Dislocated

Zal ik ooit over mijn erg­ste nacht­mer­ries dur­ven schri­jven?
Niet nu.

Sneeuwvlokken dwar­re­len naar bene­den. Op mijn uit­gesto­ken tong probeer ik ze te van­gen.

In de vijver hap­pen de vis­sen naar de vlok­jes net voor­dat ze het water rak­en. Ze stoten wolk­jes uit die weer omhoog sti­j­gen. Tegen de sneeuw­stroom in. Over de schut­ting naar de buren. Daar is de buur­man met zijn ket­tingza­ag bezig. Met een ferme ruk aan de startk­a­bel weet hij het appa­raat aan de praat te kri­j­gen. Ronk­end en rok­end komt het tot lev­en. Om dood en verderf onder de opgestapelde boom­stam­men te zaaien. Wan­neer het zaag­blad zich uit­ge­hongerd in de eerste stam graaft over­sti­jgt het gegil dat van de razende ben­zinemo­tor.

Dan schrik ik wakker.
Alti­jd die eerste momenten van des­oriën­tatie. Ogen die moeten wen­nen aan de donkerte. Voor­dat ze vertrouwde vor­men ont­waren.

Ik lig op mijn rechterz­ij. Zal me dus moeten omdraaien om de wekker­ra­dio te kun­nen zien op het nachtkast­je. Wat niet lukt. Het is weer eens zover. De laat­ste weken overkomt me dit steeds vak­er. De fysieke onmacht om te kun­nen draaien. Alsof mijn schoud­er uit de kom is en ik geen kracht kan zetten. Durf te zetten. Omdat ik nog niet geheel terugge­keerd ben uit dromen­land en de illusie sterk­er is dan de realiteit.

De beste reme­die is bli­jven liggen tot­dat het gevoel wegtrekt. En het dan opnieuw proberen. Lastig, maar ik ben er onder­tussen aan gewend ger­aakt.

In het donker over­denk ik hoe ook deze keer weer de gelu­iden van buiten net­jes een plaats hebben gekre­gen in mijn droom. De buur­man is er van­daag vroeg bij met het zagen van zijn haard­hout. Hoe laat zou het zijn? Ik weet zek­er dat het alarm nog niet is afge­gaan.

Nog­maals probeer ik me om te draaien. Een sner­pende pijn­scheut schi­et vanu­it mijn schoud­erblad in mijn achter­hoofd. Het is onverwacht en geheel niet in lijn met eerdere ervarin­gen. Ik kan een schree­uw van pijn niet onder­drukken.

Het gelu­id van de ket­tingza­ag houdt aan. Lijkt eerder van een verdieping onder mij te komen dan van buiten. Naast mij is het bed leeg. De dekens zijn niet terugges­la­gen. Alsof er nie­mand in ges­lapen heeft, ter­wi­jl we de vorige avond geza­men­lijk in slaap gevallen zijn.

De gelu­iden. Iets klopt er niet.

Het gegil van de boom­stam­men! Dat is nog steeds te horen. Niet van buiten. Ergens vanu­it het huis sti­jgt door­drin­gend gekri­js door tot de slaap­kamer op zold­er.

Wan­hopig probeer ik me nu te ver­plaat­sen. Niet zozeer meer om te zien hoe laat het is, maar om uit te vin­den wat er aan de hand is. Deze nieuwe pogin­gen om te draaien zijn nog pijn­lijk­er dan de vorige. Hij­gend bli­jf ik liggen. Ben even bang dat ik het bewustz­i­jn ver­lies.

Het vol­gende moment is alles stil in huis. Door mijn betraande ogen probeer ik opnieuw de kamer in mij op te nemen. De gedachte dat ik alles ged­roomd heb en nu ein­delijk kan omdraaien wordt bru­ut ver­sto­ord als zware voet­stap­pen op de trap weerklinken. In paniek draai ik me abrupt om. Een knap­pend gelu­id weerklinkt wan­neer mijn schoud­er uit de kom gerukt wordt. Alsof een dorre tak wordt los­ge­bro­ken van een stam. Ik gil het uit van de pijn.

Buiten de slaap­kamerdeur wordt een ket­tingza­ag ges­tart.

Met mijn nog goede arm veeg ik de tra­nen uit mijn ogen. Maar ook dan kan ik de wekker­ra­dio ner­gens vin­den. De ramen zit­ten niet op hun gebruike­lijke plaats. Sowieso lijkt deze kamer in niets op onze slaap­kamer.

De deur gaat open. Bescher­mend sla ik mijn arm voor mijn ogen tegen het scherpe licht wat bin­nen valt.

Waar ben ik?, is een laat­ste gedachte voor­dat het zaag­blad zich uit­ge­hongerd in mijn lijf graaft.

~ ~ ~