Helemaal niets

Soms ver­dwijnt de tijd waar je bij staat. Ik werd ziek (griep­je) op woens­dag ruim een week gele­den en bracht de don­der­dag, vrij­dag en zater­dag in bed door. Op zon­dag zat ik de mees­te tijd half ver­suft op de bank, net te doen als­of ik her­steld was ter­wijl dat dui­de­lijk nog niet het geval was. De maan­dag bleef ik zeker­heids­hal­ve thuis maar log­de wel in op mijn lap­top om wat emails te lezen en soms te beant­woor­den. Aan het eind van de dag at ik een hap­je en kroop op tijd onder de wol.

Natuur­lijk kon ik het niet laten om op dins­dag weer naar kan­toor te gaan. Ik hield het vol tot vier uur. Een­maal thuis had ik al mijn ener­gie ver­bruikt. Er zat niets anders op dan opnieuw tij­dig mijn bed op te zoe­ken. Die­zelf­de nacht werd ik wak­ker. Ik voel­de me beroerd. Had hoofd­pijn en wat tem­pe­ra­tuur­ver­ho­ging. Toch ging ik de vol­gen­de och­tend naar kan­toor. De para­ce­ta­mol had z’n werk gedaan.

Zo ging het ook de rest van de week. Hoe­wel ik afge­lo­pen nacht ein­de­lijk geen koorts meer had. Ook over­dag hield ik het iets lan­ger vol. Maar nu, het is tien uur, begin ik weer aar­dig ver­moeid te raken. We zijn ander­hal­ve week ver­der en het eni­ge wat ik heb gedaan is in bed (of soms op de bank) gele­gen en op kan­toor geze­ten. Voor de rest heb ik hele­maal niets gedaan, anders dan de momen­ten dat ik op de bank hing een beet­je naar de tele­vi­sie gestaard. Maar ver­der echt hele­maal niets.

Ik hoop dat het van­af mor­gen wat beter gaat.

~ ~ ~

 

Een onverwachts ja-woord

Deze blog­post is deel 28 van 28 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Zeven­en­twin­tig­ste hoofd­stuk:

Hoe de pas­toor en de bar­bier hun zin door­dre­ven, en ande­re gebeur­te­nis­sen waar­dig in deze scho­ne his­to­rie ver­haald te wor­den

Ergens hal­ver­we­ge het onder­ha­vi­ge hoofd­stuk valt het ver­haal even stil voor een onder­bre­king door de ver­tel­ler van dienst die voor hij ver­der gaat wil weten of hij niet al te uit­voe­rig zijn lij­dens­weg uit de doe­ken doet:

Ik hoop, mij­ne heren, dat ik u niet ver­moei met deze uit­wei­din­gen; mijn ver­driet is niet van dien aard dat ik het in een paar woor­den ter­loops zou kun­nen of wil­len ver­ha­len; iede­re klei­nig­heid lijkt mij een lan­ge rede waard.
[p.199]

Ondanks de tegen­wer­pin­gen van de toe­hoor­ders ‘dat de bij­zon­der­he­den die hij ver­tel­de hun zeer behaag­den, omdat ze zo belang­wek­kend waren dat ze niet ver­dien­den stil­zwij­gend te wor­den voor­bij­ge­gaan en even­zeer de aan­dacht waard waren als de kern van het ver­haal’, ga ik als­nog een poging wagen in enke­le woor­den te schet­sen wat Car­de­nio, want hij is het die zo omstan­dig zijn ver­haal doet, is over­ko­men.

Maar eerst even terug naar de pas­toor en de bar­bier die San­cho bij toe­val heeft ont­moet bij de Jonas-her­berg en die hem weten te over­tui­gen dat het beter is niet ver­der te rei­zen naar de scho­ne Dul­ci­nea (de woor­den van Don Qui­chot) maar terug te keren naar het deso­la­te geberg­te waar hij zijn mees­ter heeft ach­ter­ge­la­ten in stij­gen­de waan­zin. Zij heb­ben name­lijk een list. De pas­toor zal als jonk­vrouw ver­momd op het gemoed van Don Qui­chot inpra­ten en hope­lijk zoda­nig zijn rid­der­lij­ke eer weten te raken dat hij bereid is met ‘haar’ mee te gaan naar de stad. Aldaar den­ken zij hem de gewens­te hulp te kun­nen bie­den.

