Het zuigende moeras

Deze blog­post is deel 11 van 14 in de serie De Reünie

Pap.”


“Pap!”
“Ja, lieverd?”
“Waarom staan we hier zo lang stil?”

Ik kijk mijn oud­ste dochter aan voor­dat ik antwo­ord geef.

Zolang staan we hier anders nog niet, hoor.”
“Echt wel, kijk maar!” Trots wordt er vanaf de achter­bank een K3 hor­loge voor mijn gezicht gesto­ken. Het ben­gelt los­jes aan een te smalle pols. “Al 15 minuten.”

Het is zater­dag en we hebben bood­schap­pen gehaald. Luid kwebbe­lend had­den mijn dochters door de gang­paden gelopen en mij gewezen op aller­lei lekkere din­gen die vol­gens hen toch zek­er meegenomen moesten wor­den. Ondanks dat ze niet op het brief­je ges­taan had­den. “Jul­lie ver­geten wel vak­er iets”, had de oud­ste gezegd. Mijn vrouw was er niet bij, dus die kon ik niet om hulp vra­gen.

Tij­dens het inladen van de volle tassen zag ik in de verte een bek­ende gestalte. Het was Karin.
Ik bleef gebukt achter de auto staan. Wilde ik haar niet zien? Of dat ze mij niet zag? Nu ik me een­maal onwillekeurig voor haar had ver­stopt, durfde ik het niet meer aan om me plot­sel­ing te ver­to­nen. Met klop­pend hart bleef ik haar vanachter de auto bespieden hoe ze zich door het winke­lend pub­liek bewoog. Een helder licht in een gri­jze mas­sa.
De afgelopen dagen was het mij nog steeds niet gelukt om con­tact met haar te kri­j­gen. Sinds ik haar in het zieken­huis bij­na tegen het lijf liep heb ik haar niet meer gezien. Mijn tele­foon­t­jes wor­den niet opgenomen. Op de inge­spro­ken voice mails die ik achter­laat wordt niet gereageerd. Het wordt me met de dag duidelijk­er dat ze niets meer met te mak­en wil hebben. Ter­wi­jl deze afwi­jz­ing me steeds meer naar haar doet ver­lan­gen.

Snel was ik achter het stu­ur gekropen toen ik zag dat ze stil bleef staan en haar blik over het par­keert­er­rein liet gaan. Had ze me gezien? Herk­ende ze mijn auto? In ieder geval maak­te ze geen aanstal­ten om mij op te zoeken. Mocht ze me al ont­dekt hebben. Ze hing haar tas over de schoud­er, wierp een munt­je in het winkel­wa­gen­t­je en verd­ween de super­markt in. Mij achter­la­tend met mijn gedacht­en.
En de kinderen, natu­urlijk.

Zullen we een ham­burg­ert­je gaan eten?” Het klinkt te vrolijk. Te geforceerd. Alleen de jong­ste trapt er in. Zet met een hoog stem­met­je vrolijk gejuich in.

Wie was die vrouw?”
“Die vrouw? Welke vrouw?”
“Waar je daar­net zo naar zat te staren.”
“Oh, die. Iemand van vroeger. Van school. Ik had haar weer bij de reünie gezien.”
“Wat is dat? Een re… reju… een reju­u­nie”, mengt de achter­bank zich in het gesprek.
“Waarom ver­stopte je je dan achter de auto?”

Opeens klinkt ze bezorgd. “Pap?”
“Ja, lieverd.”
“Drink je weer?”
“Nee hoor, schat.” Te snel. Te doorzichtig. Vooral met de aankopen zojuist bij de sli­j­ter­ij gedaan als bewi­js­last achter in de kof­fer­bak. Liegen tegen mijn kinderen. Hoe lang was het gele­den dat ik het voor het laatst gedaan had?
“Ga je dan weer op vakantie, pap?”, klinkt het vrolijk vanaf de achter­bank. Het hoge stem­met­je sni­jdt als een vleesmes door mijn ziel.
“Wil je me alsje­blieft geen lieverd of schat meer noe­men, pap. Daar ben ik nu toch echt te oud voor.” Ze laat wijselijk in het mid­den of ze me gelooft.

Wan­neer ze lat­er aan een tafelt­je van hun ham­burg­er menu’s zit­ten te geni­eten, ga ik naar het toi­let. Op de terug­weg loop ik snel even naar de auto. Enkele flinke slokken whiskey bren­gen me de rust waar­naar ik snak vanaf het moment dat ik Karin zag. Als ik de klep dicht­doe kijk ik door het raam in de hemels­blauwe ogen van mijn oud­ste dochter. Dezelfde ogen als haar moed­er. Diezelfde ogen die me jaren gele­den als bak­en had­den gedi­end bij een ultieme ontsnap­pings­poging uit mijn alco­holisch moeras.

Beschaamd sla ik mijn ogen neer en loop terug naar het restau­rant. Mijn hoofd vol excus­es en uitvlucht­en. Wat ga ik mijn dochter vertellen? Wat weet ik eigen­lijk hoeveel zij heeft meegekre­gen in al die jaren dat ik er her­haaldelijk niet voor hen kon zijn?
Plots getoeter rechts van me. Een auto op zoek naar een par­keer­plaats schept me bij­na. Ter­nauw­er­nood kan ik ‘m ontwijken. Als ik omk­ijk begint het me te duize­len. De drank is hard­er gevallen dan ik had verwacht. Gespiegelde ontwen­ning…
Wanke­lend her­vat ik mijn gang naar het restau­rant. Om tegen de eerste de beste voet­ganger aan te lopen. Ik besef dat mijn gemom­pelde excus­es gewikkeld zijn in een deken van alco­hol. Gehaast maak ik mij uit de voeten. Pas bij de ingang van het restau­rant durf ik om te kijken. Was het echt Luna waar ik tegen aan liep?

Het moeras begint weer te zuigen en te trekken. Wie kan me deze keer komen red­den?

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fic­tief is Hans.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Klaar inGuardian Angel »

Tags

(all tags)

Tweets