Call it a koortsdroom

I’m in the autumn of the year.

Met moei­te kon ik de lig­gen­de gestal­te ont­wa­ren. Com­bi­na­tie van tra­nen­de ogen en duis­ter­nis. Tra­nen van­we­ge de ach­ter­lig­gen­de kots­ses­sie. Duis­ter­nis omdat het hart­je nacht was.
Sliep ze?
Nee, want ter­wijl ik nog stond te focus­sen vroeg ze met slaap­dron­ken stem of ik soms ziek was. “Een beet­je,” gaf ik als ant­woord. “De kou­de pas­ta is niet zo goed geval­len.”

Ter­wijl ik in bed stap­te mur­mel­de ze nog iets als reac­tie. Het klonk goed­be­doeld maar ver­staan deed ik het niet. Juist toen ik me voor­over­boog om haar een kus te geven draai­de ze zich om. Met haar rug naar me toe. Een onbe­wus­te reac­tie op mijn bedor­ven adem? Ik had nog wel zo lang mijn tan­den staan poet­sen. En de was­ta­fel schoon­ge­maakt. Wat twee nieu­we kok­hals­beur­ten had opge­le­verd. Nog meer poet­sen.
Als­of ik me bespied waan­de vol­tooi­de ik mijn inge­zet­te bewe­ging en rond­de af met een lich­te kus op haar schou­der­blad. “Slaap nog maar even ver­der”, zei ik, in het vol­le besef dat ze alweer in die­pe slaap was ver­zon­ken. Dat zou mij de rest van de nacht niet meer gegund zijn.

Lang­zaam liet ik me ach­ter­over zak­ken. Bij­na met­een brak het kou­de zweet me uit, kroop er een golf maag­zuur ach­ter­baks mijn mond­hol­te bin­nen en begon de kamer te draai­en. Lig­gen was voor­lo­pig geen optie. Dan maar met een kus­sen in de rug half over­eind de res­te­ren­de uren door­bren­gen. Voe­ten bui­ten­boord hou­den was me vroe­ger aan­ge­leerd. En hoe­wel ik nu niet gedron­ken had, volg­de ik het advies trouw op.

Zo zat/lag ik daar en liet de nacht door de open ramen over mijn half ont­blo­te klam­me lijf voor­bij waai­en. Minu­ten en uren ver­stre­ken. Net zoals de vele jaren die me tot hier gebracht had­den.

Wat waren dat voor jaren? Er schoot me een song­tekst van Frank Sina­tra te bin­nen, ‘It was a mess of good years.’ Het lied had ik een aan­tal jaren gele­den voor het eerst gehoord maar toen al sprak het begin van de laat­ste ali­nea me meer aan: ‘But now the days grow short, I’m in the autumn of the year.’ Ben ik over de helft? Is wat nog voor me ligt slechts afron­ding? Zo ja, is dat erg? Maar, nog belang­rij­ker, is de herfst per defi­ni­tie min­der dan de voor­gaan­de jaren?
Zeker heb ik die koortsnacht enke­le blik­ken in de toe­komst gewor­pen. En, geloof me, het gaf hoop. Ten­slot­te heb ik me altijd al beter gevoeld bij som­ber (herfst)weer.

Ech­ter de mees­te uren wer­den besteed aan het door­lo­pen van mijn ver­le­den. Zeg maar, ‘a jour­ney through the past’. Veel moois zag ik. Ook veel treu­rigs, maar bedui­dend min­der. En natuur­lijk alle ‘als-dan’ sce­na­ri­os. Wat als ik toen niet zo eigen­wijs was geweest, beter geluis­terd had, niet zo kin­der­ach­tig had gedaan. Meer mijn best. Min­der ego­ïs­tisch. Dan had het leven er ook heel mooi uit­ge­zien. Beter? Daar leek het wel op. Elk ‘als-dan’ sce­na­rio ein­dig­de in posi­tie­ve zin. Prof­voet­bal­ler zou ik zijn geweest. Of geluk­kig getrouwd met mijn eer­ste jeugd­lief­de. Of een top­baan. Of beju­beld schrij­ver. Of vrij­ge­voch­ten vrij­ge­zel. Of nog steeds wonend in Bra­bant. Het kon niet op.

Kort­om, ach­ter­af lagen alle paden open en was elke afslag dui­de­lijk gemar­keerd met poten­ti­ë­le kans op suc­ces. Ach­ter­af. Wijs­heid komt met de jaren zeg­gen ze. Helaas dient elk raad­sel zich slechts een­maal in al zijn uniek­heid aan. Geschie­de­nis is in die zin een nut­te­lo­ze weten­schap (let wel: alleen in die zin). Ik moet het dus doen met het leven zoals het zich tot op de dag van van­daag ont­rolt heeft geba­seerd op de keu­zes die ik al dan niet bij mijn vol­le ver­stand heb gemaakt. En de komen­de tijd zal dat niet anders zijn. Nog vele ‘als-dan’ situ­a­ties zul­len zich aan­die­nen waar­op ik het juis­te ant­woord niet zal weten. Reso­luut dan weer eens aar­ze­lend zal ik een afslag nemen met slechts één garan­tie: dat ik de vol­le ver­ant­woor­de­lijk­heid draag voor mijn keu­zes. Hoe die ook uit mogen pak­ken.

Troost: ik heb een glimp van de toe­komst gezien, en dat zag er goed uit.

When I was seven­teen
It was a very good year
It was a very good year for small town girls
And soft sum­mer nights
We’d hide from the lights
On the vil­la­ge green
When I was seven­teen

When I was twen­ty-one
It was a very good year
It was a very good year for city girls
Who lived up the stair
With all that per­fu­med hair
And it came undo­ne
When I was twen­ty-one

When I was thirty-five
It was a very good year
It was a very good year for blue-blood­ed girls
Of inde­pen­dent means
We’d ride in limou­si­nes
Their chauf­feurs would dri­ve
When I was thirty-five

But now the days are short
I’m in the autumn of the year
And now I think of my life as vin­ta­ge wine
From fine old kegs
From the brim to the dregs
It pou­red sweet and clear
It was a very good year

It was a mess of good years

~ ~ ~

De jon­gen in de gestreep­te pyja­ma — John Boy­ne — The Movie
RAL 2010