Sunrise!

Zal ik ooit over mijn ergste nachtmerries durven schrijven?

Niet nu.

Nee! Niet nu ik er bijna ben!

Krachtig duw ik me omhoog. Mijn handen glippen weg op de lauwwarme zachte brij. Struikelend probeer ik overeind te komen. Weg uit de klauwen van mijn achtervolgers. Ik weet dat het nog slechts een klein stuk is tot aan de duinen. Vóór mij kan ik al enkele lichtstralen zien die door de dichte begroeiing heen als een lichtbaken fungeren. Een vuurtoren die mij over land naar de veilige zee zal loodsen.
De jungle is veranderd in één grote graaiende krijsende massa. Maar haar krachten nemen af. Het taaie is verdwenen. De weerstand die ik voel wordt weker, slapper. Ik kan me los blijven rukken. Ruk ledematen los. Blijf rennen. Gooi alles van me af.
Nog enkele meters.
Met een luide schreeuw duik ik voorover door de donkergroene muur. Het voelt alsof ik uitgespuugd wordt. De zonnige wereld in.

Rollend en tollend tuimel ik de duinhelling af naar beneden, richting strand. Ik doe geen moeite om mijn val te breken. Ben toch al kapot. En blijf uiteindelijk liggen aan de voet van de zandhelling. Op mijn rug.

Met mijn handen grijp ik in het zand. Laat het tussen mijn vingers glijden. Het is nog koel. Verkoeld het branderige gevoel. Langzaam kom ik op adem.
Ik draai me om en laat me nog een stukje naar beneden glijden. Ga dan rechtop zitten. Met mijn rug naar het oerwoud. Negeer de kreten en concentreer me op de rijzende zon aan de einder. Haar stralen verwarmen mijn gezicht. Doen mijn tranen verdampen. Maar het kan mijn snikken niet onderdrukken.

Als het geluid achter mij helemaal verstomd is, sta ik op. Klop het zand van me af en bekijk mijn handpalmen. Grote blaren wellen op, vol geel vocht. Onder mijn nagels zitten stukjes groene derrie. Lange bloederige krassen heb ik niet alleen op mijn armen maar ook op mijn benen. De zogenaamde beschermende kleding die ik droeg is finaal aan flarden. Daar zal men van opkijken.

Onder een oranjeblauwe lucht loop ik naar de zee. Het lijkt eb. Op sommige plekken staat nog water. De zon heeft het al opgewarmd, zodat het niet de verkoeling geeft die ik zoek. Ik loop verder. Hoog in de lucht zweven meeuwen. Als ik ze volg word ik verblind wanneer ze voorlangs de zon vliegen. Paniekgolven overspoelen me meteen in deze plotselinge donkerte. Ik ben terug in de jungle. Maar net zo snel is het weer over. Koele likjes water kabbelen over mijn blote voeten. Het licht verdringt de duisternis. De meeuwen zijn verdwenen. Het water staat mij aan de enkels. Helen de wonden.

Zo blijf ik staan. Vol bewondering starend naar de alsmaar hoger opgaande zon.
Dan kom ik in beweging.

De zee voert water aan en zand af. Zou het eiland op den duur verdwijnen?
Of voert zij zand aan en water af?
Ben ik nog steeds op het eiland zolang mijn voeten vaste grond voelen?

Vlak voordat het water zich boven mij sluit hoor ik weer de meeuwen. Veraf maar toch dichtbij.
Zonlicht dringt dieper door dan ik gedacht had.

~ ~ ~