De bittere smaak van troost

Deze blog­post is deel 5 van 14 in de serie De Reünie

Halver­wege de her­denk­ings­di­enst voor Gio ben ik stil­let­jes opges­taan en heb de kerk ver­lat­en. De aan­blik van een hys­ter­ische juf Car­la was teveel.
Er waren een aan­tal mensen die me ver­sto­ord aankeken. Voor­namelijk oud­ers van leer­lin­gen. Anderen keken me zelfs beschuldigend aan. In dit geval meren­deels leer­lin­gen. Maar dat kon me niet sche­len.
Moest ik soms uit­leggen dat mijn broer zichzelf niet expres voor de auto had gegooid? Dat punt was ik al voor­bij. Ik hield het gewoon niet meer uit in die afge­laden ruimte.

Het leek wel of alle leer­lin­gen die ooit op onze school had­den gezeten van heinde en ver gekomen waren om de overleden gym­ler­aar de laat­ste eer te bewi­jzen. Had het te mak­en met zijn pop­u­lar­iteit of dat het de eerste keer sinds tij­den was dat een leerkracht door een ongeluk om het lev­en was gekomen?
Hoe het ook zij, de emo­tionele tafer­e­len die zich in het kerkge­bouw afspeelden ston­den in schril con­trast tot de aan­dacht die mijn broer in het zieken­huis kreeg.

Hier geen hordes huilende jonge meis­jes bij zijn bed. Of jon­gens die sto­er probeer­den hun tra­nen bin­nen te houden. Ter­wi­jl toch ook bij hem al snel duidelijk was dat hij het lev­en gegeven had bij dit ongeluk. Het zou alleen nog enkele jaren duren voor­dat hij zich daar­bij kon neer­leggen.
Nee, mijn broer moest het doen zon­der al deze belang­stelling. Hij lag een­za­am op zijn ziekenkamer.
Vad­er was niet in staat te komen want had zich voor de veran­der­ing zowat bewusteloos gezopen. En moed­er moest voor­lop­ig ook bed houden. In shock­toe­s­tand ger­aakt de ocht­end dat de poli­tie het treurige nieuws kwam bren­gen.

Dus viel de zware taak op mijn smalle schoud­ers om gedurende die eerste kri­tieke dagen een per­ma­nente wake aan mijn broers’ bed te houden. Ik smeek­te god en iedereen dat hij het zou over­leven en vervloek­te degene die dit ongeluk veroorza­akt had.

Dat het onze gym­ler­aar Gio was die achter het stu­ur gezeten mijn broer omver gere­den had, hoorde ik pas lat­er. Echter tijdig genoeg om te over­we­gen of ik naar de her­denk­ings­di­enst zou gaan.
‘Waarom zou ik?’, was mijn eerste reac­tie.
‘Om er even tusse­nu­it te kun­nen na enkele door­waak­te nacht­en’, zei­den de ver­pleeg­sters in het zieken­huis.
Min of meer ged­won­gen ver­li­et ik voor het eerst sinds tij­den het zieken­huis om thuis te gaan douchen en frisse kleren aan te trekken.

Buiten werd ik over­vallen door het felle licht. Alles duizelde me. De zon straalde. Huizen had­den hun ramen openge­gooid. Vogels hup­pelden door de lucht. Met volle teu­gen inhaleerde ik de energier­ijke lucht over de lon­gen. Het deed mijn fiets voor­trazen over het­zelfde asfalt welke mijn broer zulk een klap in het gezicht had gegeven. Eén gelukza­lig moment was ik vrij van alles.

Tot­dat ik ons huis zag.

Het leek duis­ter­n­is uit te ade­men. Alle gordi­j­nen waren dicht. Zonnes­tralen wer­den niet weerkaatst, maar geab­sorbeerd.

Ik par­keerde de fiets tegen het raamkoz­i­jn en ging naar bin­nen.
Op de deur­mat lag voor enkele dagen post. Ik maak­te een stapelt­je wat ik op het kast­je in de hal legde.
In de keuken zag ik vad­er. Gek­leed in slechts een ruimzit­tende ooit witte onder­broek en bij­passend vlekkerig hemd zat hij als vanouds aan de keukentafel. Gri­js borsthaar kri­oelde over de rand van zijn hemd. Tot spleet­jes dicht­geknepen ogen in een ongeschoren gezicht. Een plakkerige lok haar hing in zijn nek. In betere tij­den werd dit naar voren gekamd om kaal­slag op zijn voorhoofd te ver­ber­gen.

Tegen beter weten in.

Goeiemor­gen pa. Goed ges­lapen?”
“Kan ’t jou wat sche­len?”
“Waar is ma? Nog in bed?”
“Wat dacht je zelf? Wijs­neus.”
“In het zieken­huis is alles rustig en het­zelfde. Daarom dacht ik straks even…”
“Joh, lul niet zoveel en pak ’n pil­sje voor me. Ik kri­jg kop­pi­jn van dat gezeur van jou.”
“Ja pa.”

Op de over­loop keek ik naar bin­nen bij de slaap­kamer van mijn oud­ers. Moed­er was nog in diepe rust of ver­dov­ing van de slaap­mid­de­len. Haar ademhal­ing poogde piepend en zwoe­gend een uitweg te vin­den uit de verzu­urde atmos­feer die in de kamer hing. Het beeld van opz­ij geschoven dekens en omhoog getrokken nacht­japon was vol­doende om snel te keren. Ik liet de deur op een kier staan.

De korte euforie van die mooie ocht­end was allang verd­we­nen. De smerige stank van ons treurige gezinsleven kreeg ik zelfs na een uur douchen niet weg.

Een­maal buiten de kerk ging ik op een bankje zit­ten. Spi­jt overviel me dat ik was gegaan. Al die mensen die bijeen waren gekomen om de laat­ste eer te bewi­jzen aan iemand die ver­ant­wo­ordelijk was voor het feit dat mijn broer in het zieken­huis lag. En dan ook nog die ver­wi­j­tende blikken. Alsof mijn broer. Alsof ik.
Ik werd als­maar kwad­er en kwad­er daar op dat bankje.
Plot­sklaps het besef dat ik wraak wilde nemen maar niet kon. De dad­er was overleden. Ons toch al ontspo­orde gezin in verdere staat van ontred­der­ing achterge­lat­en. De genadeklap gegeven.
Tra­nen van frus­tratie spron­gen in mijn ogen.

Vol­gens mij kun jij wel wat troost gebruiken”.
Een arm werd om mij heen ges­la­gen.
Ik keek opz­ij, in de bloed­door­lopen ogen van Van der Kwaak.

Ook dit keer was een uur douchen lat­er die dag niet vol­doende om de bit­tere smaak van troost uit mijn mond te spoe­len.

En zo sta ik dan te wacht­en tot­dat Enzo zijn tele­foonge­sprek gaat beëindi­gen.
Enzo, die dus de broer van Gio is.
Gio, oftewel de onheils­brenger in ons gezin.
Gio, die dood is.
Gio, die deze avond nog tegen mij zei: “Ik zat niet achter het stu­ur. Doe mijn broer geen pijn, zoals ook ik jouw broer geen pijn heb willen doen.”

Waarom zou ik?

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fic­tief is Hans.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Dans met mijNachtelijke omzw­ervin­gen »