Na wat gesteg­gel onder­weg over wie als wie ver­kleed zal gaan (de pas­toor krijgt twij­fels of hij als gods­dien­stig per­soon wel de juis­te keu­ze heeft gemaakt om als vrouw te gaan) berei­ken ze na een dag rei­zen de plek die San­cho gemar­keerd heeft waar hij Don Qui­chot terug kan vin­den. Opnieuw beslui­ten ze tot een klei­ne aan­pas­sing van hun plan van aan­pak. Het lijkt hun beter dat San­cho aller­eerst voor­uit zal rij­den om Don Qui­chot te ver­tel­len dat zijn Dul­ci­nea die wel­is­waar schoon en aan­bid­de­lijk is (zijn woor­den) het lezen en schrij­ven niet mach­tig is, en dat zij hem daar­om ‘op straf­fe van in onge­na­de te val­len, beval op staan­de voet voor haar te ver­schij­nen’. Dat zou mis­schien al vol­doen­de zijn voor hem om het geberg­te te ver­la­ten zon­der dat het tot een ver­kleed­par­tij hoeft te komen.

In afwach­ting zoe­ken de pas­toor en de bar­bier een ver­koe­lend plek­je in de scha­duw op omdat het ook in die tijd al ver­schrik­ke­lijk heet kon zijn in augus­tus. Nog voor­dat zij goed en wel geze­ten zijn horen ze de klan­ken van een instru­ment dat een tries­ti­ge melo­die speelt. Niet veel later gevolgd door min­stens even droef­gees­tig gezang. Als zij op zoek gaan naar wie daar zo mooi zingt, vin­den zij een jon­ge­man waar­in de pas­toor onmid­del­lijk Car­de­nio her­kent, daar San­cho al veel over hem heeft ver­teld tij­dens hun tocht terug naar de Sier­ra More­na. Car­de­nio, die zich wel­is­waar ver­won­der­de over het feit dat deze toe­val­li­ge voor­bij­gan­gers zoveel wis­ten over zijn lot laat zich des­on­danks over­ha­len zijn ver­haal ver­der te ver­tel­len daar waar Don Qui­chot het enke­le hoofd­stuk­ken gele­den zo abrupt onder­brak en dat ik nu zoals beloofd ga pogen in het kort te beschrij­ven.

Het is de val­se Don Fer­nan­do die Car­de­nio beloofd te zul­len hel­pen door te vra­gen of de vader van Car­de­nio gene­gen is tege­moet te komen aan de wens van de vader van Luscin­da. Hij wil name­lijk niet dat Car­de­nio zelf om de hand van zijn doch­ter vraagt, maar dat zijn vader dat komt doen. Don Fer­nan­do stelt voor dat het beter is voor Car­de­nio om even­tjes de stad uit is en geld op te halen voor een aan­koop die Don Fer­nan­do van plan is en die de vader van Car­de­nio gun­stig kan stem­men. Een goed ver­staan­der begrijpt al waar dit naar­toe gaat. Enke­le dagen later ont­vangt Car­de­nio een brief van Luscin­da die zij iemand hei­me­lijk heeft weten te over­han­di­gen dat Don Fer­nan­do inmid­dels zelf om haar hand heeft gevraagd en dat hij niet alleen toe­stem­ming had gekre­gen om met haar in het huwe­lijk te tre­den, maar dat dat ook op zeer kor­te ter­mijn en in beslo­ten kring zou plaats­vin­den.

Car­de­nio reist als een speer terug en treft zijn gelief­de Luscin­dan aan op het bal­kon van haar ouder­lijk huis net voor­af aan de huwe­lijks­vol­trek­king. Zij deelt hem mee dat zij een dolk onder haar jurk ver­bor­gen houdt die zij niet zal aar­ze­len te gebrui­ken wan­neer de omstan­dig­he­den haar daar­toe dwin­gen door een ein­de aan haar leven te maken ‘en u bewij­zen hoe ik u van den begin­nen heb lief­ge­had en nog steeds lief heb’. Hier­na wordt zij naar bin­nen geroe­pen. Car­de­nio weet hei­me­lijk bin­nen te gera­ken en van­ach­ter de wand­ta­pij­ten in de gro­te zaal krijgt hij mee hoe de cere­mo­nie vol­trok­ken wordt zon­der dat hij zich laat zien of van zich laat horen.

