Wabi man

  • Fictief

Zorg­vul­dig bekeek hij één voor één het hand­je­vol spij­kers. Na een eer­ste selec­tie hield hij er vijf over die geschikt zou­den zijn. De cri­te­ria waren hem bekend.

Hij maak­te een plek­je vrij op de tafel en nam plaats op een keu­ken­stoel. Lang­zaam boog hij zich voor­over tot­dat hij met zijn voor­hoofd het tafel­blad raak­te. De geur van het onbe­han­del­de eiken­hout zocht een weg naar bin­nen. Aan­moe­di­gin­gen ste­gen op. Alleen hoor­baar voor hem. Hoor­baar sinds kort.

Met tegen­zin ging hij weer recht­op zit­ten. Twee oplich­ten­de pun­ten ver­tel­den hem waar hij de spij­kers moest plaat­sen. De eer­ste bleef net­jes staan. Maar num­mer twee en drie vie­len om zodra hij ze op de nog vrije plek wil­de zet­ten. Hij pak­te de twee res­te­ren­de en bekeek ze nog eens van dicht­bij. Ver­vol­gens leg­de hij er een­tje apart en zet­te de over­ge­ble­ven spij­ker recht­op.

Nog een laat­ste keer keek hij om zich heen. Ergens voel­de hij her­ken­ning. Maar waar­voor was hem al ont­gaan. Kon hem ook niet meer sche­len. De over­gang was al gemaakt. Het was tijd voor de laat­ste stap.
Voor­dat hij het hoofd opnieuw rich­ting tafel bewoog, voel­de hij ach­ter zich aan de rug­leu­ning. De jas hing al klaar. Een groe­ne was het. Met capu­chon. Zoals opge­dra­gen.

Er was wei­nig druk voor nodig om zijn ogen te spiet­sen op de recht­op staan­de spij­kers. Een lich­te wei­ge­ring sid­der­de door zijn lijf, een frac­tie van een secon­de voor­dat de net­vlie­zen met een zach­te plop bra­ken. De laat­ste stuip­trek­king van zijn oude ik.
Vast­be­ra­den liet hij zich ver­der zak­ken over de scher­pe pun­ten. Oog­vocht droop als tra­nen van eufo­rie langs het kou­de staal naar bene­den.
Zijn nieu­we ik kus­te het ver­trouw­de, voch­tig gewor­den hout.

De ver­an­de­ring was inge­zet.

Een nieu­we Wabi was gebo­ren.

~ ~ ~