She’s the one

Aan de over­kant van de straat zie ik mijn ouder­lijk huis. De schoor­steen is half door het dak gezakt. In de tuin lig­gen brok­stuk­ken die van de muren afkom­stig zijn. Mijn broer staat ach­ter een gebar­sten raam. Hij zwaait naar mij.
Voor­dat ik over­steek kijk ik naar links, naar rechts en ver­vol­gens weer naar links. Met flin­ke snel­heid komt een auto aan­rij­den. Storm­vla­gen snel­len hem voor­uit. Stof, zand, bla­de­ren en aller­lei ande­re troep komt aan mij voor­bij gewaaid. Het wordt moei­lijk de ande­re zij­de nog te ont­wa­ren. Mijn ogen moet ik tot splee­tjes samen­knij­pen tegen het fij­ne gruis dat poogt tra­nen te trek­ken. Ik trek mijn jas over mijn hoofd en steek de weg over.


Moei­zaam vecht ik tegen de voort­ra­zen­de wind om niet te ver van mijn doel te gera­ken. De auto lijkt ver­dwe­nen. Opge­slokt door de storm. Met mijn voet stoot ik tegen het trot­toir. Ik kom onder mijn jas tevoor­schijn. De storm is gaan lig­gen. De hui­zen­rij is ver­dwe­nen. Voor mij strekt zich een onein­dig gras­veld uit. Zo ver ik kan kij­ken. Zon­der eni­ge begren­zing. Als ik mij omdraai zie ik aan de over­kant van de straat mijn ouder­lijk huis. Nog één keer zwaai ik naar mijn broer.
Dan keer ik me terug naar het weids gol­ven­de gras­land en begin te lopen. De zon staat hoog aan de hemel. Ik voel een hand de mij­ne vast­pak­ken. Vogels zin­gen ons lied.

Hoe­wel ik dode­lijk ver­moeid in bed was geval­len stond ik enke­le uren later uit­ge­rust onder de dou­che. De gebeur­te­nis­sen van de vori­ge avond en nacht liet ik de revue pas­se­ren ter­wijl het kou­de water de laat­ste res­ten slaap uit mijn lichaam ran­sel­de.
Van de reü­nie zelf over­heerste slechts één beeld: Karin! Het weer­zien met haar had mooi­er uit­ge­pakt dan ik ooit had dur­ven dro­men. Ze had er weer­ga­loos uit­ge­zien in haar avond­kle­ding. Een stra­len­de ster. Alle schroom was van me afge­val­len toen ik haar hand vast­pak­te. De gang naar de dans­vloer had aan­ge­voeld als­of ik haar naar mijn slaap­ka­mer bracht. Het dan­sen zelf was van een inti­mi­teit zoals ik niet eer­der had mee­ge­maakt.
In mijn leven had ik lief­des gekend, bij Karin had ik ware lief­de her­kend.

Het beeld wat ook steeds door mijn hoofd spook­te, was dat van Lucia. Ze had er slecht uit­ge­zien. Ach­ter­ge­la­ten door Paul, en gevon­den door Lin­da en Angus. Ik begon me af te vra­gen of ik er wel goed aan had gedaan me afzij­dig te hou­den. Mocht er poli­tie bij te pas komen dan had ik heel wat uit te leg­gen om mijn aan­we­zig­heid daar te ver­kla­ren. Zou iemand mij gezien heb­ben? Paul mis­schien? Ik nam me voor om er ver­der met nie­mand over te pra­ten. Ook niet met Karin.

Karin…
Ik ga op zoek naar haar kaartje. Zon­der te aar­ze­len kies ik haar num­mer en wacht tot­dat ze opneemt.

Met Karin…?”, klinkt haar nu al ver­trouw­de stem. Ze hijgt een beet­je. Als­of ze gerend heeft.
“Hal­lo Mika­dootje”, durf ik te zeg­gen.
“Hey, lief…”, is de mooi­ste belo­ning die ik terug­krijg.
Hier­na gaat het als van­zelf.
“Al plan­nen voor deze mooie dag?”
“Niet echt…”
“Laten we het niet lan­ger uit­stel­len, ik wil je zien.”
“Dat lijkt me een goed plan, kom je hier­heen?”
“Ok, waar woon je?”
“Laat de stad ach­ter je en…”
“Het huis op de heu­vel?”
“Inder­daad, tot zo!”