Dan is het zover dat het ja-woord gege­ven dient te wor­den.

De pas­toor stond dan te wach­ten op het ant­woord van Luscin­da, die lang schroom­de het te geven, en juist toen ik dacht dat zij de dolk te voor­schijn zou halen om haar woord gestand te doen, of haar mond zou ope­nen om de waar­heid te spre­ken en het gezel­schap uit de droom te hel­pen zó dat het te mij­nen voor­de­le uit­viel, hoor­de ik dat zij met zwak­ke stem zei­de: ‘Ja, ik wil’, en Don Fer­nan­do zei­de het­zelf­de.
[p.199]

Hier­na viel ze in kat­zwijm. En Car­de­nio? Hij is vol­ko­men van slag door deze onver­wach­te wen­ding die hij niet zag aan­ko­men. Woe­de en lief­des­ver­driet over­heer­sen zon­der dat hij weet wat te doen. En zon­der op te mer­ken dat Don Fer­nan­do een brief ont­dekt die Luscin­da heeft laten val­len. Nadat hij die gele­zen heeft zakt hij neer in een stoel en blijft voor zich uit sta­ren. Car­de­nio ver­laat het toneel en vindt zich­zelf dagen later terug in het geberg­te waar hij geteis­terd wordt door terug­ke­ren­de vla­gen van waan­zin niets anders weet te doen dan te wach­ten op zijn ein­de onder­wijl zijn eens zo aan­be­den Luscin­da te ver­vloe­ken voor het ver­raad hem aan­ge­daan.

~ ~ ~

Rondje aarzelend begin

Deze blog­post is deel 3 van 3 in de serie Free­dom Trail 14/9/2019

Toen de klein­kin­de­ren opge­haald waren door hun vader mocht ik het dak op. We had­den het ver­moe­den dat de goot ver­stopt zat met bla­de­ren omdat gere­geld bij hevi­ge regen­val het water over de dak­rand naar bene­den gutst in plaats van via de daar­voor bestem­de afvoer­pijp te ver­dwij­nen. Wat schetst mijn ver­ba­zing dat het voor­al wal­no­ten waren die voor een opstop­ping zorg­den. De lege hul­zen wel­te­ver­staan.

Gere­geld zien we van­uit de tuin eksters en vlaam­se gaai­en met een noot in hun bek weg­vlie­gen. Nu weten we dat ze in veel geval­len hun toe­vlucht zoe­ken op ons dak en daar de lek­ker­nij oppeu­ze­len. Het ver­klaart tevens het druk­ke getrip­pel dat we vaak hoor­den. Soms leek het als­of de zol­der ver­ge­ven was van mui­zen, maar omdat we aan de ene kant van ons huis geen zol­der heb­ben leek dat ver­ge­zocht. We wis­ten dus dat het vogels waren, en we weten nu ook wat ze daar zoal uit­spo­ken.

Nadat ik het klus­je geklaard had om de dak­goot wal­noot- en bla­der­vrij te maken kon ik dan ein­de­lijk mijn hard­loop­kle­ren voor de dag halen en sinds tij­den (4 febru­a­ri dus) weer eens te gaan lopen. De lucht begon lang­zaam dicht te trek­ken met zwar­te wol­ken en zo nu en dan viel er al een drup regen, maar het was voor­al de storm­ach­ti­ge wind die me slechts moei­zaam voor­uit deed komen. Omdat mijn benen ook nog eens rede­lijk ver­moeid waren door in gehurk­te hou­ding een uur­tje over het dak te heb­ben gekro­pen hield ik het al snel voor gezien. Mijn idee om 10 kilo­me­ter te gaan ren­nen moest ik opschor­ten. In ieder geval ben ik weer begon­nen. Deze keer voor de ‘echt’.

~ ~ ~

Wat: Air­bor­ne Free­dom Trail
Wan­neer: 14 sep­tem­ber 2019
Afstand: 28 kilo­me­ter

~ ~ ~

Waar ben ik (niet) aan begonnen?

