Terwijl de wind scheen en de bij bromde

Vandaag treft mij vooral de laatste zin van onderstaand gedicht. Debet daaraan is het constante nieuws rondom het verscheiden van Michael Jackson.

Er valt niet aan te ontkomen. Elke zender een eigen terugblik (met helaas veel dezelfde beelden).

En, terwijl ik dit schrijf, de herdenkingsdienst die nu live (met ondertiteling, dat dan weer wel) op de tv te zien is. Waar naar verwachting zo’n 2,5 miljard mensen naar zitten te kijken. Als de voorspellers gelijk hebben. Het kan een miljoentje meer of minder zijn.

2,5 miljard mensen.
Zowat de halve wereldbevolking.
(de andere helft heeft geen tv?)

Op nu.nl lees ik:

De collectieve rouw rondom de dood van popicoon Michael Jackson bereikt dinsdag een piek van mythologische proporties.”
Dit zegt religiewetenschapper Thomas Quartier (1972), docent rituele studies aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij deed onderzoek naar popcultuur en ook naar rituelen rondom uitvaartplechtigheden.
Volgens Quartiers is de massale uitvaart van Jackson de eerste collectieve rouw om een popster van de generatie 30+, wereldwijd. Michael Jackson markeert een deel van ons gemeenschappelijk geheugen.

Dat is nu dus. (ik voel niets)

De mythologische proporties zullen niet alleen betrekking hebben op deze ongekende collectieve rouwpiek, maar ook op MJ zelf. Getuige Resolutie 600 waarin hij wordt voorgedragen als een officiële amerikaanse legende.

Mocht hij (nog) niet in de hemel zijn, dan doet iedereen erg zijn/haar best om hem een stukje op te hemelen. Dat komt wel goed.

Ik zet de tv uit en loop naar buiten.
Terwijl de wind scheen.
De bij bromde.
Dacht ik even niet aan MJ.

Bedankt, fluistert hij.
Ik ging

en had met alles
niets van doen.

Michael,
ik hoop dat je ‘een stil oogenblikje van geluk’ gevonden hebt…

Terwijl de wind scheen en de bij bromde,
‘n stil oogenblikje van geluk gevonden.
Daarna ging de lucht open en ik zag
duidlijk de boomen staan tot in den dag
in hun doorblankte grootheid vaag en ruig,
en ‘t heerlijk land der wolken vaag en stug
bedreven door grauw’ and’re, de zon scheen
en sloeg zich over in onmeetlijkheên.
Hoe doodgerust voelden mijn ooren toen,
ik ging en had met alles niets van doen.

Herman Gorter (1864-1927)
uit: Verzen (1903)