You can leave your roodkapje on

Waar is dit voor?
Fan­tasier­ijk?
Nooit van geho­ord, maar dat doet er niet toe. Ik ben blij dat er eens iemand de moeite neemt om mijn, nee, beter, de enige echte ver­sie op te teke­nen.

Laat ik maar meteen toegeven dat ik wel die oma van Rood­kap­je heb opgegeten.
Het waren barre tij­den en ik had al een heel tijd­je niets fat­soen­lijks gegeten. En tij­dens een van m’n stroop­tocht­en zag ik haar deur open staan. Dus ik naar bin­nen, en voor­dat ze het door had was ze al ver­slon­den. Als je eens wist hoe mager dat oude mens was zul je begri­jpen dat ik echt wan­hopig was. Het was meer been dan vel.
Lig ik lekker even uit te buiken, wordt er plot­sel­ing aan de deur gek­lopt.

Rood­kap­je natu­urlijk. Ik bedenk me geen moment en duik in bed en begin een beet­je te kre­unen zoals oude vrouwt­jes dat doen. Dat wicht komt bin­nen en begint daar een par­tij wazig tegen mij te prat­en. Over m’n grote oren, over m’n grote mond. Vol­gens mij had ze onder­weg teveel van de ver­keerde pad­destoe­len gegeten. Dus ik mom­pel een beet­je terug in de hoop dat ze niet door heeft dat ik het ben, maar het Stoned­kap­je ratelt maar door over m’n grote han­den en m’n grote voeten.

Tot­dat ze de dekens wegtrekt en met haar kleine hand­jes plot­sklaps in m’n kruis gri­jpt en uitroept dat ik toch zo’n grote, euh ja, jew­eet­wel, heb. Voor­dat ik het door heb heeft ze niets anders meer aan dan haar naam en klimt boven op mij. Ik lig ver­sti­jfd van schrik haar alsnog met grote ogen aan te kijken en weet totaal niet wat te doen.

Hier­na gaat opnieuw de deur open en stormt de jager naar bin­nen. De bru­ut rukt Blootkap­je van mij af en richt z’n jacht­ge­weer op mij. Dan valt hem de lichte bolling van m’n buik op. Rood­kap­je, die door dit alles weer bij haar posi­tieven is gekomen, begint te huilen en roept om haar oma. De jager aarzelt geen moment en sni­jdt met één haal van z’n mes m’n buik open en haalt oma tevoorschi­jn. Zon­der par­don gooit hij mij daar­na naar buiten. Voor dood achter­la­tend.

Maar dit is niet alles.
Zoals je ziet heb ik het over­leefd. Zo groot was die snee uitein­delijk niet. En wij wol­ven zijn taaie jon­gens.
Wat nie­mand weet is dat de jager door dit voor­val Rood­kap­je is gaan chanteren. Ze was zo blij met de red­ding van haar oma, en zo beschaamd voor haar pad­destoel- en sexver­slav­ing, dat de jager haar volkomen in zijn macht had. Samen hebben ze het ver­haal ver­zon­nen zoals iedereen het kent. De jager was de held, Rood­kap­je het onschuldige meis­je.

Een tijd­je lat­er zijn ze vertrokken richt­ing grote stad, waar de jager flink geld heeft ver­di­end aan zijn ‘onschuldige’ meis­je. Er was schi­jn­baar een grote markt voor kleine gewil­lige geüni­formeerde meis­jes.

Alleen een maagd was ze niet meer…

Heb je alles goed geno­teerd? Mooi zo!
Nog een pil­sje?”

~ ~ ~

Geschreven in opdracht van Het Fan­tasier­ijk:

Alle­maal Sprook­jes. Deze maand gaan we naar Sprook­jes­land. De gebroed­ers Grimm had­den een gruwelijke, maar rijke fan­tasie. Als je de orig­inele sprook­jes bij de hand hebt ben je een bofkont. Hieron­der vind je drie bestaande sprook­jes. Het is niet alleen de bedoel­ing dat je één van de sprook­jes her­schri­jft, ook is er iets veran­derd. Hoe een com­po­nent een ver­haal kan beïn­vloe­den zul je merken als je met deze opdracht aan de slag gaat.
Rood­kap­je: Schri­jf het ver­haal vanu­it de Wolf.
Hans en Gri­et­je: De brood­kruimels zijn niet opgegeten, ze vin­den de weg terug.
Sneeuwwit­je: Het is een lelijk lui mokkel.

~ ~ ~