Deze blog­post is deel 2 van 3 in de serie Free­dom Trail 14/9/2019

Er is een klei­ne week voor­bij­ge­gaan en ik heb nul kom­ma nul actie onder­no­men ondanks mijn veel­be­lo­ven­de uit­spraak van afge­lo­pen maan­dag:

“Dat wordt dus de komen­de zeven maan­den flink trai­nen.”

Nu is één week op zeven maan­den natuur­lijk nog te over­zien. Het geeft ech­ter wel aan dat ik nog niet hele­maal de reik­wijd­te goed inschat van de beslis­sing die ik (laat ik maar heel eer­lijk zijn) rede­lijk impul­sief heb geno­men. Ja, ik had me echt ver­gist en dacht zeker de eer­ste minu­ten dat ik me aan het inschrij­ven was voor de ‘nor­ma­le’ Brid­ge to Brid­ge. Maar toen ik een­maal door­had dat het hier om de Air­bor­ne Free­dom Trail ging had ik gewoon kun­nen stop­pen met het ver­strek­ken van de ver­plich­te per­soons­ge­ge­vens. Mijn ego werd ech­ter geprik­keld. En door het bekij­ken van het film­pje met een sfeer­im­pres­sie van de vori­ge edi­tie werd ik nog ver­der geprik­keld om deze uit­da­ging aan te gaan. In mijn dag­dro­men kan ik name­lijk bij­zon­de­re din­gen die in het nor­ma­le leven helaas niet altijd voor mij zijn weg­ge­legd. Dat wil ik op zo’n moment nog wel eens ver­ge­ten.

Ik zal dus aan de bak moe­ten wil ik de 28 kilo­me­ter uber­haupt uit weten te lopen, laat staan dat ik dat in een aan­vaard­ba­re tijd zal weten te doen. Van­af nu ga ik seri­eus aan mijn voor­be­rei­ding begin­nen. De komen­de dagen ga ik op zoek naar een rea­lis­ti­sche aan­pak zet zoals ik dat enke­le jaren gele­den heb gedaan toen ik het plots in mijn hoofd had gehaald een hal­ve mara­thon te gaan lopen. Uit­ein­de­lijk is me dat ook gelukt, en daar­om heb ik er voor­lo­pig het vol­ste ver­trou­wen in dat het met die Free­dom Trail wel goed komt. Mits ik dit week­end laat zien door gaan te hard­lo­pen dat het me menens is.

~ ~ ~

Het voor­gaan­de schreef ik in de och­tend. Daar­na ging ik bood­schap­pen doen. Bij thuis­komst nam ik mijn to-do lijst­je door om te zien wat een gun­sti­ge volg­or­de zou zijn met daar­in tevens tijd opge­no­men voor een rond­je ren­nen. Ik was daar bij­na uit toen ik van mijn Inge kreeg te horen dat ik de klein­kin­de­ren rond twee uur kon gaan opha­len. Ze zou­den bij ons komen loge­ren. Natuur­lijk was ik dat hele­maal niet ver­ge­ten! Het rond­je ren­nen kon ik helaas wel ver­ge­ten voor van­daag. Dan mor­gen­mid­dag maar.

~ ~ ~

Wat: Air­bor­ne Free­dom Trail
Wan­neer: 14 sep­tem­ber 2019
Afstand: 28 kilo­me­ter

~ ~ ~

Nepstagiair?

Deze week is er nieu­we sta­gi­air gestart bij mij op de afde­ling. Maan­dag­och­tend stond hij al om 7.30 uur bij de ingang te wach­ten. Hij kan mee­rij­den met z’n vader die in de buurt werkt. Dat scheelt een hoop gedoe want anders zou hij met de bus moe­ten rei­zen, maar bete­kent wel dat hij iede­re dag vroeg uit bed moet.

Omdat er door Per­so­neels­za­ken nog geen intro­duc­tie­pro­gram­ma was gere­geld heb ik zeker het begin van de week een hoop tijd met hem door­ge­bracht. Dat is ver­der geen straf, wel blijft al het ande­re werk dan nood­ge­dwon­gen lig­gen. Van­af woens­dag kon hij zelf­stan­dig enke­le taken oppak­ken en wat uit­zoek­werk ver­rich­ten. Dat ging hem goed af. Voor van­daag stond er een eer­ste voort­gangs­ge­sprek gepland.

