Eerst naar het ziekenhuis

Deze blog­post is deel 9 van 14 in de serie De Reünie

Voor veel mensen is kiezen net zoi­ets als het naderen van een T‑splitsing. Wordt het links? Of rechts? Met aangepaste snel­heid stevent men af op de con­frontatie met de twee opties. Men wikt, weegt en neemt een besliss­ing. Zek­er wan­neer je in de gelukkige omstandigheid ver­keert dat je enig idee hebt waar de reis naar­toe gaat, is het een een­voudi­ge han­del­ing. Waar­na men verder gaat op weg naar een vol­gend keuze­mo­ment. Omzien gebeurt zelden.

Dat beeld werkt echter niet voor mij. Naast links of rechts kun je in mijn belev­ing namelijk ook stop­pen en omk­eren. En als ik nog verder door­denk, dan is een weg in een land­schap, wel of niet geas­fal­teerd, niets anders dan een afspraak. Een con­ven­tie. Een streep op een stuk­je papi­er. Nie­mand die me tegen­houdt om recht­door te gaan (mits er geen sprake is van een diepe grep­pel).

Ik bedoel maar. Ik ben een tob­ber. Kiezen staat voor mij gelijk aan het besluiteloos ron­dri­j­den op een rotonde. Alle opties staan open. Niet zelden vlieg ik er dan vanaf omdat ik de macht over het stu­ur ver­lies. Door duize­ligheid bevan­gen.

Rond het mid­dagu­ur hield ik het niet meer uit thuis. Nadat ik de ent­hou­si­aste ver­halen van mijn dochters had aange­ho­ord over het fan-tas-tis­che week­end dat ze had­den gehad in het luxe Well­ness cen­trum, trokken ze zich terug in hun eigen kamers. Mijn vrouw was bezig haar kof­fer uit te pakken en ik besloot koffie te gaan zetten en een, iet­wat ver­laat ont­bi­jt te mak­en. Met een vol dien­blad liep ik door de kamer naar de tuin­deuren die nog ges­loten waren. Voorzichtig plaat­ste ik het blad op de salontafel. Ik schoof de gordi­j­nen open. Onverwachts fel zon­licht viel naar bin­nen en enkele ogen­blikken was ik totaal verblind. Mijn han­den nog aan de gordi­j­nen vastk­lam­p­end stond ik met dicht­geknepen ogen het duis­ter in te turen. Alle gevoel voor tijd verd­ween. Het leek alsof ik een omge­keerde laat­ste min­u­ut ervar­ing had. Niet mijn hele verleden flit­ste in één ogen­blik voor­bij, maar mijn toekomst. Tra­nen welden op. Daar was alle reden toe.

Mijn vrouw was het die me een geldig excu­us gaf om het huis te ontvlucht­en. Toen ik haar vertelde dat me zater­dag ter ore was gekomen dat een oud-klasgenoot na de reünie in het zieken­huis was beland, drong ze er op aan dat ik daar dan miss­chien maar naar toe moest gaan. Het leek me beter haar niet te vertellen dat ik vri­jda­gnacht zelf getu­ige was geweest hoe Lucia gevon­den was. Voor de schi­jn aarzelde ik, maar liet me uitein­delijk over­halen.

Niet veel lat­er reed ik doel­loos rond, me afvra­gend wat voor een idioot ik was om ons huwelijk op het spel te zetten. Want één ding was zek­er. Wan­neer mijn vrouw zou ont­dekken dat ik vreemd was gegaan, dan zou ze nog dezelfde dag vertrokken zijn. Met de kinderen. Hierover was ze alti­jd heel duidelijk geweest. Alleen het idee al bezorgde me een knoop in de maag.

Had ik dat er voor over om bij Karin te kun­nen zijn?

Karin. Naar wie ik alti­jd was bli­jven ver­lan­gen. Zo lang ik me kon heugen

Karin. In wiens armen ik me com­pleet gebor­gen had gevoeld.

