Melancholy Blues

Deze blog­post is deel 8 van 14 in de serie De Reünie

Langza­am rolt mijn auto door de strat­en. Het raam­p­je openge­draaid. Kille nachtlucht dri­jft naar bin­nen, omhelst me en trekt koude sporen in mijn nek. Momenten waarop ik naar een sigaret snak. De radio staat afgestemd op een zen­der met non-stop blues­muziek.
Treur­muziek voor ver­doemde zie­len.

Ik zou mijn ogen dicht kun­nen doen en toch zon­der brokken te mak­en de juiste weg naar huis weten te vin­den. Mits er nie­mand onver­hoeds zou over­steken.
Bij de rotonde sla ik op de kort­ste manier linksaf. Tegen de ver­keer­stroom in. Een bal­dadi­ge manier om, ja om wat eigen­lijk? Lev­ens­gevaar­lijk overdag, maar op dit mid­der­nachtelijk uur in een god­ver­lat­en woon­wijk is het een state­ment van niks. Dat ik de lam­p­en en de radio uitzet maakt het alle­maal niet echt span­nen­der.
In de ontstane stilte komen de gelu­iden van buiten naar bin­nen gewaaid. Samen met het gelijk­matige gehum van de auto­mo­tor. Ik hum wat mee.
Het helpt alle­maal niets tegen de melan­cholie.

Zodra ik de deur van Karins’ huis achter me dicht­trok voelde ik mezelf veran­deren. De opge­to­gen­heid. De ver­liefd­heid. De vertrouwd­heid. De intimiteit. Alles bleef aan de andere kant van de ges­loten deur. Bleef achter bij Karin als gezelschap om haar te kun­nen troost­en. Als zij mor­gen­vroeg…

Ik ver­dring de gedachte.

Na enkele minuten rijd ik bij­na gelu­id­loos en onzicht­baar het woon­erf op.
De oprit is leeg, maar ik par­keer de auto op de par­keer­plaats naast het huis. Er is weinig ruimte door­dat de buur­man zoals gewoon­lijk zijn auto scheef in het vak heeft geplaatst. Ik over­weeg om met teveel geweld mijn porti­er tegen zijn auto aan te gooien. Maar laat dit achter­wege.
Het enige hoor­bare gelu­id is dat van de afkoe­lende motor. Ik tik wat mee. Sluit het raam­p­je en stap uit. Loop de oprit op en bli­jf staan. Kijk om me heen naar het vertrouwde beeld van de slapende huizen en tuinen. De gepar­keerde auto’s. De vuil­bakken. De lan­taarn­palen. En de bomen. Alles in diepe rust. Als laat­ste kijk ik naar de maan. Vol en rond. Fel van licht. Donkergeel. Ver­wi­j­tend.
Ik ruik aan mijn vingers.
Lik en proef.
Karin.

Het leek alsof we bei­den jaren had­den droogges­taan. Nadat ik, bij­na tot mijn schaamte, veel te snel was klaargekomen en hij­gend naast haar was neergevallen, trok Karin me weer terug. Gulzig begon ze me te zoe­nen. Res­olu­ut dirigeerde ze mijn hand naar tussen haar benen. Haar bekken duwde ze omhoog. Maak­te rond­draaiende beweg­in­gen tegen de strel­ing van mijn vingers in. Ook zij had niet veel nodig om een eerste hoogtepunt te bereiken.
Uit­geput vie­len we in elka­ars armen. Onze bezwete lichamen kleef­den aan elka­ar. Het bonk­end ritme van ons hart ging in gelijke cadans. Loom wis­selden we zoe­nen uit. Gaan­deweg ging het hart­stochtelijk­er. Elk plek­je werd verk­end. We zucht­en, kre­un­den, ste­un­den, ker­mden van genot. Uren gin­gen voor­bij. Het was een ongek­ende ervar­ing. Uitein­delijk vie­len we totaal bevredigd in slaap.

Een­maal bin­nen laat ik de lam­p­en uit. De gordi­j­nen zijn nog open en het maan­licht heeft vrij spel. Zet alles in een gelig schi­jnsel. Hier en daar raap ik wat spullen op die op de grond slin­geren. De oud­ste poes heeft zich inmid­dels ver­waardigd naar bene­den te komen om me te begroeten. Van de jong­ste is ner­gens iets te beken­nen. Uit de koelka­st pak ik een blik­je bier. Gulzig sla ik het achterover. Drink het bij­na voor de helft in één teug leeg. Hou daar­na het koele alu­mini­um tegen mijn voorhoofd. In mijn nek. Neem nog een slok en giet dan de rest in de goot­steen. Spoel het blik­je uit.
Kni­jp het zover mogelijk in elka­ar.

Ik draal.
Wil niet naar bed.
Stel de ocht­end uit.

Maar er is geen ontkomen aan.
De klok tikt onver­droten verder.

Ik neem een douche. Gebruik veel douchegel.
Speel wat met de tem­per­atu­ur.
Koud. Warm. Koud. Heet. Koud.
Droog me af.
Ruik onwillekeurig nog een keer aan mijn vingers.
Niets.
Tri­es­tigheid bek­lemt mijn hart. Het staat stil.

De klok tikt door maar mijn hart staat stil.
Bij Karin.

… [nee, niet aan denken]

Een tik­je op mijn wang doet me ont­wak­en. Eén paar groene ogen kijken me strak aan. Knor­rend staat de oud­ste poes om aan­dacht te vra­gen. Felle zonnes­tralen schi­j­nen op mijn ont­bloot lijf. Het is onaan­ge­naam warm op de zold­erkamer.
Een nieuwe dag. Zondag? Ik ben de tel kwi­jt.
Ik raak de grip kwi­jt. Ik tel niet meer mee.
Wat ga ik van­daag nog meer kwi­j­trak­en?

De tijd is in ieder geval 10.46 uur, zo zie ik op de wekker­ra­dio.
Ben slechts 1 uur en 46 minuten door de wekker ges­lapen.

Als ik ops­ta kijk ik automa­tisch even uit het zold­er­raam naar bene­den. Er staat een auto op de oprit. Deuren gaan open en per­so­n­en stap­pen uit. Gelat­en bek­ijk ik het. Iemand zwaait naar me. Ik zwaai terug.

Voor­dat ik goed en wel in de woonkamer ben vliegt mijn jong­ste dochter me al om de nek. Ze over­laadt me met kus­jes. Haar oud­ere zus­je staat het tafer­eel hoofd­schud­dend te bek­ijken.
Mijn vrouw stapt naar bin­nen. Kijkt me lachend aan. Heeft de kof­fers nog in de hand.
“Hoe was de reünie?” Is het eerste wat ze vraagt.

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fic­tief is Hans.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« She’s the oneEerst naar het zieken­huis »

Tags

(all tags)

Tweets