Op safari

“Hallo meneer, kunt u mij misschien de weg naar de Oceaan vertellen?”
“Natuurlijk mevrouw. Het is alsmaar rechtdoor tot aan de waterval. Daar moet u dan naar links. Bij elkaar hooguit 50 meter. Pas wel op voor laaghangende lianen.”

De vrouw had amper tijd om mij te bedanken, voortgesleurd als zij werd door twee kleine kindertjes. Hoogstwaarschijnlijk haar kleindochters.
Ik keek haar na terwijl ze onhandig probeerde de reusachtige bladeren te ontwijken die over het pad hingen. Een felrood gekleurde vogel schoot krijsend uit de struiken en deed haar ineenkrimpen. De meisjes lachten luid. Mijn eigen kleinzoon lachte mee en riep “Pakkuh, pakkuh”.
Hij was de schildpad alweer vergeten. Het volgende avontuur diende zich nu aan: de vogeljacht! Vrolijk rende hij achter de vogel die uitdagend van tak naar tak wipte.

Het vorige avontuur hadden we zojuist achter de rug. Halverwege het grottenstelsel had Noah besloten om een zijgang in te slaan. Oma ging achter hem aan. Vanuit het donker riep ze me toe dat het pad overging in een trap. Noah riep “Allo, allo”.
Dat was het laatste wat ik van hen hoorde.

Een tijdlang bleef ik staan wachten. Er kwamen regelmatig mensen voorbij gelopen. Af en toe keek men mij aan (een man alleen met een lege buggy). Niemand ging de zijgang in waar Inge en Noah alweer een tijd geleden verdwenen waren. Ik besloot een stuk verder door te lopen om te zien of de gang daar weer op het hoofdgedeelte zou uitkomen. Na een kleine 50 meter gelopen te hebben moest ik toegeven dat dat niet het geval was. Dan maar weer terug. En weer wachten.

Om me heen hoorde ik allerlei hoge kinderstemmen door de gangen kaatsen. Echter het typische stemgeluid van Noah viel niet te ontdekken. Het wachten beu, liep ik nu ook de zijgang in. En riep zachtjes hun beider namen. Buiten mijn eigen echo kwam er geen reactie. Een stuk verder ging het pad inderdaad over in een trap. Brede uitgesleten tredes stegen niet al te steil omhoog. M’n ogen waren inmiddels iets gewend aan de donkerte, maar een scherpe bocht onttrok de eindbestemming aan het oog. Uiteindelijk eindigde de trap bij een zware metalen deur.

Fel zonlicht en een droge hitte stroomden naar binnen toen ik de deur openduwde. Verblind hield ik m’n handen voor de ogen. Achter me viel de deur in het slot. Vanaf deze kant viel hij niet meer open te maken. Ik was afgesloten van het grottenstelsel en stond nu midden in een dorre woestenij. Allerlei soorten cactussen stonden tussen de rotsen. De meesten waren in volle bloei. Nergens een spoor van Inge en Noah te bekennen. De drukkende warmte maakte me dorstig.

Moe van het avontuur nam ik een besluit. Kordaat volgde ik de bordjes en kwam uit bij de kantine. Daar zaten oma en kleinkind achter een groot glas limonade. Voor opa stond al een koud pilsje klaar. Noah zag me aankomen en riep blij: “Appah, appah!” Voordat ik kon gaan zitten was hij alweer opgestaan. Het rietje viel op de grond. Ongeduldig stond hij te wachten totdat opa en oma eindelijk hun drankje op hadden.

Later, toen we zelf ook bij de Oceaan aangekomen waren, zag ik de vrouw met haar twee kleindochters weer staan. Zij zelf was gebiologeerd door de vele soorten kleurige vissen, de kinderen hadden de rug naar het aquarium gekeerd. Enthousiast bladerden ze door het foto-album waarin alle vissen (Noah: “Vissuh! Allumaal!”) stonden afgebeeld. Om beurten probeerden ze de juiste benaming correct te doen uitspreken.
Zo had iedereen op z’n eigen manier een mooie dag in Burgers’ Zoo te Arnhem.

~ ~ ~