16 jaar na GC

Nobo­dy can sepa­ra­te us.”
“I wish that was true.”
[The gre­at and secret show, blz. 687/688 — Cli­ve Bar­ker]

Ander­hal­ve week later ston­den we opnieuw aan de rand van de Grand Can­y­on. Dit­maal aan de zuid­kant. Ik zon­der­de me iets af van ons groep­je. Het was nog vroeg in de och­tend en er hing een lich­te nevel in de can­y­on. Daar­door viel er niet veel te zien. Zeker niet de over­kant.

Maar ik keek dwars door tijd en ruim­te en zag mezelf staan aan de noord­kant. Ik zag een jon­ge­man met in z’n han­den een foto­ca­me­ra en atlas van Ame­ri­ka. Hij was geluk­kig. Hij bestu­deer­de de detail­kaart en pro­beer­de uit te vin­den hoe­ver en waar de over­kant was. Ver­vol­gens maak­te hij een foto. Later zou hij een foto maken wan­neer ze aan de ande­re kant gear­ri­veerd zou­den zijn.
Z’n vrien­din H. kwam naast hem staan.
Hij stop­te de kaart in z’n rug­zak en sloeg een arm om haar heen. Even had hij het idee dat ze hier­van schrok.
“Wat was je aan het doen?”
“Oh, ik eh, ik pro­beer een foto van de over­kant te maken.”
Ver­baasd keek ze hem aan, en hij begon enthou­si­ast z’n idee toe te lich­ten. Toen hij de kaart uit de rug­zak tevoor­schijn wil­de halen, leg­de H. zacht haar hand op z’n arm. Nu was het zijn beurt om ver­baasd op te kij­ken.
“Ik moet je wat ver­tel­len.”

One moment the sun was still shi­ning on the top of his head. The next, dark­ness, icy dark­ness, and he was plum­me­ting through it with cobs of con­cre­te hurt­ling past him on the same down­ward jour­ney. […] It was the brea­king of his bones and back he could hear as he fell. And fell and fell.
[The gre­at and secret show, blz. 134 — Cli­ve Bar­ker]

Waar denk je aan?”
Ik schrok op. Het was B. die naast me was komen staan. Zij was het die ons had uit­ge­no­digd voor deze vakan­tie.
“Oh, ik eh, ik vroeg me af of we ander­hal­ve week gele­den van­uit hier gezien pre­cies aan de over­kant ston­den.”
Uit m’n rug­zak haal­de ik de atlas tevoor­schijn en wees aan waar we ston­den. Dui­de­lijk gemar­keerd was de plek waar H. en ik had­den gestaan. Sinds­dien had ik vele uren de atlas bestu­deerd op zoek naar ant­woor­den. Als­of die beslo­ten zou­den lig­gen in de reeds afge­leg­de weg van oost naar west.
B. leg­de een arm om me heen.
“Is alles wel goed met je? Je bent de laat­ste dagen zo stil.”
Ik keek haar aan en knik­te met gespeel­de over­tui­ging dat alles ok was.

Ter­wijl de rest van het groep­je bij de rand bleef rond­kij­ken, liep ik terug naar de auto. Ging op de ach­ter­bank zit­ten en sloeg het boek dat daar nog lag, open op een wil­le­keu­ri­ge pagi­na. M’n ogen begon­nen te tra­nen.
Het was 1993. Later dat jaar zou­den H. en ik daad­wer­ke­lijk uit elkaar gaan. De atlas en het boek heb ik nog steeds. Tot nu toe kon ik ze niet weg­doen. Nu wel?

~ ~ ~

Apri­l­op­dracht 2009 Het Fan­ta­sie­rijk

Voor­jaars­schoon­maak:
De zon wordt lang­za­mer­hand war­mer, het is voor­jaar, dus tijd voor de gro­te oprui­ming!
Zet twee van je aller­lief­ste bezit­tin­gen bui­ten de deur. Tja, wat wordt het?
Laat je fan­ta­sie de vrije loop en beschrijf jouw voor­jaars­schoon­maak in maxi­maal 500 woor­den.

~ ~ ~