Station Beukenlaan

Eind­ho­ven Beu­ken­laan was jaren­lang eind­sta­ti­on op mijn werk­da­ge­lijk­se tocht naar Phi­lips. En ’s avonds daar­om het begin­sta­ti­on om weer thuis te gera­ken. Ergens rond het jaar 1996 schar­nier­de mijn leven zich zoda­nig rond­om Beu­ken­laan dat het wel­is­waar ’s och­tends eind­sta­ti­on bleef, maar dat ik het nu van­af Den Bosch bena­der­de. Indach­tig het mot­to: ‘er komt maar één goed ding uit Den Bosch, en dat is de trein naar Eind­ho­ven’ liet ik me elke dag door plaat­sen als Vught, Box­tel en Best ver­voe­ren om ergens na Acht boek of tijd­schrift dicht te slaan. Het laat­ste stuk van de reis gebruik­te ik om mijn jas aan te trek­ken en tas bij de hand of op de schoot te nemen. Daar­na keek ik wat uit het raam.

Meest­al zat ik aan de rech­ter­kant. Bij het raam. Een door de jaren heen inge­sle­ten rou­ti­ne waar­bij ik de jas kon ophan­gen, de tas onder de bank schui­ven en het tafel­tje dicht­bij had voor de dam­pen­de beker NS-kof­fie. En vrij zicht had ter­wijl de stop­trein mijn hal­te nader­de.

Die paar minu­ten voor­dat ikzelf plichts­ge­trouw uit­stap­te ter­wijl mijn vrij­heid ach­ter­bleef en op een reeds lang ver­lo­pen tie­ner­toer­kaart de rest van Neder­land aan­deed, liet ik mijn blik vaak over de bomen­rij aan de Boschdijk gaan. Ik wist dat zich ach­ter de dich­te begroei­ing de trai­nings­vel­den van PSV bevon­den. Heel soms was er even­tjes een gestal­te zicht­baar die zich voort­be­woog over het gras­veld. Maar ik had niet de illu­sie dat dit een van mijn hel­den was. Daar­voor was het nog te vroeg. Het zou onge­twij­feld de ter­rein­knecht zijn geweest. Toch bleef ik inten­sief kij­ken. Je wist maar nooit.

Voor ik het wist was dan de reis ten ein­de. Althans wat het eer­ste bedrijf betrof.

Een in veel geval­len over­dre­ven tien uur later stond ik die­zelf­de dag weer gereed voor de terug­reis. Samen met een hand­vol lot­ge­no­ten namen we uit­ge­put plaats bij onze her­von­den vrij­heid. Op weg naar huis. Voor ik het door­had waren we De Gro­te Beek al voor­bij. Net zoals die naam eigen­lijk ook alweer een gepas­seerd sta­ti­on was. Ergens in het­zelf­de jaar 1996 name­lijk werd de nieu­we naam Stich­ting Gees­te­lij­ke Gezond­heids­zorg Eind­ho­ven en de Kem­pen (GGzE). Voor wat in de volks­mond nog steeds de RPI werd genoemd. De Rijks Psy­chi­a­tri­sche Inrich­ting. Ook wel: het gek­ken­ge­sticht.

Gele­gen aan die­zelf­de Boschdijk en omzoomd door even hoge bomen als rond­om de trai­nings­vel­den van PSV, was ik hier even­zeer gefas­ci­neerd wan­neer een een­za­me gestal­te zich over het afge­slo­ten ter­rein voort­be­woog. Was het een bege­lei­dend arts of anders­zins ver­ple­gend per­so­neels­lid dat een lucht­je schep­te voor­dat de avond­dienst begon? Natuur­lijk kon het ook hier een ter­rein­knecht betref­fen.

Maar in mijn fan­ta­sie, gevoed door voor­oor­de­len en ver­keer­de dorp­se voor­lich­ting, was de RPI een gevan­ge­nis gelij­ken­de encla­ve geble­ven waar gevaar­lij­ke gees­te­lijk gestoor­den met niets anders bezig waren dan hun ont­snap­ping te plan­nen, om zodoen­de nieu­we slacht­of­fers te kun­nen maken. Nog inge­snoerd in hun dwang­buis wis­ten ze regel­ma­tig te ont­ko­men aan hun bewa­kers. Zig­zag­gend tus­sen de bomen ren­den ze hun vrij­heid tege­moet. In hun krank­zin­ni­ge eufo­rie was het een klei­ne moei­te om over de afras­te­ring te gera­ken en op de voor­bij razen­de trein te sprin­gen. Was het een­maal gelukt om dwang­buis en ach­ter­vol­gers af te schud­den dan klonk een bevrij­dend hys­te­risch gelach door de cou­pé. Hoog­ste tijd om enke­le hal­tes eer­der dan gepland uit te stap­pen.

~ ~ ~

12

De deu­ren sis­sen en de trein ver­trekt:
hij zit alleen in een cou­pé, iets onder­uit­ge­zakt,
zijn rug rich­ting de machi­nist, en bij het raam:
hij heeft het zich in warm rood plu­che mak­ke­lijk gemaakt;
hij heeft zijn siga­ret­ten en zijn luci­fers gepakt,
om mee te spe­len, en om alle let­ters
van de ver­pak­kin­gen te lezen. Heel beken­de tek­sten
waar hij zich heer­lijk rus­tig mee ver­veelt.
De stad ver­dwijnt. Hij kan zich niet her­in­ne­ren
wat hij daar deed. Als zijn gedach­ten traag ver­splin­te­ren
zakt alles weg. En hij valt haast in slaap,

als plot­se­ling de schuif­deur open­gaat
en iemand met een baard en een sigaar een vuur­tje vraagt.

Men­no van der Beek (1967)
uit: Een ziek­te­ge­schie­de­nis (2010)

~ ~ ~

In de 33 gedich­ten in Men­no van der Beeks ‘Een ziek­te­ge­schie­de­nis’ ver­laat de Held zijn zie­ken­huis­bed, op zoek naar IJe Wijkstra, de man die in 1929 het land ver­bijs­ter­de door de vier veld­wach­ters over­hoop te schie­ten, die zijn Lief, Aal­tje, bij hem weg kwa­men halen.

~ ~ ~

One Reply to “Station Beukenlaan”

  1. …lek­ker lezen, zo op de vroe­ge mor­gen… Goeie film ook, ftm! Gerard Thool­en was zo’n gewel­di­ge acteur…

Comments are closed.