Nachtelijke omzwervingen

Zacht­jes neu­ri­ënd loop ik het school­plein af. De druk­te van de reü­nie laat ik ach­ter me.

Het wach­ten tot­dat Enzo klaar was met zijn tele­foon­ge­sprek had me te lang geduurd. Zijn lichaams­hou­ding liet ook niets te raden over. Hij had zich al van me weg­ge­draaid, vol­le­dig opgaand in dat­ge­ne wat hem ver­teld werd en regel­ma­tig druk geba­rend. Schijn­baar was hij druk met belang­rij­ke­re zaken.

De vraag was of hij tijd zou wil­len vrij­ma­ken om met mij her­in­ne­rin­gen op te halen. Over het feit dat hij de broer van Gio was. En dat we bei­den broe­der­loos waren gewor­den door dat fata­le onge­luk van Gio en Lucia.
Een tijd­je bleef ik in gedach­ten staan. Keek uit over de dan­sen­de en pra­ten­de menig­te. Zoals ik vroe­ger op het school­plein het geheel over­zag en ner­gens bij hoor­de.
Het was wel weer genoeg voor van­daag. Zon­der te groe­ten liep ik weg van Enzo.

Bij de gar­de­ro­be pak­te ik mijn jas en sloeg bij het naar bui­ten gaan nog snel een over­ge­ble­ven wel­komst­drank­je ach­ter­over.
De bui­ten­lucht voel­de ver­fris­send aan. Mijn auto liet ik staan. Even de benen strek­ken.

Doel­loos slen­ter ik door de stra­ten. De buurt rond­om ons voor­ma­lig school­ge­bouw komt me nog steeds vreemd ver­trouwd voor. Veel is er in de afge­lo­pen jaren niet ver­an­derd, behal­ve dat het flink ver­waar­loosd is.
Vaak heb ik hier rond­ge­zwor­ven. Tij­dens pau­zes. Maar ook na school­tijd wan­neer ik nog niet terug wil­de naar huis.
Onbe­wust loop ik vas­te rou­tes die haast uit­ge­sle­ten moe­ten zijn door veel­vul­di­ge her­ha­ling. Ik strijk met mijn han­den langs schut­tin­gen en hek­jes waar ik dat vroe­ger ook gedaan moet heb­ben. Af en toe blijf ik stil­staan bij een speel­plein, win­kel­tje of plant­soen. Hoor bij­na de gelui­den van wel­eer in de nu zo goed als stil­le nacht. Ondanks dat ik me meest­al tries­tig voel­de toen ik in mijn een­tje de tijd weg wan­del­de maakt het me nu geluk­kig.
Het is fijn om hier te lopen. Nog steeds ervaar ik dezelf­de bescher­ming als zo lang gele­den. Mijn eigen dool­hof waar nie­mand mij kan vin­den.

In de ver­te zie ik een bekend sil­hou­et opdoe­men. Het tol­huis­je.
Scherp steekt het af tegen de hel­de­re maan­ver­lich­te hemel.
Zo doel­loos was blijk­baar deze nach­te­lij­ke omzwer­ving niet. Onge­merkt had het mij gebracht naar een plek waar ik in mijn jeugd veel tijd had door­ge­bracht. Te ver­le­gen om daad­wer­ke­lijk een vrien­din­ne­tje te vra­gen zocht ik hier com­pen­sa­tie voor de hor­mo­nen die door mijn lijf joe­gen.
Ver­bor­gen in de strui­ken zat ik regel­ma­tig te glu­ren naar stel­le­tjes die er hun eer­ste schre­den op het sexu­e­le pad zet­ten. Stij­gen­de opwin­ding die gelij­ke tred hield met dat­ge­ne wat ik tus­sen het gebla­der­te door kon ont­wa­ren. Tot het uiter­ste gespan­nen niet betrapt te wor­den.
Meest­al was het snel gebeurd. Een onbe­vre­di­gen­de ont­la­ding in abso­lu­te stil­te bele­den. Het gevoel van ver­la­ten­heid na een nieu­we klei­ne dood deed me vaak ter plek­ke zwe­ren het nooit meer te doen. Maar wat is nooit op die leef­tijd?
Als van­zelf werd ik na een tijd weer naar deze plek getrok­ken.

Zoals dus ook van­avond.
Nieuws­gie­rig ver­laat ik het pad en ga op zoek naar de schuil­plek­jes van lang gele­den. Tus­sen de bomen en strui­ken is het een stuk don­ker­der. De onder­grond is plat­ge­tre­den en bezaaid met aller­lei troep.
Onwil­le­keu­rig pro­beer ik zo min moge­lijk geluid te maken. Wie weet wordt deze plek nog steeds gebruikt voor stie­ke­me afspraak­jes. De avond is er voor gemaakt.
Als mijn lin­ker­voet weg­slipt over een gebruikt con­doom word ik beves­tigd in de gelijk geble­ven popu­la­ri­teit van deze stek.
Ik zorg er voor nog meer op mijn hoe­de te zijn.

In de don­ker­te die ont­staat wan­neer er een wolk voor de maan drijft blijf ik staan en neem de omge­ving in me op. Een stuk ver­der­op staat een hoge boom waar­van ik her­in­ner dat er vlak­bij een ide­aal uit­kijk­punt was. Bij­na op de tast loop ik er naar toe.
Het is er nog steeds! Ik laat me op mijn knie­ën zak­ken en wacht tot de maan tevoor­schijn komt.