’s Och­tends kreeg ik een mail­tje dat er later op de dag een inge­las­te con­fe­ren­ce call zou zijn over RPA (robo­tic pro­cess auto­ma­ti­on), een onder­werp waar we de sta­gi­air aan wil­len laten wer­ken. Laat nu die afspraak pre­cies samen­val­len met het voort­gangs­ge­sprek. In plaats het gesprek met de sta­gi­air door te schui­ven besloot ik om de twee te com­bi­ne­ren. Tij­dens de con­fe­ren­ce call kon ik hem wat bij­pra­ten over wat de ach­ter­grond was en hoe het zou pas­sen in zijn sta­ge­op­dracht. Tege­lijk kon ik hem met­een intro­du­ce­ren zodat hij alvast een begin kon maken met het vor­men van een net­werk. Hij vond het ook een goed idee.

Toen de call een­maal van start was gege­aan en ik hem van een afstand­je zat te obser­ve­ren hoe hij de juis­te vra­gen stel­de en van een aan­tal zaken al meer op de hoog­te was dan enke­le deel­ne­mers, moest ik onwil­le­keu­rig den­ken aan de ophef die een eind­je ver­der­op het nieuws had gehaald. In de auto onder­weg naar kan­toor had ik op de radio vol ver­ba­zing geluis­terd naar de ont­dek­king van nepleer­lin­gen op een school in Veen­en­daal. Ze lie­pen daar al een hele tijd rond zon­der dat docen­ten en mede­leer­lin­gen wis­ten dat het hier acteurs betrof die inge­huurd waren door dezelf­de tv-ploeg van RTL5 dat bezig was een docu­men­tai­re te maken over het alle­daag­se school­le­ven.

Hoe meer ik hoor­de, hoe meer mijn ver­ont­waar­di­ging toe­nam. Wat een idi­o­te inschat­tings­fout van de school­lei­ding die wel op de hoog­te was en tot aan de ont­hul­ling toe het idee had goed bezig te zijn. Waar­om had nie­mand aan de bel getrok­ken om te mel­den dat deze aan­pak (die onver­mij­de­lijk ooit aan het licht zou komen) totaal onder­mij­nend zou zijn voor het ver­trou­wen dat docen­ten en leer­lin­gen onvoor­waar­de­lijk horen te krij­gen? En dat staat hele­maal los van het gege­ven dat door acteurs op school te laten rond­lo­pen je als pro­gram­ma­ma­ker geen enke­le pre­ten­tie kunt heb­ben een waar­heids­ge­trouw beeld te geven van hoe het er aan toe gaat op een dood­ge­wo­ne mid­del­ba­re school.

Ik moest daar aan den­ken en keek onder­tus­sen naar de sta­gi­air die daar zo uit­mun­tend zijn best deed en de juis­te vra­gen stel­de. Als­of hij dit al jaren deed. Het onder­werp geheel beheerste. Met cre­a­tie­ve inzich­ten kwam.

Zou hij mis­schien…?

~ ~ ~

Acht! Entwintig!

Deze blog­post is deel 1 van 3 in de serie Free­dom Trail 14/9/2019

Vrij­dag­avond zag ik in een mail dat de inschrij­ving voor een nieu­we edi­tie van Brid­ge to Brid­ge was geo­pend. Zon­der er bij na te den­ken klik­te ik op de link en begon mijn per­soons­ge­ge­vens in te vul­len. Als laat­ste (hoe­wel het eigen­lijk de eer­ste optie was waar­uit ik moest kie­zen maar ik had er over­heen gele­zen) de afstand die ik wil­de gaan afleg­gen. Net als in voor­gaan­de jaren zou dat weer de 10 EM (Engel­se Mijl) gaan wor­den. Onge­veer gelijk aan 16 kilo­me­ter.

Die afstand zat er niet bij. Ik kon alleen kie­zen tus­sen 28 of 44 kilo­me­ter.

