­di­gen dat hem rech­te­lijk toe­kwam voor geda­ne dien­sten. En dat was alle­maal de schuld van­we­ge de ingreep door Don Qui­chot die dit ech­ter niet met hem eens is, hoog­uit dat hij de fout had gemaakt om weg te rij­den.

Ik had dat niet moe­ten doen aleer hij je betaald had; ik had met mijn jaren­lan­ge erva­ring moe­ten weten dat geen dor­per zijn gege­ven woord gestand doet als hij ziet dat zijn voor­deel elders ligt. [p.234]

Dit zeg­gen­de her­in­nert hij zich ook dat hij de jon­gen gezwo­ren had de boer ach­ter­na te gaan tot in alle uit­hoe­ken van de wereld indien hij niet zou beta­len en dat is wat hij nu van plan is te gaan doen. Het is Doro­tea die hem doet wij­zen op zijn gelof­te haar toch aller­eerst te hel­pen voor­dat hij zich weer in ande­re avon­tu­ren kan stor­ten. Schoor­voe­tend geeft Don Qui­chot haar gelijk en laat de jon­gen weten dat hij nog wat geduld moet heb­ben. Met slechts wat brood en kaas als tij­de­lij­ke com­pen­sa­tie ziet die ech­ter wel in dat hij niet veel te ver­wach­ten heeft van Don Qui­chot of de rest van het gezel­schap en maakt zich daar­om snel uit de voe­ten met een laat­ste ver­wen­sing aan het adres van de hulp­vaar­di­ge rid­der om van zijn levens­da­gen nooit meer tegen te komen. En mocht dat onver­hoopt toch gebeu­ren,

ver­leent u mij dan als het u belieft geen hulp of bij­stand, al ziet u dat ik in stuk­ken gehakt word: laat u mij maar rus­tig in mijn onge­luk, want het kan nooit zo groot wezen of U Eds. hulp maakt het nog erger; en God straf­fe U Ed. en alle dolen­de rid­ders ter wereld. [p.234]

En weg is hij, Don Qui­chot beschaamd ach­ter­la­tend.

~ ~ ~

0

I like big books…

De bood­schap­pen waren gedaan. Ik zat in de auto en pro­beer­de te beden­ken wat ik alle­maal ver­ge­ten kon zijn. Voor­lo­pig niets. Net voor­dat ik wil­de weg­rij­den schoot me toch iets te bin­nen. Het was boe­ken­week.

Eer­der deze week had Inge gevraagd wel­ke boe­ken ik op mijn lijst­je had staan mocht ze in de gele­gen­heid zijn ergens iets te kopen zodat ik in ieder geval het boe­ken­week­ge­schenk aan mijn ver­za­me­ling kon toe­voe­gen. Mijn ant­woord dat ze geen moei­te hoef­de te doen dit jaar deed haar opkij­ken. Ik voer­de ver­schil­len­de rede­nen op. Ten eer­ste was ik een beet­je klaar met het ver­za­me­len om het ver­za­me­len. Ten twee­de had ik me voor­ge­no­men om de komen­de tijd wat min­der boe­ken te kopen en wat meer uit mijn eigen ver­za­me­ling te lezen. En dat beviel me tot nu toe erg goed.

Maar mis­schien wel de belang­rijk­ste reden was dat ik niet zo kapot was van de keus op Jan Sie­be­link om het geschenk te schrij­ven. Ik had ooit wat van hem gele­zen en het had geen gro­te indruk op me ach­ter gela­ten. Dus laat maar, zo zei ik tegen Inge.

En nu zat ik dan in de auto op zo’n hon­derd meter ver­wij­derd van de plaat­se­lij­ke boek­han­del ter­wijl het boe­ken­week was. Ik besloot toch een kijk­je te gaan nemen.

Bin­nen zag ik als eer­ste het nieu­we boek van Peter Buwal­da, Otmars zonen lig­gen. In NRC had ik er onlangs een hoop goeds over gele­zen. Ook dat het een eer­ste deel zou zijn van een tri­lo­gie. Er werd zelfs een posi­tie­ve link naar het werk van A.F.Th. van der Heij­den gelegd. Naast Otmars zonen lag Boni­ta Ave­nue, het debuut van Buwal­da. In het­zelf­de arti­kel in NRC had ik ook gele­zen dat een per­so­na­ge uit Boni­ta Ave­nue terug­kwam in Otmars zonen. Dus.

Niet veel later kwam ik met de bood­schap­pen èn een tas­je van de boek­han­del thuis. Laat maar, zo zei ik tegen Inge toen ze een ver­baas­de blik op het sta­pel­tje boe­ken wierp.

~ ~ ~

0