Love needs a heart

Deze blogpost is deel 3 van 14 in de serie De Reünie

Ik weet niet beter dan dat ik ben opgegroeid met alcohol.
De spaarzame dagen dat het ontbrak in ons huis waren de dagen dat mijn vader wel wilde toegeven dat hij een drankprobleem had. Zijn zoons waren er om dat op te lossen.

Niet zo eigenwijs als mijn oudere broer gaf mijn vader vaak aan mij de opdracht om snel nog iets bij de slijterij te halen. Zonder dat mijn moeder het mocht zien. Lukte dat, dan wachtte er altijd een beloning op mij. Soms wat geld om te kunnen flipperen. Vaker mocht ik een slokje meedrinken.

Dat het drankprobleem van mijn vader van geheel andere aard was begon pas later tot me door te dringen.
Een vaste baan had hij al jaren niet meer gehad. Hele dagen zat hij zich aan de keukentafel vol te gieten. Onderwijl alles en iedereen vervloekend die in zijn ogen schuldig was aan deze situatie.
Op het eind van zo’n dag vol frustatie zocht hij naar ontlading. Regelmatig vergreep hij zich aan onze moeder. Of gaf iemand een fikse afranseling. Gaandeweg gingen wij ons stiller door het huis bewegen.
Trek geen aandacht, was het motto want dan krijg je ook geen slaag.

De erfelijkheid van alcoholisme ontdekte ik op een mistige ochtend toen de politie aanbelde. Zij brachten het nieuws dat mijn broer in het ziekenhuis lag. Overreden door een auto.
Hij was stomdronken de weg overgestoken. Het was maar de vraag of hij het zou overleven. Wat niet gezegd kon worden van de bestuurder van de auto. Onze op school zo populaire gymleraar was niet meer.

Enkele maanden later kwam mijn broer naar huis. Geld voor verpleging hadden we niet, dus zat er niets anders op dan dat mijn ouders voor hem moesten zorgen. Wat moeder met volle overgave deed. Vader zocht de oplossing van deze nieuwe ellende nog dieper in de fles drank. Alle frustratie en agressie richtte hij vanaf nu alleen maar op mij.
Ik probeerde me nog onzichtbaarder te maken. Niet alleen thuis, maar gaandeweg overal. Het werd een overlevingsstrategie. Ik werd stille Hans.

Ergens was het dus heel normaal dat ik die fatale avond mijn leven richting wilde geven middels een fles. Drank had me gevormd tot wie ik nu was, waarom dan ook niet het vervolg er van laten afhangen? Gefascineerd volgde ik het rondwentelen van de fles.

Tot plotseling haar stem achter me klonk.
De liefste stem ooit door mij gehoord.
Van het liefste en mooiste meisje ooit door mij gezien.

Alsof ik iets strafbaars te verbergen had, zo probeerde ik het zicht op de flessen te ontnemen toen ik me omdraaide.
Ze had een verhit gezicht en haar brillenglazen waren licht beslagen. Twee diepblauwe ogen keken mij vragend aan. Enkele blonde haarslierten zaten tegen haar bezwete wangen geplakt. Ze hijgde zacht en had haar mond een klein beetje openstaan.

Ik was al jaren verliefd op haar en in gedachten kon ik haar helemaal uittekenen. Maar nog nooit had ik zo dicht bij haar gestaan en hadden wij elkaar zo doordringend aangekeken. Het feestgedruis om ons heen verdween naar de achtergrond. Alleen wij tweeën bestonden.
Plus natuurlijk die verdomde fles achter mij die bezig was z’n laatste rondjes te draaien.

“Ik verveelde me”, zo probeerde ik een draai aan de situatie te geven.
Ze deed een klein stapje naar voren, alsof ze me niet goed kon verstaan. Haar gezicht was nu bijna tegen mijn mond gedrukt. Bijna onhoorbaar zei ze, “Zullen we dan ergens anders naar toe gaan”?
Even was ik bang dat ik flauw zou vallen. Ik voelde haar hand de mijne vastpakken.
Opnieuw keek ze me aan. In niets herkende ik het verlegen meisje wat zij in de klas was. Ik zag iemand die alle schroom van zich had afgeschud en in volle bloei stond. Ze was mooier dan ik haar ooit gezien had. Ze straalde helder licht.
En zei de woorden die tot nu toe alleen in mijn dromen uitgesproken waren.

Natuurlijk had ik niet om hoeven te kijken naar waar de fles tot stilstand was gekomen.
Hoe belangrijk kon dat nog zijn, nu alles was hoe ik het altijd gewenst had?
Toch deed ik het.

De stand van de fles verraste me niet. Ik ben niet echt voor het geluk geboren.

Karin kneep in mijn hand. Ze wilde gaan. Ook voor haar kon de betovering zomaar verbroken worden. Zij wist nog niet dat het al over was.

Ik had op alle mogelijke manieren afscheid kunnen nemen van Karin. De keuze die ik maakte was de meest verraderlijke van allemaal. Waar ik het lef vandaan haalde is me nog steeds niet duidelijk. Of was het gewoon laf? In ieder geval wendde ik me langzaam af van de flessen. Zacht trok ik haar tegen me aan, omarmde haar en fluisterde dat ik ook zielsveel van haar hield.
Toen legde ik mijn hand allertederst onder haar kin. Lichtte zacht haar hoofd op en kuste haar. Even kon ik nog in haar ogen kijken voordat ze die vol overgave sloot. Ik denk dat ze al gezien had dat het voorbij was. Tegen beter weten in sloeg ze haar armen om mijn schouders.

Abrupt maakte ik me los uit onze omhelzing. Zonder haar nog een blik waardig te gunnen draaide ik me van haar weg en begon richting uitgang te lopen. Verbaasde blikken waren mijn deel. Een aantal vriendinnen van Karin liepen al haar kant uit. Het moest een troosteloos beeld zijn geweest hoe zij daar eenzaam bij die tafel vol flessen stond.

Bij de uitgang werd ik opgevangen door Enzo.
“Zo, dat was een knap staaltje dumpwerk, Hans. Dat had ik niet achter je gezocht. Nog een pilsje?”
Fijne gozer die Enzo.
Het pilsje sloeg ik met gulzige teugen achterover, dorstig naar een volgende. Tenslotte had de fles geoordeeld. Laat ‘m dan ook maar de rest van mijn leven kapot maken.

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fictief is Hans.

~ ~ ~