Had ik iets ver­keerd gedaan? Toch maar even de mail erbij gehaald. Wat bleek, het was wel­is­waar een inschrij­ving voor de Brid­ge to Brid­ge, maar niet voor de run op zon­dag door de stad en over de brug­gen. Dit betrof de trail­run die op de zater­dag gepland staat en pas sinds kort gehou­den wordt. De 44 kilo­me­ter start op de Gin­kel­se Hei­de en volgt de rou­te die de 1st Bri­tish Air­bor­ne Divi­si­on heeft afge­legd rich­ting het cen­trum van Arn­hem. Tij­dens deze tocht zijn velen van hen gesneu­veld. De 28 en de 18 kilo­me­ter start op Papen­pal en ein­digt op dezelf­de plek als de 44 kilo­me­ter, bij de John Frost brug.

De limiet voor de inschrij­ving van de 18 kilo­me­ter was al na één dag bereikt, zodat ik nu alleen nog kon kie­zen tus­sen 28 of 44 kilo­me­ter. Als ik ten­min­ste een trail­run wil­de lopen in plaats van de tra­di­ti­o­ne­le run op zon­dag. Uit­ein­de­lijk besloot ik voor de trail­run te gaan omdat die veel min­der groot­scha­lig is opge­zet ver­ge­le­ken met de run door de stad. Vorig jaar had ik weder­om erva­ren hoe ik uit m’n rit­me raak wan­neer je met een te gro­te menig­te over te smal­le paad­jes rent. Laat ik het dit jaar maar eens over een ande­re boeg gooi­en.

Natuur­lijk heb ik niet voor de 44 kilo­me­ter geko­zen. Die slij­ta­ge­slag wil ik mezelf niet aan­doen. Maar ook de 28 kilo­me­ter is een afstand die ik nog nooit eer­der hard­ge­lo­pen heb. Dat wordt dus de komen­de zeven maan­den flink trai­nen. Voor­lo­pig zie ik het als een mooie uit­da­ging en zeker als iets wat haal­baar is. Laat ik over een maand opnieuw bij mezelf te rade gaan of ik dan nog steeds dezelf­de mening ben toe­ge­daan.

~ ~ ~

Voor meer info bezoek de site van Air­bor­ne Free­dom Trail.

~ ~ ~

Weet, hier weende Don Quichote

Deze blog­post is deel 27 van 28 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Zes­en­twin­tig­ste hoofd­stuk:

Waar­in men meer ver­neemt van de aar­dig­he­den die Don Qui­chot uit ver­liefd­heid in de Sier­ra More­na ver­toon­de

Gedich­ten­dag is hét poë­zie­feest van Neder­land en Vlaan­de­ren. Ieder jaar op de laat­ste don­der­dag van janu­a­ri, staat de poë­zie een dag lang in het zon­ne­tje. Poë­zie­lief­heb­bers in Neder­land en Vlaan­de­ren orga­ni­se­ren die dag een gro­te diver­si­teit aan eigen poë­zie­ac­ti­vi­tei­ten. Met Gedich­ten­dag gaat tra­di­tie­ge­trouw de Poë­zie­week van start.”
Bron: Wereld Fees­ten Alma­nak

Aan­ge­zien het afge­lo­pen don­der­dag Gedich­ten­dag was en tevens de start van de Poë­zie­week, leek het me wel een aar­dig idee een stro­fe te delen uit één van de wei­ni­ge gedich­ten geschre­ven door Don Qui­chot die behou­den zijn geble­ven voor het nage­slacht:

Bomen, bloe­men, krui­den, bla­den
Gij die groeit in dit gebied,
Zo hoog, groen en rijk bela­den,
Spot gij niet met mijn ver­driet,
Ziet dan hoe ‘k in smart moet baden.
Weest niet om mijn leed ver­dro­ten,
Ook al meer­dert zich mijn wee,
Boete’s traan moet zijn ver­go­ten,
Weet, hier ween­de Don Qui­cho­te
Ver­re van zijn Dul­ci­nee
Van Tobo­so.