Het komt in me op om het weke­lijk­se zater­dag­och­tend bezoek­je aan mijn ouders deze keer te laten schie­ten. Maar waar­om zou ik? De bood­schap­pen moe­ten toch gedaan wor­den.
Een klein uur­tje later par­keer ik de auto in hun straat. In plaats van aan te bel­len besluit ik ach­ter­om te gaan. De don­ke­re gang waar­van er een­tje is na elk twee­de huis, voelt koel aan. Som­mi­ge stoep­te­gels ste­ken schuin omhoog. Er groeit mos tegen de muren. Veel bak­ste­nen zijn afge­brok­keld. Het cement in de voe­gen is op ver­schil­len­de plaat­sen ver­dwe­nen. De hou­ten poort hangt scheef in de schar­nie­ren.
Als ik op mijn tenen ga staan kan ik er net over­heen kij­ken. Ik zie moe­der in het zon­ne­tje zit­ten. Ze heeft een mand­je met aard­ap­pels op haar schoot. Een krant met wat schil­len ligt half open­ge­waaid tegen de poten van haar stoel.
Zacht­jes open ik de poort om haar niet te laten schrik­ken.
Ver­heugd kijkt ze op als ze me her­kent wan­neer ik uit de scha­duw kom. Ach­ter mij valt de poort ram­me­lend en pie­pend in het slot. Een geluid wat me altijd bij­ge­ble­ven is en wat ik koes­ter.

Ik ver­tel haar over de reü­nie.
Dat ik Karin heb ont­moet.
“Och, is dat niet dat leu­ke meis­je wat je me een keer hebt aan­ge­we­zen op een ouder­avond?”
Ver­baasd kijk ik haar aan.
“Daar was je toen al zo gek op.”
“Wie zegt dat ik gek op haar ben?”
“Ach jon­gen van me. Ont­ken het maar niet. Ik zie het in je ogen.”
Een onder­druk­te grom doet me omdraai­en. Vader zit een stuk­je ver­der. Hij heeft een woes­te blik in zijn gezicht. Uit zijn mond­hoek hangt een beet­je speek­sel. Hij zal het niet echt warm heb­ben daar in de scha­duw. De onver­stoor­ba­re hou­ding van mijn moe­der laat blij­ken dat ze niet van plan is de rol­stoel te ver­plaat­sen. Wraak past ons alle­maal.

Als ik aan­stal­ten maak om te ver­trek­ken fluis­tert ze me nog iets toe. Ik moet me wat naar haar toe­bui­gen om het te ver­staan.
“Je hebt toch geen gek­ke din­gen uit­ge­haald gis­ter­avond, jon­gen?”
Ver­baasd knik ik van nee. Hoe­zo?
“Bij de bak­ker van­och­tend hoor­de ik Sjan van ver­der­op, je weet wel, die met Har­rie is getr…”. Onge­dul­dig onder­breek ik haar door te ver­tel­len dat ik weet wie Sjan is. Uit haar ver­haal maak ik op dat er gis­ter­nacht heel wat meer is gebeurd dan wat ik gedeel­te­lijk heb mee­ge­kre­gen. Het is geen door­snee reü­nie geweest.
Met een kus neem ik afscheid.

Al die jaren heb ik mij afge­vraagd wie mij aan de hand nam.
Ik had wel een idee.
Durf­de dat ech­ter niet toe te laten. Bang dat het dan fout zou gaan.
Alleen door niet te kij­ken wist ik dat zij het was.

Met een zoen word ik terug­ge­haald.
De gehe­le mid­dag is als in een roes aan mij voor­bij gegaan.
We heb­ben gespro­ken, gewan­deld, gege­ten, gedron­ken.
Elkaar aan­ge­raakt. Vin­gers ver­stren­geld.
Dit was geen inha­len van ver­lo­ren tijd. Geen goed maken van fou­ten.

Het is tijd­loos.

Dan haar voch­ti­ge lip­pen tegen mijn wang. Op weg naar mijn mond. Ik open mij voor haar. Het punt­je van haar tong krult zich onder die van mij. Een wolk­je war­me adem zweeft naar bin­nen. Doet lief­de ver­men­gen met lust.
Een laat­ste aar­ze­ling voor­dat ik haar ach­ter­over duw op het bed. Het jurk­je spant zich strak over haar lijf. Ik buig voor­over en pak haar bei­der han­den. Leg ze boven haar hoofd. Wan­neer ik langs haar wang strijk, draait ze zich en zuigt mijn duim diep naar bin­nen. Onder­wijl blijft ze me aan­kij­ken. Ver­lei­de­lij­ker aan­moe­di­ging is niet denk­baar. Ik buig ver­der voor­over, pak haar borst vast en begin door de dun­ne stof van het jurk­je op haar tepel te ade­men. De war­me lucht doet haar groei­en en kreu­nen. Ze tilt haar bil­len iet­wat omhoog zodat ik het jurk­je omhoog kan schui­ven. Het slip­je stroop ik omlaag. Ik leg mijn hand tus­sen haar benen. Nat­te warm­te. Haar adem­ha­ling ver­snelt. Ver­der schuif ik het jurk­je omhoog en ont­bloot zo haar buik. Daar­na haar bor­sten. Kus haar navel.
Kleed mij­zelf uit.
Ga naast haar lig­gen en pak haar hand vast. Ik draai opzij en

kijk haar aan.
Ik wist het!

~ ~ ~

Geschre­ven voor De Reü­nie

Voor de vol­le­dig­heid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fic­tief is Hans.

~ ~ ~