Mijn ver­bijs­te­ring is groot als ik de con­tou­ren ont­waar van een ont­bloot vrou­wen­li­chaam. Het opko­men­de maan­licht geeft steeds meer prijs van een prach­tig lijf.
Gefas­ci­neerd kijk ik toe. Waan me weer even die een­za­me jon­gen, diep ver­bor­gen voor de wereld, hun­ke­rend naar lief­de.

Hoe­veel leef­tijd­ge­noot­jes heb ik hier wel niet in afwis­se­len­de combi’s voor­bij zien komen? Ik zou menig­een nu nog ver­baasd doen staan met alles wat zich hier hoe­ge­naamd onbe­spied heeft afge­speeld. Details over moe­der­vlek­ken, typi­sche kreun­tjes, lichaams­bouw en der­ge­lij­ke zou­den het waar­heids­ge­hal­te van mijn ont­hul­lin­gen kun­nen onder­bou­wen.
En dan heb ik het nog niet over ver­schil­len­de leer­krach­ten die hier wat bui­ten­school­se bij­les kwa­men geven.
Soms aan ande­re leer­krach­ten. Soms aan ouders. Soms aan leer­lin­gen.
Gio was niet de eni­ge docent die een ver­bo­den rela­tie met een leer­lin­ge had.

En nu Lin­da.
Want inmid­dels heb ik haar her­kend. Vei­lig in de han­den van Angus zo te zien.
Een beet­je onge­mak­ke­lijk ver­schuif ik mezelf. Ik hoef dit niet te zien. Die tijd is geweest. Weg­gaan durf ik niet, bang dat ze me zul­len horen.
Mijn gedach­ten gaan terug naar Karin, eer­der deze avond. Haar kaartje knelt in mijn broek­zak nu ik in deze vreem­de hou­ding zit.

Plots luid geschreeuw. Met moei­te weet ik mezelf te beheer­sen om niet uit de strui­ken te sprin­gen. Door de tak­ken heen zie ik dat het geluid niet door Lin­da en Angus wordt ver­oor­zaakt. Ook zij zijn geschrok­ken.
Lin­da trekt haas­tig haar jurk­je weer aan.
Het lijkt of ze op zoek gaan naar de bron van het tumult.
Stil­le­tjes volg ik hen.

Hoe­wel in eer­ste instan­tie ver­baasd kijk ik er toch niet al teveel van op als Lin­da en Angus op Paul stui­ten. Uit­ein­de­lijk heeft hij vroe­ger ooit in deze buurt gewoond. Ze blij­ven even staan pra­ten en ren­nen dan ineens ver­der. Paul ach­ter­la­tend.
In de ver­te bui­gen ze zich over een lichaam. Voor­zich­tig nader ik hen. Hele­maal gefo­cu­sed op de per­soon die op de grond ligt, heb­ben ze geen notie van mij. In het geha­ven­de lichaam her­ken ik Lucia. Ze ziet er niet goed uit.

Ter­wijl zij zich bekom­me­ren over Lucia, zie ik Paul zich­zelf stil­le­tjes uit de voe­ten maken.
Bin­nen de kort­ste keren is een hulp­dienst ter plek­ke welk zich over de bewus­te­lo­ze Lucia ont­fermt. Lin­da en Angus staan gearmd iemand van het team te woord. Erg veel zul­len ze niet kun­nen ver­hel­de­ren aan­ge­zien ze net zoveel heb­ben gezien als ikzelf. Niets dus. Daar­om blijf ik op de ach­ter­grond. Nie­mand heeft mij in de gaten. Nie­mand heeft mij nodig.

Ik wacht tot­dat de deu­ren van de ambu­lan­ce geslo­ten wor­den als teken voor de chauf­feur om voor­zich­tig op te trek­ken, maar dan met flin­ke vaart de straat uit te scheu­ren. Ze pas­se­ren mij rake­lings. Sire­ne en waar­schu­wings­lam­pen wor­den geac­ti­veerd voor­dat de bocht inge­draaid wordt.
De och­tend­zon doet een eer­ste flau­we poging de lege straat te ver­lich­ten nadat de wagen uit zicht is ver­dwe­nen.
Van Lin­da en Angus is geen spoor meer te beken­nen.
Tijd om terug te gaan.

Bij het school­ge­bouw aan­ge­ko­men zie ik nog wat nacht­bra­kers op de reü­nie. Ik start mijn auto en rijd weg. Naar huis.
Onder­weg pas­seer ik het zie­ken­huis. Zou het goed gaan met Lucia? Mis­schien kan ik haar bin­nen­kort een bezoek­je bren­gen. Ten­slot­te was zij samen met Gio betrok­ken bij het onge­luk waar­bij mijn oude­re broer uit­ein­de­lijk het leven gela­ten heeft.

De woor­den van Gio komen opnieuw terug. De bete­ke­nis dringt nu pas tot mij door…

Ik zat niet ach­ter het stuur.”

~ ~ ~

Geschre­ven voor De Reü­nie

Voor de vol­le­dig­heid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fic­tief is Hans.

~ ~ ~