Het gedicht is geschre­ven ten tij­de van de boe­te­doe­ning door Don Qui­chot in het geberg­te van de Sier­ra More­na waar­over al ver­haald werd in het vori­ge hoofd­stuk. Nu San­cho op weg is om van vrou­we Dul­ci­nea van El Tobo­so in per­soon te horen dat zij Don Qui­chot in geen enkel opzicht heeft bedro­gen wordt onze ver­twij­fel­de rid­der zelf ver­der ver­scheurd door het dilem­ma of hij in navol­ging van zijn idool Roe­land de tijd in razer­nij dient door te bren­gen of toch eer­der in zwaar­moe­di­ge waan­zin zoals zijn ande­re held Ama­dis.

Nadat Don Qui­chot een ver­ge­lij­kend vreemd­gaan­de­vrou­wen­on­der­zoek heeft uit­ge­voerd is zijn slot­som dat de geschie­de­nis van Ama­dis meer over­een­kom­sten ver­toond met die van hem en Dul­ci­nea. Zwaar­moe­di­ge waan­zin, it is. En hij ziet voor zich­zelf al een mooie graf­schrift opdoe­men nu hij vast­be­slo­ten is in de voet­spo­ren van deze beroem­de Ada­mis te tre­den:

[…] hij zij het die naar zijn bes­te ver­mo­gen wor­de nage­volgd door Don Qui­chot van de Man­cha, van wien gezegd zal wor­den wat ook van een ander gezegd is: alhoe­wel hij geen gro­te din­gen vol­bracht, hij stierf door­dat hij ze onder­nam
[p.188]

Aldus ver­vaar­dig­de hij zich een rozen­krans uit een reep stof van zijn kle­ding en begon ver­woed aan een groot aan­tal wees­ge­groet­jes en niet lang daar­na ook met het schrij­ven van vele ver­zen in de mul­le grond om zijn smart een uit­laat­klep te geven. Waar­van boven­ver­mel­de stro­fe er een­tje is die de tand des tijds (je vraagt je af hoe) heeft over­won­nen.

Uiter­ma­te komisch is hoe Cer­van­tes niet alleen ver­meld dat deze stro­fe onge­schon­den terug­ge­von­den is maar dat hij ook ingaat op de toe­voe­ging ‘Van Tobo­so’ die voor hila­ri­teit zorg­de bij die­ge­nen die later zo geluk­kig waren dit gedicht te ont­dek­ken,

want zij begre­pen dat Don Qui­chot zich gedacht moest heb­ben dat het vers onbe­grij­pe­lijk werd als hij Dulcinea’s naam noem­de en er niet van Tobo­so bij­zet­te; en zo was het ook, naar hij later beken­de.
[p.188]

San­cho onder­tus­sen is na een dag rei­zen uit­ge­ko­men bij de her­berg waar hij niet zo heel lang gele­den de ver­ne­de­ren­de erva­ring van het Jonas­sen heeft onder­gaan. Voor hem een reden de her­berg toch maar links te laten lig­gen ondanks het late uur en zijn lege maag. Wat treft zijn ver­ba­zing als juist op dat moment twee beken­den uit het dorp van Don Qui­chot de her­berg ver­la­ten. Het zijn de pas­toor en de bar­bier die een zoek­tocht gestart zijn naar het ver­dwe­nen duo.

Al snel wordt het hun dui­de­lijk dat de knecht van de dwa­ze rid­der al net zo geschift is als zijn baas, wat hen doet afvra­gen ‘hoe groot de krank­zin­nig­heid van Don Qui­chot wel moest wezen, dat zij zelfs de her­se­nen van die arme drom­mel had aan­ge­sto­ken’. Uit het onsa­men­han­gend ver­haal van San­cho, die aan­van­ke­lijk moei­te heeft de twee te over­tui­gen aan­ge­zien hij het aan­te­ken­boek­je kwijt­ge­raakt is, wordt voor de pas­toor en de bar­bier dui­de­lijk dat zij een list moe­ten zien te ver­zin­nen om Don Qui­chot uit zijn zelf­ver­ko­zen iso­le­ment te lok­ken.

Dat zij ervoor kie­zen om zich­zelf te ver­mom­men als een dolen­de maagd (de pas­toor) en schild­knaap (de bar­bier) geeft ech­ter te den­ken in hoe­ver­re de krank­zin­nig­heid van Don Qui­chot via San­cho al vat op hen heeft gekre­gen. Het bete­kent in ieder geval weer vol­op lees­ple­zier in de vol­gen­de hoofd­stuk­ken.

~ ~ ~