De legende

 En zo kon het gebeuren dat de oud­ste zoon van de boswachter vero­ordeeld werd wegens het overtre­den van het streng­ste gebod in Wabi­land:

Gij zult uw ogen terned­er­slaan tij­dens het passeren van uw prins­es Ajali.”

Op een vroege ocht­end ergens in mei, ter­wi­jl de lucht bezwangerd is van nieuw lev­en, is de beul gereed om het von­nis te voltrekken. Een kuil was al gegraven.

In de zom­pige grond vor­men zich kleine plas­jes water. Gevoed door donkerzwarte drup­pels die zich vanu­it de wan­den naar buiten wur­men om dan traag naar bene­den te gli­j­den. Soms laat zo’n drup­pel zich het laat­ste stuk­je vallen en klinkt vanu­it de kuil een zacht plokkend gelu­id. Gelijk het tikken van een klok. De rech­top staande paal werpt een lange schaduw.

Bij­na zes uur. Een haan kraait. Het gelu­id doet de verza­melde menigte besef­fen dat het niet lang meer zal duren. Voor­dat het zou begin­nen. Voor­dat het afgelopen zou zijn. Nie­mand durft de boswachter en zijn vrouw aan te kijken. Zij staan iet­wat apart. Samen met hun overige kinderen. Nu al paria’s. Bin­nenko­rt zullen ze het dorp moeten ver­lat­en. Van­daag mogen ze getu­ige zijn.

De zon kan nog zo haar best doen maar het bli­jft een ver­doemde dag. Eerder wordt zij vervloekt door de huiswaarts kerende dor­pelin­gen. Deze dag past slechts duis­ter­n­is. Storm en regen. Hagel. Een grote zond­vloed zou welkom zijn om alles weg te wis­sen. Weg van de aard­bo­dem. Weg uit de herin­ner­ing.

Maar het is heer­lijk weer. De hond van de beul ligt zich onder de sni­jtafel te goed te doen aan één van de tien vingers die vakkundig zijn ver­wi­jderd. De beul zelf neuri­et een pop­u­lair deun­t­je tij­dens het schoon­mak­en van diezelfde tafel. Bijl, hamer en overige spijk­ers zijn al opge­bor­gen. Wan­neer de laat­ste spullen zijn inge­laden klimt hij op de kar, roept z’n hond en geeft het paard de teugels. Zon­der om te kijken rijdt hij over het nu hele­maal ver­lat­en bospad richt­ing de ommuurde stad. De rest van de dag is hij vrij.

De eerstvol­gende dagen gaan voor­bij zon­der dat ook maar iemand de plek des onheils durft te naderen. Het lijkt of zelfs de dieren uit het bos en de vogels zich er niet dur­ven te ver­to­nen. Pas op de vijfde dag na het von­nis komt vanu­it de stad een figu­ur te paard richt­ing het bos gere­den. Het is de dochter van de kon­ing. Zij die niet aan­schouwd mag wor­den. Zon­der begelei­d­ing is ze stiekem vertrokken vanu­it het kas­teel om zelf te gaan zien welke straf haar vad­er heeft uit­ge­spro­ken. Over de jonge­man die het gebod genegeerd had. En die haar hart gestolen had.

Al vanu­it de verte ziet zij haar geliefde staan.
Tot zijn knieën inge­graven.
Vast­ge­bon­den aan de paal om te ver­hin­deren dat hij zou omvallen.
Zon­der vingers om te belet­ten dat hij de spijk­ers uit zijn ogen zou kun­nen ver­wi­jderen.

Zo staat hij daar.
Tussen de bomen.
Zelf een boom. Niet­sziend.

De prins­es laat zich van haar paard vallen en rent stru­ike­lend naar hem toe. Huilend omhelst ze hem. Een­maal op adem gekomen fluis­tert ze in zijn oren hoeveel ze van hem houdt en hoe het haar spi­jt wat hem is aangedaan.
Antwo­ord kri­jgt ze niet terug. Want ook zijn tong is ver­wi­jderd.

Het enige wat hij doet, is wild schud­den. Alsof hij probeert haar van zich af te weren. Uit zijn keel klinken grom­mende gelu­iden. Troos­t­end kust ze hem op de mond. Om hem zo weer rustig te kri­j­gen.

De prins­es probeert zo vaak mogelijk ongezien haar geliefde te ont­moeten. Ze neemt water en bosvrucht­en mee om hem te voe­den. Vertelt lieve ver­haalt­jes om hem af te lei­den. Aait hem over­al om de pijn te ver­licht­en. Maar het ont­gaat haar niet dat het weinig helpt. De boswachter­szoon gaat zien­dero­gen achteruit. Ze weet dat ze niet veel tijd meer heeft.

Op een dag neemt ze een besluit. Die nacht glipt ze opnieuw uit het kas­teel en vertrekt naar het bos. Daar aangekomen ont­doet ze zich van al haar kleren. Huiv­erend staat ze naakt in het heldere licht van de volle maan. Zon­der aarzel­ing loopt ze op de ver­doemde jonge­man toe die ongewis is van wat hem gaat overkomen. Ze maakt zijn broek los en trekt die naar bene­den. Pakt zijn ges­lacht in haar hand. Stroef komt het tot lev­en. Ze sprei­dt haar benen, gebruikt wat speek­sel en laat zich zacht­jes op hem zakken.

Toen de boswachter­szoon het echt niet meer kon ophouden kwam hij diep bin­nen in haar tot ont­lad­ing. Hij wist dat haar lot nu bezegeld was. Het was hem niet gelukt haar te waarschuwen. De vloek over hem uit­ge­spro­ken door haar vad­er had waarschi­jn­lijk nooit haar oren bereikt.

Hij voelt hoe zij voorzichtig van hem afstapt. Hij hoort hoe zij lieve woord­jes tot hem spreekt. Over hun kindert­jes. Die zij zal opvoe­den als hij er niet meer is. Dat ze hem nooit zullen ver­geten. Alti­jd bli­jven herin­neren. Nadat ze weer is aangek­leed, kust ze hem een laat­ste maal en rijdt dan weg. De donkere tra­nen die zich uit zijn ogen had­den gewur­md had ze weggeveegd.

De ver­sti­jv­ing is inmid­dels totaal. Niet alleen van zijn lid. De vloek is uit­gekomen. Uit­ge­spro­ken ten over­staan van de verza­melde dor­pelin­gen.

Veran­deren in een houten man zult gij.
Voor alti­jd zijnde gelijk een boom.
En wee eenieder die zal tra­cht­en te helpen.
Slechts één aan­rak­ing en die ver­doemde zal het­zelfde lot onder­gaan.”

Het was nog steeds mei. Een hoop lev­en ging ver­loren deze maand. Maar de eerste Wabi man was geboren.

~ ~ ~