Later

Later is nog heel ver weg. Wie weet wat er op het pad onder­weg naar later alle­maal kan gebeu­ren. Daar­om heb ik eer­der beslo­ten om niet lan­ger op later te wach­ten.
Alles wat ik later nog wil doen daar hoef ik niet mee te wach­ten.

Nu was mijn wen­sen­pak­ket ook weer niet bui­ten­spo­rig groot. Wereld­rei­zen na mijn pen­si­o­ne­ring bij­voor­beeld heb ik nooit voor ogen gehad. Wil ik iets van de wereld zien dan kan ik ook van­daag een reis boe­ken. Schijnt zelfs his­to­risch goed­koop te zijn.
Meer tijd in mijn rela­tie ste­ken hoeft ook niet te wach­ten tot­dat een nader te bepa­len moment is aan­ge­bro­ken. Ergens heb ik iets gele­zen in de trant van ‘ver­liefd blij­ven’ is best moei­lijk, maar ‘lief doen’ ligt aan jezelf. (gewoon doen!, zou JP Bal­ke­n­en­de zeg­gen)

De belang­rijk­ste stap die ik mis­schien wel geno­men heb is om wat min­der tijd in mijn werk te ste­ken. Niet dat het altijd lukt (want ook wer­ken zelf vind ik een aan­ge­na­me bezig­heid), maar het stre­ven is con­ti­nu aan­we­zig. De vrij­ge­ko­men tijd pro­beer ik in te vul­len met bezig­he­den waar ik niet aan toe kwam, of die ik pas op een later tijd­stip voor me zag weg­ge­legd.

Eigen­lijk komt het er op neer dat ik later naar voren heb getrok­ken. Het is onder­deel van het nu gewor­den. Niks geen uit­stel meer. Hoe­zo een voor­ne­men heb­ben wat op die datum ingaat. Gewoon nu begin­nen als het zo belang­rijk is. Weg­gooi­en die siga­ret als je wil stop­pen. En wel nu. Aan­trek­ken die sport­schoe­nen en de fris­se bui­ten­lucht in als je wat aan je gezond­heid wil doen. En wel nu!

Let wel, dit is geen plei­dooi voor onge­remd alles doen en laten wat in je opkomt. Wat ik voor ogen heb is meer aan­dacht voor de ‘ver­stop­te ver­lan­gens’ en ‘hei­me­lij­ke wen­sen’ die in je bin­nen­ste slui­me­ren. Zaken die je tij­de­lijk gepar­keerd hebt omdat je denkt dat ze nu niet kun­nen. Dat de tijd er nog niet rijp voor is.

Beschouw ze eens wat nader en vraag je af of je er toch niet alvast een begin mee kunt maken. In wel­ke vorm dan ook. Zo kun je er alvast aan proe­ven. En mis­schien merk je dat het niets voor je is (bespaart je later een teleur­stel­ling omdat je er zo naar hebt uit­ge­ke­ken), of dat het al zoveel ple­zier en levens­vreug­de geeft dat je blij bent er mee begon­nen te zijn. Kun je er in ieder geval lan­ger van genie­ten.

Als je op deze manier tegen het leven aan kijkt dan merk je dat later ver­dwijnt. Je staat in het hier en nu, bezig met vol­le teu­gen van het leven te genie­ten. Je haalt uit het leven wat er in zit. En dan bedoel ik dat­ge­ne waar jij behoef­te aan hebt. Dat hoeft niet iets ver­he­vens te zijn maar kan ook net zo goed lek­ker schof­fe­len zijn in je volks­tuin­tje.

Het later waar je wel of niet naar uit­ziet is niet aan­we­zig. Kijk je nog steeds naar iets uit dan kun je je afvra­gen waar­om dat dat is. Kan het niet eer­der? Waar­om niet? Zelfs niet in een afge­zwak­te vorm? Wees cre­a­tief en pro­beer na te gaan welk die­per ver­lan­gen ver­stopt zit. En kijk of je hier weer mee ver­der kunt.
Pro­beer het maar eens.

Later kun je me nog altijd bedan­ken als het je iets heeft opge­le­verd.

Later

Later gaan we naast elkaar
wand’len op de Over­toom,
drin­ken zoe­te melk met room,
strij­ken door ons grij­ze haar.

Zie je ons daar samen lopen?
Naast elkaar — zo diep bedaard.
Jij, een lie­ve, oude taart.
Ik, nog kras — dat is te hopen…

Maar al wor­den we ook wrak­ken,
al dat vre­se­lij­ke snoe­ven
zal ten­min­ste niet meer hoe­ven.
Gaar of muf — we zijn gebak­ken.

En we zeg­gen: ‘Kijk, de tram.’
Of: ‘Hoor jij die vogel zin­gen?’
Al die nut­te­lo­ze din­gen,
want het hoeft niet meer ad rem.

En het hoeft niet meer zo rap,
want we moe­ten ner­gens heen.
Och, we wonen toch alleen
in zo’n rot­huis met een trap.

Ik beloof je, dat ik dan
het attent zijn aan zal leren.
En ik zal ook vaak pro­be­ren,
of je nog wel lachen kan,

lachen als een oude dame
die haar zeg­je heeft gezegd,
die, als ze wordt afge­legd,
zich voor nie­mand hoeft te scha­men.

Wel, wel, wel, zo zal dat gaan.
En we ster­ven, heel bedaard,
op een don­der­dag in maart.
Tege­lijk — daar hecht ik aan.

En als onze aard­se last
met de wereld gaat ver­groei­en,
zal uit jou een bloem­pje bloei­en.
Een viool­tje — dat staat vast.

Karel Bral­le­put (1913–1987)
uit: Fabrieks­wa­ter (1956)

~ ~ ~

Hup Zoe­te­melk!
De dagen