She’s the one

Deze blog­post is deel 7 van 14 in de serie De Reünie

Aan de overkant van de straat zie ik mijn oud­er­lijk huis. De schoorsteen is half door het dak geza­kt. In de tuin liggen brokstukken die van de muren afkom­stig zijn. Mijn broer staat achter een gebarsten raam. Hij zwaait naar mij.
Voor­dat ik over­steek kijk ik naar links, naar rechts en ver­vol­gens weer naar links. Met flinke snel­heid komt een auto aan­ri­j­den. Stor­mvla­gen snellen hem vooruit. Stof, zand, bladeren en aller­lei andere troep komt aan mij voor­bij gewaaid. Het wordt moeil­ijk de andere zijde nog te ont­waren. Mijn ogen moet ik tot spleet­jes samenkni­jpen tegen het fijne gruis dat poogt tra­nen te trekken. Ik trek mijn jas over mijn hoofd en steek de weg over.


Moeiza­am vecht ik tegen de voor­trazende wind om niet te ver van mijn doel te ger­ak­en. De auto lijkt verd­we­nen. Opges­lokt door de storm. Met mijn voet stoot ik tegen het trot­toir. Ik kom onder mijn jas tevoorschi­jn. De storm is gaan liggen. De huizen­rij is verd­we­nen. Voor mij strekt zich een oneindig grasveld uit. Zo ver ik kan kijken. Zon­der enige begren­z­ing. Als ik mij omdraai zie ik aan de overkant van de straat mijn oud­er­lijk huis. Nog één keer zwaai ik naar mijn broer.
Dan keer ik me terug naar het wei­ds gol­vende grasland en begin te lopen. De zon staat hoog aan de hemel. Ik voel een hand de mijne vast­pakken. Vogels zin­gen ons lied.

Hoewel ik dodelijk ver­moeid in bed was gevallen stond ik enkele uren lat­er uit­gerust onder de douche. De gebeurtenis­sen van de vorige avond en nacht liet ik de revue passeren ter­wi­jl het koude water de laat­ste resten slaap uit mijn lichaam ranselde.
Van de reünie zelf over­heer­ste slechts één beeld: Karin! Het weerzien met haar had mooier uit­gepakt dan ik ooit had dur­ven dromen. Ze had er weer­ga­loos uit­gezien in haar avond­kled­ing. Een stral­ende ster. Alle schroom was van me afgevallen toen ik haar hand vast­pak­te. De gang naar de dans­vlo­er had aangevoeld alsof ik haar naar mijn slaap­kamer bracht. Het dansen zelf was van een intimiteit zoals ik niet eerder had meege­maakt.
In mijn lev­en had ik liefdes gek­end, bij Karin had ik ware liefde herk­end.

Het beeld wat ook steeds door mijn hoofd spook­te, was dat van Lucia. Ze had er slecht uit­gezien. Achterge­lat­en door Paul, en gevon­den door Lin­da en Angus. Ik begon me af te vra­gen of ik er wel goed aan had gedaan me afz­i­jdig te houden. Mocht er poli­tie bij te pas komen dan had ik heel wat uit te leggen om mijn aan­wezigheid daar te verk­laren. Zou iemand mij gezien hebben? Paul miss­chien? Ik nam me voor om er verder met nie­mand over te prat­en. Ook niet met Karin.

Karin…
Ik ga op zoek naar haar kaart­je. Zon­der te aarze­len kies ik haar num­mer en wacht tot­dat ze opneemt.

Met Karin…?”, klinkt haar nu al vertrouwde stem. Ze hijgt een beet­je. Alsof ze gerend heeft.
“Hal­lo Mikadoot­je”, durf ik te zeggen.
“Hey, lief…”, is de mooiste beloning die ik terugkri­jg.
Hier­na gaat het als vanzelf.
“Al plan­nen voor deze mooie dag?”
“Niet echt…”
“Lat­en we het niet langer uit­stellen, ik wil je zien.”
“Dat lijkt me een goed plan, kom je hier­heen?”
“Ok, waar woon je?”
“Laat de stad achter je en…”
“Het huis op de heuv­el?”
“Inder­daad, tot zo!”

