Melancholy Blues

  • Fictief

Lang­zaam rolt mijn auto door de stra­ten. Het raam­pje open­ge­draaid. Kil­le nacht­lucht drijft naar bin­nen, omhelst me en trekt kou­de spo­ren in mijn nek. Momen­ten waar­op ik naar een siga­ret snak. De radio staat afge­stemd op een zen­der met non-stop blues­mu­ziek.
Treur­mu­ziek voor ver­doem­de zie­len.

Ik zou mijn ogen dicht kun­nen doen en toch zon­der brok­ken te maken de juis­te weg naar huis weten te vin­den. Mits er nie­mand onver­hoeds zou over­ste­ken.
Bij de roton­de sla ik op de kort­ste manier links­af. Tegen de ver­keer­s­troom in. Een bal­da­di­ge manier om, ja om wat eigen­lijk? Levens­ge­vaar­lijk over­dag, maar op dit mid­der­nach­te­lijk uur in een god­ver­la­ten woon­wijk is het een sta­te­ment van niks. Dat ik de lam­pen en de radio uit­zet maakt het alle­maal niet echt span­nen­der.
In de ont­sta­ne stil­te komen de gelui­den van bui­ten naar bin­nen gewaaid. Samen met het gelijk­ma­ti­ge gehum van de auto­mo­tor. Ik hum wat mee.
Het helpt alle­maal niets tegen de melan­cho­lie.

Zodra ik de deur van Karins’ huis ach­ter me dicht­trok voel­de ik mezelf ver­an­de­ren. De opge­to­gen­heid. De ver­liefd­heid. De ver­trouwd­heid. De inti­mi­teit. Alles bleef aan de ande­re kant van de geslo­ten deur. Bleef ach­ter bij Karin als gezel­schap om haar te kun­nen troos­ten. Als zij mor­gen­vroeg…

Ik ver­dring de gedach­te.

Na enke­le minu­ten rijd ik bij­na geluid­loos en onzicht­baar het woon­erf op.
De oprit is leeg, maar ik par­keer de auto op de par­keer­plaats naast het huis. Er is wei­nig ruim­te door­dat de buur­man zoals gewoon­lijk zijn auto scheef in het vak heeft geplaatst. Ik over­weeg om met teveel geweld mijn por­tier tegen zijn auto aan te gooi­en. Maar laat dit ach­ter­we­ge.
Het eni­ge hoor­ba­re geluid is dat van de afkoe­len­de motor. Ik tik wat mee. Sluit het raam­pje en stap uit. Loop de oprit op en blijf staan. Kijk om me heen naar het ver­trouw­de beeld van de sla­pen­de hui­zen en tui­nen. De gepar­keer­de auto’s. De vuil­bak­ken. De lan­taarn­pa­len. En de bomen. Alles in die­pe rust. Als laat­ste kijk ik naar de maan. Vol en rond. Fel van licht. Don­ker­geel. Ver­wij­tend.
Ik ruik aan mijn vin­gers.
Lik en proef.
Karin.

Het leek als­of we bei­den jaren had­den droog­ge­staan. Nadat ik, bij­na tot mijn schaam­te, veel te snel was klaar­ge­ko­men en hij­gend naast haar was neer­ge­val­len, trok Karin me weer terug. Gul­zig begon ze me te zoe­nen. Reso­luut diri­geer­de ze mijn hand naar tus­sen haar benen. Haar bek­ken duw­de ze omhoog. Maak­te rond­draai­en­de bewe­gin­gen tegen de stre­ling van mijn vin­gers in. Ook zij had niet veel nodig om een eer­ste hoog­te­punt te berei­ken.
Uit­ge­put vie­len we in elkaars armen. Onze bezwe­te licha­men kleef­den aan elkaar. Het bon­kend rit­me van ons hart ging in gelij­ke cadans. Loom wis­sel­den we zoe­nen uit. Gaan­de­weg ging het harts­toch­te­lij­ker. Elk plek­je werd ver­kend. We zuch­ten, kreun­den, steun­den, kerm­den van genot. Uren gin­gen voor­bij. Het was een onge­ken­de erva­ring. Uit­ein­de­lijk vie­len we totaal bevre­digd in slaap.

Een­maal bin­nen laat ik de lam­pen uit. De gor­dij­nen zijn nog open en het maan­licht heeft vrij spel. Zet alles in een gelig schijn­sel. Hier en daar raap ik wat spul­len op die op de grond slin­ge­ren. De oud­ste poes heeft zich inmid­dels ver­waar­digd naar bene­den te komen om me te begroe­ten. Van de jong­ste is ner­gens iets te beken­nen. Uit de koel­kast pak ik een blik­je bier. Gul­zig sla ik het ach­ter­over. Drink het bij­na voor de helft in één teug leeg. Hou daar­na het koe­le alu­mi­ni­um tegen mijn voor­hoofd. In mijn nek. Neem nog een slok en giet dan de rest in de goot­steen. Spoel het blik­je uit.
Knijp het zover moge­lijk in elkaar.

Ik draal.
Wil niet naar bed.
Stel de och­tend uit.

Maar er is geen ont­ko­men aan.
De klok tikt onver­dro­ten ver­der.

Ik neem een dou­che. Gebruik veel dou­che­gel.
Speel wat met de tem­pe­ra­tuur.
Koud. Warm. Koud. Heet. Koud.
Droog me af.
Ruik onwil­le­keu­rig nog een keer aan mijn vin­gers.
Niets.
Tries­tig­heid beklemt mijn hart. Het staat stil.

De klok tikt door maar mijn hart staat stil.
Bij Karin.

… [nee, niet aan den­ken]

Een tik­je op mijn wang doet me ont­wa­ken. Eén paar groe­ne ogen kij­ken me strak aan. Knor­rend staat de oud­ste poes om aan­dacht te vra­gen. Fel­le zon­ne­stra­len schij­nen op mijn ont­bloot lijf. Het is onaan­ge­naam warm op de zol­der­ka­mer.
Een nieu­we dag. Zon­dag? Ik ben de tel kwijt.
Ik raak de grip kwijt. Ik tel niet meer mee.
Wat ga ik van­daag nog meer kwijt­ra­ken?

De tijd is in ieder geval 10.46 uur, zo zie ik op de wek­ker­ra­dio.
Ben slechts 1 uur en 46 minu­ten door de wek­ker gesla­pen.

Als ik opsta kijk ik auto­ma­tisch even uit het zol­der­raam naar bene­den. Er staat een auto op de oprit. Deu­ren gaan open en per­so­nen stap­pen uit. Gela­ten bekijk ik het. Iemand zwaait naar me. Ik zwaai terug.

Voor­dat ik goed en wel in de woon­ka­mer ben vliegt mijn jong­ste doch­ter me al om de nek. Ze over­laadt me met kus­jes. Haar oude­re zus­je staat het tafe­reel hoofd­schud­dend te bekij­ken.
Mijn vrouw stapt naar bin­nen. Kijkt me lachend aan. Heeft de kof­fers nog in de hand.
“Hoe was de reü­nie?” Is het eer­ste wat ze vraagt.

—————————————–

Geschre­ven voor De Reü­nie

Voor de vol­le­dig­heid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fic­tief is Hans.

~ ~ ~

Een palm voor elkaar
Drie­luik