Klaar

Ik de jon­gen kijk rond in de kamer & zie mijn straat
Ik ben zeer hel­der al draag ik een don­ke­re baard
Al draag ik lich­te kle­ren weegt mijn lichaam zwaar
Aan mijn zoe­te, jon­ge heu­pen hangt het zwaard

der wra­ke dat hij voor mij draagt. In mijn ogen staar ik
naar hem, die niet bestaat, maar om wie het mij
gaat, want wie heeft hem niet bewaard? Ik laat hem
komen, loop door de kamer waar­in ik op hem wacht &

vraag: (1) wie ben je? (2) wie zal je wat? (3) wie wil je
zijn behal­ve mij? Wel­is­waar iemand, maar op ieder­een
na? Die ik ook heb wil­len zijn? Daar­om nu zie ik de macht

als de slui­er waar­ach­ter ik hem tot mij heb bedacht
Ja die de wol­ken door­scheen met het licht dat de zon
niet had ver­kracht. Ja die de won­der­zach­te won­de in me

hardt

Jacob Groot (1947)
uit: Lof­zang (2009)

 

Dit is zo’n gedicht waar­van ik de krie­bels krijg. Ener­zijds kan ik vol­op genie­ten van de indi­vi­du­e­le zin­nen die met speels gemak een mys­te­ri­eu­ze koorts­droom­ach­ti­ge sfeer oproe­pen. Ter­wijl aan de ander kant ik vol­loop van erger­nis omdat ik het niet vat­ten kan. De samen­hang niet zie.

het nodigt uit om
door te lezen
raak je ver­ward.

Hor­tend en sto­tend strui­kel­lees (vrij naar ‘strui­kel­hul’, een gewel­dig woord van Kees van Koo­t­en, waar­mee een besmuik­te strui­ke­ling bedoeld wordt die door het lij­dend voor­werp ver­huld wordt door even net te doen of er niets gebeurd is en pas een stuk ver­der­op qua­si-non­cha­lant om te kij­ken wat nu eigen­lijk de bij­na val ver­oor­zaakt had) ik mezelf naar het ein­de. Na een tijd­je is het omzien in ver­won­de­ring. En aan­schouw ik de net­te rij begrij­pe­lij­ke woor­den, vage zin­nen en ondoor­gron­de­lij­ke alinea’s.

Flar­den tekst zijn begrij­pe­lijk:
(1) Peter Pel­le­naars.
(2) Jacob Groot. In ver­war­ring bren­gen met dit gedicht.
(3) Peter Pel­le­naars.

Her­haal­de­lijk tij­dens het opnieuw lezen denk ik dat het hier een reli­gi­eu­ze erva­ring betreft.

Over het reli­gi­eu­ze aspect kan ik kort zijn. Daar heb ik geen fee­ling voor.
Ver­toe­vend in een mach­tig gods­huis kan ik bevan­gen wor­den door pracht en praal. Lezend in een reli­gi­eu­ze tekst raak ik onder de indruk van de goe­der­tie­ren­heid, wijs­heid, recht­vaar­dig­heid, en wat al niet meer. Maar meer ook niet. Tot zover gaat mijn reli­gi­o­si­teit. Bewon­de­ring, ja. Gelo­ven, nee. De vonk slaat niet over.
Een dui­vel­tje (die dan weer wel) op mijn schou­der blijft alert wij­zen op fana­tis­me, bekeer­zucht en star­heid.

Op de katho­lie­ke lage­re school nog wel mijn com­mu­nie gedaan. Ten tij­de van het Hei­lig Vorm­sel zaai­de mijn onge­lo­vi­ge vader ech­ter twee­spalt bin­nen het gezin. Ik mocht kie­zen tus­sen Vorm­sel of de Efte­ling. De keu­ze was snel gemaakt. God in al zijn goe­der­tie­ren­heid zou dit wel begrij­pen.
Toen de school­lei­ding er ach­ter kwam dat ik ver­stek zou laten gaan ble­ken zij min­der begrip­vol. Samen met de eni­ge pro­tes­tant­se leer­ling bij ons in de klas wer­den wij ver­ban­nen van de voor­be­rei­den­de les­sen en moch­ten ons elders ver­ma­ken met ein­de­lo­ze taal- en reken­oe­fe­nin­gen.

Mijn moe­der zag het met lede ogen aan. Heeft nog een tijd­je gepro­beerd via ver­ho­ging van het zon­dags­geld mij rich­ting kerk te lok­ken. Werd gre­tig aan­ge­no­men en snel­ler uit­ge­ge­ven voor­dat het kerk­ge­bouw bereikt was. Hielp dus niet mij op het hei­li­ge pad te krij­gen. Weer later kon zij zelf ech­ter de ver­lok­kin­gen die de tv begon te bie­den niet lan­ger het hoofd bie­den. Berouw kwam op late­re leef­tijd en als boe­te­doe­ning heeft ze nog een tijd gezon­gen in het kerk­koor maar is uit­ein­de­lijk vrij­wil­li­gers­werk gaan doen in het zie­ken­huis.

In mijn geval nooit geen berouw gevoeld, wat sug­ge­reert dat ik niet zon­dig zou zijn geweest. Indach­tig berouw komt na de zon­de.
Voel me pret­tig zo zon­der geloof wat mijn leven zin zou moe­ten geven. Laat ieder die er anders over denkt in hun waar­de. En hoop dat dat mij ver­vol­gens ook gegund wordt.

Zie de zon door de wol­ken schij­nen en zoek daar ver­der niets ach­ter.

~ ~ ~