Karin.
Die ik niets had verteld over mijn gezin. Over mijn getrouwd zijn.

Karin.
Die nu hoogst­waarschi­jn­lijk tot het bot toe gekrenkt zou zijn door mijn mis­selijke manier van ‘s nachts te vertrekken.

Ver­raad.
Voor de tweede keer.

Welke garantie had ik dat zij nog iets met mij te mak­en zou willen hebben?

Zon­der het te besef­fen was ik toch naar het zieken­huis gere­den. Eigen­lijk wilde ik er hele­maal niet zijn. Ik wilde alleen zijn met mijn gedacht­en. Met mijn wan­hoop. Zelfmedeli­j­den.

Op de par­keer­plaats waren niet veel plekken meer vrij. Er was een hoop bedri­jvigheid bij de ingang. Auto’s reden af en aan. Ik had geen idee wan­neer het bezoeku­ur was. De laat­ste keer dat ik hier had ges­taan was alweer enkele jaren gele­den. De auto had ik toen pal voor de uit­gang gepar­keerd. Het wacht­en was op mijn moed­er. Ze was bin­nen om de laat­ste for­maliteit­en te rege­len voor­dat ze met mijn vad­er naar huis mocht. Hij had hier enkele maan­den gele­gen om te her­stellen van de hersen­bloed­ing die hij thuis, aan de keukentafel natu­urlijk, had gekre­gen.

Toen ik mijn moed­er de rol­stoel met daarin mijn half ver­lamde vad­er door de draaideuren naar buiten zag duwen, schrok ik van de lompe manier waarop dat ging. Ik wilde op haar toelopen maar iets hield me tegen. Ver­bouw­ereerd keek ik hoe zij de spe­ci­aal voor rol­stoel­ge­bruik bestemde afrit negeerde en een stuk­je verder mijn vad­er het hoge trot­toir afreed. Bij het neerkomen stu­i­ter­de hij bij­na uit de stoel. Aan zijn schoud­er trok mijn moed­er hem weer recht. Bij de auto aangekomen keek ze mij aan met iets van tri­omf in haar ogen.
‘Ik heb me bedacht’, zei ze.
‘Ik ga lopen. Het is lekker weer. Dat zal vad­er goed doen.’
Voor­dat ik iets kon tegen­wer­pen was ze al vertrokken. Ik kon me niet aan de indruk ont­trekken dat ze elke onef­fen­heid opzocht om de rol­stoel er met veel bru­usk geweld over­heen te sturen. Het moest voor haar de ultieme wraak zijn na jaren van verned­er­ing en ver­waar­loz­ing.

Het was het­zelfde zieken­huis waar mijn broer gele­gen had na zijn ongeluk. En waar hij veel lat­er weer opgenomen was en uitein­delijk overleden. Zo’n soort zieken­huis dus. Een­t­je waar een hoop per­soon­lijk leed aan kleeft. Gelukkig waren mijn kinderen hier niet geboren.

Ik trok de stoute schoe­nen aan. Lucia was niet direct iemand waar ik erg aan gehecht was. Haar ken­nende zou deze gebeurte­nis geen vat op haar kri­j­gen. In mijn gedacht­en zag ik haar weer in een klaslokaal zit­ten. Onaan­tast­baar. Op het hooghar­tige af. Haar blik deed me alti­jd in elka­ar krimpen. Waarom zou ik haar opzoeken? Miss­chien was het ver­standi­ger om eerst even naar Jolan­da te vra­gen. Zij zou wel op de hoogte zijn van wat Lucia was overkomen. Daar­na kon ik nog alti­jd beslis­sen wat ik zou doen. Het vooruitzicht om Jolan­da te zien vrolijk­te me een beet­je op.

Vol van nieuwe daad­kracht liep ik door de draaideuren de donkere ont­vangsthal bin­nen. De warmte van de zon draaide achter mij terug naar buiten.

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fic­tief is Hans.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Melan­choly BluesKlaar in »

Tags

(all tags)

Tweets