Het komt in me op om het weke­lijkse zater­dagocht­end bezoek­je aan mijn oud­ers deze keer te lat­en schi­eten. Maar waarom zou ik? De bood­schap­pen moeten toch gedaan wor­den.
Een klein uurt­je lat­er par­keer ik de auto in hun straat. In plaats van aan te bellen besluit ik achterom te gaan. De donkere gang waar­van er een­t­je is na elk tweede huis, voelt koel aan. Som­mige stoeptegels steken schuin omhoog. Er groeit mos tegen de muren. Veel bak­ste­nen zijn afge­brokkeld. Het cement in de voe­gen is op ver­schil­lende plaat­sen verd­we­nen. De houten poort hangt scheef in de scharnieren.
Als ik op mijn tenen ga staan kan ik er net over­heen kijken. Ik zie moed­er in het zon­net­je zit­ten. Ze heeft een mand­je met aar­dap­pels op haar schoot. Een krant met wat schillen ligt half openge­waaid tegen de poten van haar stoel.
Zacht­jes open ik de poort om haar niet te lat­en schrikken.
Ver­heugd kijkt ze op als ze me herkent wan­neer ik uit de schaduw kom. Achter mij valt de poort ram­me­lend en piepend in het slot. Een gelu­id wat me alti­jd bijge­bleven is en wat ik koester.

Ik ver­tel haar over de reünie.
Dat ik Karin heb ont­moet.
“Och, is dat niet dat leuke meis­je wat je me een keer hebt aangewezen op een oud­er­avond?”
Ver­baasd kijk ik haar aan.
“Daar was je toen al zo gek op.”
“Wie zegt dat ik gek op haar ben?”
“Ach jon­gen van me. Ontken het maar niet. Ik zie het in je ogen.”
Een onder­druk­te grom doet me omdraaien. Vad­er zit een stuk­je verder. Hij heeft een woeste blik in zijn gezicht. Uit zijn mond­hoek hangt een beet­je speek­sel. Hij zal het niet echt warm hebben daar in de schaduw. De onver­stoor­bare houd­ing van mijn moed­er laat blijken dat ze niet van plan is de rol­stoel te ver­plaat­sen. Wraak past ons alle­maal.

Als ik aanstal­ten maak om te vertrekken fluis­tert ze me nog iets toe. Ik moet me wat naar haar toe­buigen om het te ver­staan.
“Je hebt toch geen gekke din­gen uit­ge­haald gis­ter­avond, jon­gen?”
Ver­baasd knik ik van nee. Hoe­zo?
“Bij de bakker vanocht­end hoorde ik Sjan van verderop, je weet wel, die met Har­rie is getr…”. Ongeduldig onder­breek ik haar door te vertellen dat ik weet wie Sjan is. Uit haar ver­haal maak ik op dat er gis­ter­nacht heel wat meer is gebeurd dan wat ik gedeel­telijk heb meegekre­gen. Het is geen doorsnee reünie geweest.
Met een kus neem ik afscheid.

Al die jaren heb ik mij afgevraagd wie mij aan de hand nam.
Ik had wel een idee.
Durfde dat echter niet toe te lat­en. Bang dat het dan fout zou gaan.
Alleen door niet te kijken wist ik dat zij het was.

Met een zoen word ik terugge­haald.
De gehele mid­dag is als in een roes aan mij voor­bij gegaan.
We hebben gespro­ken, gewan­deld, gegeten, gedronken.
Elka­ar aanger­aakt. Vingers ver­stren­geld.
Dit was geen inhalen van ver­loren tijd. Geen goed mak­en van fouten.

Het is tijd­loos.

Dan haar vochtige lip­pen tegen mijn wang. Op weg naar mijn mond. Ik open mij voor haar. Het pun­t­je van haar tong krult zich onder die van mij. Een wolk­je warme adem zweeft naar bin­nen. Doet liefde ver­men­gen met lust.
Een laat­ste aarzel­ing voor­dat ik haar achterover duw op het bed. Het jurk­je spant zich strak over haar lijf. Ik buig voorover en pak haar bei­der han­den. Leg ze boven haar hoofd. Wan­neer ik langs haar wang strijk, draait ze zich en zuigt mijn duim diep naar bin­nen. Onder­wi­jl bli­jft ze me aankijken. Ver­lei­delijk­er aan­moedig­ing is niet denkbaar. Ik buig verder voorover, pak haar borst vast en begin door de dunne stof van het jurk­je op haar tepel te ade­men. De warme lucht doet haar groeien en kre­unen. Ze tilt haar billen iet­wat omhoog zodat ik het jurk­je omhoog kan schuiv­en. Het slip­je stroop ik omlaag. Ik leg mijn hand tussen haar benen. Nat­te warmte. Haar ademhal­ing ver­snelt. Verder schuif ik het jurk­je omhoog en ont­bloot zo haar buik. Daar­na haar borsten. Kus haar navel.
Kleed mijzelf uit.
Ga naast haar liggen en pak haar hand vast. Ik draai opz­ij en

kijk haar aan.
Ik wist het!

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fic­tief is Hans.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Nachtelijke omzw­ervin­genMelan­choly Blues »