Het is beter zo

Deze blog­post is deel 14 van 14 in de serie De Reünie

Euforisch door­breek je het waterop­per­vlak. Gulzig hap­pend naar adem om onmid­del­lijk in ver­stikkend geproest te ger­ak­en. Weg bevri­j­dend gevoel. Wan­hopig probeer je het hoofd boven water te houden. Je merkt dat je aan het eind van je kracht­en bent ger­aakt. Het zal slechts een kwest­ie van tijd zijn.

Met wel­haast boven­menselijke inspan­ning was het je gelukt de neer­waartse tocht om te zetten in een vlucht naar boven. De ver­rader­lijke stilte en het rust­gevende zwart had­den je in slaap gewiegd. In foe­tushoud­ing en met je armen om de knieën ges­la­gen zak­te je langza­am naar bene­den. Dit was zoveel beter. Voelde zoveel relax­ter dan de onmacht bij alle hec­tiek buiten dit veilig omhulsel. Hier wilde je nooit meer van­daan. Waarom zou je?

Toch bli­jft het wrin­gen en wroeten in je hoofd. Het is nog te vroeg. Je bent nog niet klaar daar­boven. Met gesprei­de armen klap­wiek je je weg terug. Als je maar niet te laat bent.

Op de oev­er staan omstanders te kijken naar je ges­par­tel. Waarom helpt er nie­mand? Ver­twi­jfeld steek je een hand uit. Gaat opnieuw kop­je onder. Dan zie je hoe iemand zich uit de groep los­maakt en het water inspringt. Ein­delijk. Red­ding.

Pap?”
“…”
“Tot ziens. Ik zal je mis­sen.”
“…”
“Het is beter zo.”

Ik focus op het gezicht van mijn oud­ste dochter. Ze staat over mij heen gebo­gen. Haar ogen zijn vochtig. Ik wil me opdrukken om haar te omar­men. Maar dat lukt niet. Roer­loos bli­jf ik liggen. Als ze langza­am achteruit loopt zie ik meer mensen in de kamer staan. Een paar herken ik, waaron­der mijn vrouw. Ze kijkt me aan. Heeft een hand voor haar mond ges­la­gen. Met de andere hand houdt ze mijn jong­ste dochter vast.

Het lukt me mijn hoofd een beet­je op te tillen. Ik kijk over mijn vast­ges­no­erde lichaam richt­ing mijn voeten. Daar staat een breedgeschoud­erde ambu­lance­broed­er achter de bran­card. Ik ver­moed een zelfde per­soon achter mijn hoofd.
Wat is er mis gegaan?

Natu­urlijk. Het drinken was almaar erg­er gewor­den. De laat­ste dagen. Weken? Welke dag was het van­daag? Straks eens even vra­gen. Maar om me daarom vast te binden!
“Maak me onmid­del­lijk los!,” schree­uw ik.
En ook:
“Wat is hier aan de hand?”

Waarom kri­jg ik geen antwo­ord?”
En nog veel meer.

Mijn vrouw bespreekt iets met mijn twee dochters. De jong­ste kijkt vanu­it haar ooghoeken naar mij. Zwaait met haar knuffel naar me. Ik zwaai terug. Oh nee, dat kan niet.
“Kom eens even hier bij mij,” roep ik dan maar. Al heb ik me er onder­tussen bij neergelegd dat nie­mand me kan horen.

Ik lig hier dan wel, maar doe voor­lop­ig niet meer mee.
Uit­gerangeerd, nadat ik weer op het ver­keerde spoor ben ger­aakt. Mezelf een delir­i­um gedronken. Zoveel is me wel duidelijk gewor­den. Gevan­gen in een helder moment tij­dens dagen­durend aan­houdende dronken­schap besef ik dat me een opname staat te wacht­en. Het eind­punt van mijn geforceerde ontsnap­ping naar daar waar ik geen ver­ant­wo­ordelijkheid meer hoef te nemen is aanstaande.

De reünie was het slecht­ste wat me ooit kon overkomen. Alleen voor Karin ben ik gegaan. Alleen door Karin is mijn moeiza­am opge­bouwde veilige wereld­je com­pleet ingestort. Jaren van zorgvuldig bouwen en tim­meren aan een nieuwe façade bin­nen enkele sec­on­den teni­et gedaan. Ik ging als een vol­wassen man, maar keerde terug naar huis als die onzekere jon­gen waar­van ik dacht dat hij niet meer bestond. Niet mijn eerste ver­giss­ing. De vol­gende was opval­lend snel gemaakt. En smaak­te naar meer. Daar­na was het niet meer te stop­pen.

Ik kijk nog eens de kamer rond. Het is te laat. Te diep gezonken ben ik om nog iets te kun­nen red­den.

Mijn dochtert­jes wor­den naar boven ges­tu­urd. Tijd dat ik ook ga vertrekken. De bran­card sti­jgt op. Een halve broed­er aan het voeteneind gri­jnst naar mij. Als ik mijn hoofd iets naar achter buig kijk ik recht in het gezicht van de andere broeder­helft. In slow-motion zweven we door de kamer en de hal. De hand van mijn vrouw rust op mijn borst. Ook zij doet slechts voor de helft mee. Het pla­fond is wit. Er komen woor­den uit de mond van de vrouw. Hele kleine lieve woord­jes. Gelu­id­loos vallen ze op mijn gezicht. Ze ruiken naar de lente. Ik glim­lach naar haar. Het pla­fond houdt er mee op. Witte wolken en zwarte vogels. Raven? Buren? Staan toe te kijken. Dat deun­t­je begint weer in mijn hoofd. Kan het uit­gezet wor­den? Hoe kan ik zo nu in slaap ger­ak­en? God, wat ben ik moe.

De per­soon zwemt met grote sla­gen naar je toe. Je red­der, denk je hoopvol. Tegen beter weten in.
Op de oev­er begint men te lachen.
Er wordt een arm naar je uit­gesto­ken. Een hand op je hoofd gelegd. Ver­won­der­ing. Dat was niet de bedoel­ing. De druk neemt toe. Water stroomt in je openges­perde mond. In je neusgat­en. In je oren.
Verzetten heeft geen zin. Je laat je gewil­lig meevo­eren. Een laat­ste blik op de omstanders, voor­dat het water zich boven je sluit.
Het is beter zo.

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fic­tief is Hans.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Luna’s Gone

Tags

(all tags)

Tweets