Sterk water

Ik was stil bli­jven staan om mijn jas dicht te rit­sen tegen de opkomende kilte. Nu we iets dieper in het bos waren aan­be­land leek de mist uit de grond omhoog te komen. Waarom had ik een korte broek aangetrokken?
Het viel me op dat het doo­d­stil was. Geen enkel gelu­id drong tot me door. Zelfs het ruisen van de bladeren in de bomen viel niet op te mak­en.

Hé Twan, kijk hier. Een nieuw pad!”
Tuurlijk, dacht ik bij mezelf. Een nieuw pad. In dit stuk­je bos waar we al jaren komen en elk plek­je ken­nen.
“Ik kom er aan”, riep ik. “Maar waar ben je?” De mist leek met de min­u­ut dichter te wor­den.
“Hier!”, klonk het ergens rechts van me. Door de mist was het moeil­ijk in te schat­ten waar Roland zich bevond.
“Ik heb een ven­net­je ont­dekt!”
Nu klonk de stem van Roland ineens links achter mij.
Een ven­net­je? Ik begreep er steeds min­der van. In dit stuk bos had­den we nog nooit een ven gezien.
“Waar bli­jf je nou? Je moet me helpen. Er hangt een touw in het water en vol­gens mij zit er iets aan vast. Iets zwaars.”

Op goed geluk liep ik verder het bos in. De grond was dras­sig en regel­matig gleed ik weg. Waar was dat ver­domde pad? Opnieuw ver­loor ik mijn even­wicht en zocht ste­un tegen een boom. Meteen trok ik mijn hand terug. De stam was geheel bedekt door een klev­erige sub­stantie. Vervuld van weerzin probeerde ik het spul los te pulken toen ik een luide gil hoorde.
“Roland! Alles goed? Wat gebeurt er?” Onbe­wust was ik begonnen te ren­nen. Nat­te slierten groen klet­sten in mijn gezicht. Ik was com­pleet verd­waald en zigza­gde in het wilde weg tussen de boom­stam­men. Takken striem­den mijn blote benen. Van dicht­bij hoorde ik Roland het uitschree­uwen. “Twan! Help me! Het trekt me mee!”

Stru­ike­lend viel ik voorover en landde met mijn gezicht in de mod­der. Ik ging rech­top zit­ten. De mod­der wreef ik uit mijn ogen. Bij­na was ik het ven in gelopen. Roland was ner­gens te beken­nen. Ik speurde de oev­er af. Een paar meter verder zag ik het touw in het water hangen. Voorzichtig liep ik er naar toe. Bang voor wat ik aan zou tre­f­fen. Het donkere water was ges­loten alsof het bevroren was. Geen rimpel­ing te zien. Ik haalde diep adem, pak­te het touw op en gaf een ruk.

Of het ver­beeld­ing was weet ik tot op de dag van van­daag niet zek­er, maar ik zweer op mijn moed­ers graf dat een luide boer weerk­lonk die over het water uit golfde. Er was een lichte beweg­ing in het water te zien en vanu­it de zwarte diepte kwa­men wat kleren en schoe­nen naar de opper­vlak­te. Gepaard met een verder­fe­lijke kot­slucht. Com­pleet in paniek liet ik het touw los en begon te ren­nen. Mijn gegil kon het gelach niet over­stem­men.

Tot op de dag van van­daag is het ven nooit teruggevon­den. Laat staan mijn vriend Roland.

~ ~ ~

Mijn bij­drage voor de juniop­dracht van Het fan­tasier­ijk:

Juni is de maand van het span­nende boek. Het Fan­tasier­ijk sluit zich graag aan.
Schri­jf een span­nend ver­haal van max­i­maal 500 woor­den. Er mag geen moord en doo­d­slag in voorkomen en bloed is even­min toeges­taan.

~ ~ ~

Een ver­volg op Sterk water is hier te vin­den => Sterk woud

~ ~ ~