Middag

Een lome lam­lendig zich ein­de­loos voort­slepende mid­dag. Geen beweg­ing in de dag te kri­j­gen. Verveling over­heerst. Uren zijn traag voor­bi­jge­gle­den sinds je om kwart over drie voor het laatst op de klok keek. Toch is het nu nog steeds geen half vier.

Het grote verve­len. (nee, niet vervellen).

Zo ken­merk­end voor de lange schoolvakanties uit mijn jeugd.
Alti­jd was daar wel een dag (of reeks van dagen) waarin je gewoon­weg niet meer wist wat te doen.
Een hol­i­day­block.
Alles was saai. Ner­gens had je zin in. Niets kon je motiv­eren om op te staan van de plek waar je neergeze­gen was. Zek­er niet het geforceerde gezel­lighei­d­sof­fen­sief van je moed­er die je weer aan de gang probeerde te kri­j­gen. Of liev­er nog, naar buiten.

Om ruzie te voorkomen ging je naar je kamer. Waar je de rest van de dag wegverveelde. Zon­der dat je er spi­jt van had. Zo was je daar niet mee bezig. Het was de tijd van zorgeloos tijd­ver­doen. Je leefde in het nu.
Nu was saai.
Nu keek je naar het pla­fond. Uit het raam. Op alles neer.
Het maak­te niet uit. Er was niets ver­loren. Geen besef van tijd.

Je zet maar weer eens een plaat­je (van die ronde zwarte schi­jven) op.
Pakt de hoes erbij om de tekst te vol­gen.

Tick­ing away the moments that make up a dull day’
(herken­baar)

You are young and life is long and there is time to kill today’
(zo is dat)

And then one day you find ten years have got behind you’
(huh!?)

No one told you when to run, you missed the start­ing gun’
(hoe­zo?)

Weg met de zorgeloosheid. Je bent al te laat. Het start­sein gemist.

Ineens zoveel te doen. (ik heb nog zoveel te doen; ik moet…)

Je jeugd is voor­bij. Zorgeloos verve­len is voor jou niet meer weggelegd.
Voor­taan alti­jd dat sluimerend besef van schaamte. Het gevoel betrapt te kun­nen wor­den als je even niets doet. Kna­gend besef dat aller­lei zaken/dingen op je liggen te wacht­en. Uit­s­tel van.

Bin­nenko­rt breekt voor de meesten weer de zomer­vakantie aan. Hopelijk is er voor som­mi­gen toch nog een puur verveel­mo­ment weggelegd. Voor de rest zal het hoo­gu­it de tijd van het grote vervellen zijn.

Mid­dag

Ik zit aan ’t raam

Een paard kijkt stil naar bin­nen.
De vrouwen groeien in het licht
als lijzig wier.
De zon hangt laag en zwaar.
Ik denk een naam
en zie een machtig zwamgezicht.
De klok slaat vier.
De mid­dag rolt zich als een dier
ineen.

Paul Rodenko (1920–1976)
uit: Gedicht­en (1951)

Tags

(all tags)

Tweets