Overtocht

Peinzend staart Achmed omhoog. Vanu­it linkson­der in zijn blikveld ver­schi­jnt een witte stip die een kaarsrechte snee lijkt te trekken door de strak­blauwe lucht. Snel nadert het een vergelijk­bare stip die al eerder was ver­sch­enen. Vanu­it de rechter bene­den­hoek. Het cha­gri­jnige gevoel van eerder die dag is overge­gaan in opwind­ing. Ondanks dat hij met het ver­keerde been uit bed was gestapt, kon het miss­chien toch nog wel zijn geluks­dag wor­den.

Achmed probeert te voor­spellen waar de twee stip­pen elka­ar zullen rak­en. Zijn mobielt­je had hij al tevoorschi­jn genomen en de cam­era geac­tiveerd. Hij kijkt op het dis­play en zoekt het ver­moedelijke punt van de bots­ing. In gedacht­en is hij bij de krant van mor­gen. Met zijn foto op de voor­pag­i­na. Wat zou dat opbren­gen?

De twee vlieg­tu­igen naderen elka­ar zon­der vaart te min­deren. Achmed drukt het foto­knop­je half in. Nog hoo­gu­it enkele sec­on­den. Onbe­wust telt hij af. Drie. Twee. Eén! En drukt het knop­je hele­maal in. Klik!
Daar­na bli­jft het stil.

Even denkt Achmed dat de klap op zich laat wacht­en van­wege de afs­tand die het gelu­id moet over­bruggen.
Maar hoog in de lucht ver­vol­gen de vlieg­tu­igen elk hun eigen weg. Onver­stoor­baar trekken ze een kruis door zijn snode plan­net­je.

Nog een tijd­je bli­jft Achmed naar twee witte strepen op het dis­play kijken. Het zouden de gesprei­de benen van een pass­er kun­nen voorstellen. Dan wist hij de foto.
Daar was hij mooi inge­tuind.

Hij gaat weer naar bin­nen. In de huiskamer zit zijn vad­er op de bank. De tv staat afgestemd op een sportzen­der. De train­er van Fei­jeno­ord is te zien. Wat Achmed betre­ft de ver­keerde club.
“Achmed! Kom eens hier.”
“Ja?”
“Hoe kri­jg ik teletekst op tv? Ik wil de vlucht van oom Has­san check­en.”

Achmed zet teletekst aan en zoekt naar de vlucht­in­for­matie.
“Waar gaat oom Has­san naar toe?”
“Naar Ameri­ka.”
“Ameri­ka? Aan dat land heeft hij toch zo’n hekel?”
“Klopt”, zegt zijn vad­er lachend.

De vol­gende dag fietst Achmed al vroeg op de ocht­end naar school. Buiten adem gooit hij zijn fiets in het fiet­sen­hok. Op het school­plein zoekt hij zijn vrien­den op. Onder­tussen repeteert hij nog­maals het onwaarschi­jn­lijke ver­haal van zijn oom Has­san en de aanslag in het vlieg­tu­ig. Hij besluit te wacht­en tot het onder­w­erp ter sprake komt. Dat kon nooit lang duren.

Hé, hebben jul­lie dat nog geho­ord van die mis­luk­te aanslag gis­ter?”
“Natu­urlijk.”
“Wat een sukkel.”
“Wat had hij ook alweer gedaan? Explosieven op zijn been geplakt?”
“Ja, en toen geprobeerd met een injec­tiespuit te lat­en ont­plof­fen.”
“En waarom is dat mis­lukt dan?”
“Zek­er in zijn ver­keerde been geprikt.”
“Haha­ha.”
“En toen hebben ze hem over­mees­terd.”

Het was mijn oom.”
“Huh!?”
“Jouw oom!”
“Ja.”
“In dat vlieg­tu­ig?”
“Ja!”
“Jam­mer dat het niet gelukt is.”
“Wat?”
“Die aanslag.”
“Nee joh, hij heeft meege­holpen de dad­er te over­meesteren.”
“…”
“Haha, had ik jul­lie even mooi te pakken.”