Geen triviaal pursuit

Opge­wekt (want de eer­ste dag van mijn vakan­tie; ein­de­lijk weg van die door afspra­ken en regel­tjes benau­wen­de kan­toor­we­reld) liep ik van­och­tend te zoe­ken naar de Accor­de­on­man. Stra­te­gisch opge­steld tus­sen super­markt­in­gang en win­kel­kar­re­tjes­par­keer­plaats staat deze man elke zater­dag­och­tend trouw zijn stuk­je muziek te spe­len (voor al wie het niet wil horen, zeg maar). Voor­af schraap ik reeds mijn opge­spaar­de klein­geld van die week bij elkaar en leg het (na een ogen­blik geluis­terd te heb­ben naar de elke keer toch weer tegen­val­len­de muziek; er ont­breekt pas­sie, als je het mij vraagt) op een ver­sle­ten kleed­je aan zijn voe­ten.

Ik doe het met een non­cha­lan­te van­zelf­spre­kend­heid (en kijk onder­tus­sen van­uit mijn oog­hoe­ken rond over het plein om te chec­ken of iemand dit nobe­le gebaar heeft gezien; natuur­lijk niet omdat ik mij­zelf zo gewel­dig vind, maar om ande­re poten­ti­ë­le gul­le gevers over de streep te trek­ken; een extra gebaar naar de Accor­de­on­man van mijn kant). Een bre­de glim­lach is dan mijn belo­ning.
Ik glim­lach ook altijd terug. Vaak mom­pelt hij nog wat, maar dat ver­sta ik nooit. Wel doe ik dan mijn best ook iets onver­staan­baars terug te mom­pe­len (in een wel­haast onmo­ge­lij­ke (van­uit mijn posi­tie bezien) poging tot ‘level­len’; zoals gezegd, onmo­ge­lijk, maar ik doe mijn best, niet­waar?).

Maar hij was er niet. Op zijn plek stond deze mor­gen een voor mij vol­sla­gen vreem­de (ten­slot­te had­den de Accor­de­on­man en ik, al met al, een band) met in zijn han­den een pak fol­ders of tijd­schrif­ten. Vreemd dat alleen de geko­zen loca­tie voor mij al vol­doen­de was om deze per­soon onmid­del­lijk in de cate­go­rie der dak- en thuis­lo­zen te den­ken (wat niets van doen heeft met onge­fun­deer­de voor­oor­de­len waar een hoop men­sen regel­ma­tig last van heb­ben). Het bleek hier te gaan om een ver­ko­per van de Zelf­krant. Een krant­je gedrukt in eigen beheer en waar­bij de ver­ko­pers 50% van de ver­koop­prijs in eigen zak mogen ste­ken (dat wist ik toen van­zelf­spre­kend nog niet, maar heb ik later opge­zocht; qua timing past het hier goed in het ver­haal; maar mis­schien dat ik me nog bedenk; onder voor­be­houd dus; het bete­kent trou­wens wel dat mijn eer­ste inschat­ting van de situ­a­tie uit­ein­de­lijk wel goed was; maar dat ter­zij­de).

Die ver­koop­prijs was vast­ge­steld op 1,50 Euro. Omdat ik mijn dona­tie, zoals oor­spron­ke­lijk bedoeld voor de Accor­de­on­man al in mijn geslo­ten vuist had, wil­de ik niet klein­bur­ger­lijk over­ko­men door uit­ge­breid te gaan tel­len of het bedrag wel toe­rei­kend was. Ik nam de gok dat het meer was (zodat ik later kon zeg­gen (mom­pe­len?) “laat de rest maar zit­ten”) en schud­de de inhoud in zijn uit­ge­sto­ken hand. Een krant plus een­zelf­de (typisch voor thuis- en dak­lo­zen?) glim­lach als van de Accor­de­on­man was mijn deel. Ik lach­te terug en omdat het van zijn kant (zijn­kant?; Zijn­krant?) hier­bij bleef liet ik het er ook maar bij. Met het krant­je goed zicht­baar in mijn bood­schap­pen­tas gesto­ken ging ik op weg naar huis. Ik geloof dat ik iets neu­rie­de in de trant van “We ben­ne op de wereld om mekaar te hel­pen niet­waar?”

Thuis aan­ge­ko­men ver­wen­de ik mezelf met een heer­lijk kop­je kof­fie nadat ik de inko­pen had opge­ruimd. De zon was nog niet zo fel dus besloot ik een tijd­je bui­ten te gaan zit­ten met wat boe­ken, tijd­schrif­ten, kran­ten en prin­tjes van het werk. Nadat ik de impo­san­te sta­pel op de tuin­ta­fel had gelegd (enke­le recen­te titels die de laat­ste tijd veel­vul­dig in het nieuws waren lagen mis­schien een beet­je te nadruk­ke­lijk in het zicht van de buren, moch­ten zij nieuws­gie­rig van­uit hun boven­ver­die­ping wil­len gade­slaan wat ik zoal op een eer­ste vakan­tie­dag van plan was te gaan lezen; maar dat zal eer­der toe­val zijn geweest; ik ben daar niet zo mee bezig) pak­te ik als eer­ste toch de Zelf­krant op.

Mijn inschat­ting was dat dit blaad­je, net zoals de vele wijk­blaad­jes die onge­acht het sei­zoen mijn huis blij­ven bin­nend­war­re­len, bin­nen lut­te­le minu­ten door­ge­le­zen zou zijn. Om dan op de sta­pel van Gele­zen terecht te komen. Een sta­pel die op het eind van de vakan­tie min­stens zo impo­sant zou moe­ten zijn als de Onge­le­zen nu. En (ook deze keer; wan­neer wordt het tegen­deel eens bewe­zen, haha­ha) had ik gelijk. Bin­nen de kort­ste keren was ik bij de laat­ste pagi­na aan­ge­ko­men. Een column met als titel ‘Pur­s­uit’, geschre­ven door ene Ger­hardt (blijk­baar een vas­te colum­nist want men ging er van uit dat een ach­ter­naam niet nodig was). Ik maak­te alvast plaats op de tafel voor de eer­ste bij­dra­ge aan Gele­zen.

In de column gaf Ger­hardt aan dat hij opge­zocht had wat het woord Pur­s­uit bete­ken­de (waar­bij hij dus als thuis- en dak­lo­ze ook nog eens toe­gaf inhouds­loos te zijn; wat een zwak­te­bod; toe­ge­ven iets op te moe­ten zoe­ken). De bete­ke­nis is ‘ach­ter­vol­ging’, of ‘ver­vol­ging’. En van­uit de con­text waar­in die­zelf­de Ger­hardt het woord Pur­s­uit was tegen­ko­men kwam hij tot een vol­gen­de meta­foor, die ik u toch niet wil ont­hou­den (wie had gedacht dat het ooit nog zou gebeu­ren dat Ger­hardt uit de Zelf­krant geci­teerd ging wor­den; ik niet, kan ik gerust beken­nen):

Elk moment heeft een bepaal­de ruim­te. Daar­in past maar een bepaal­de hoe­veel­heid ‘mate­rie’ die de aan­dacht krijgt die het ver­dient. Al wat er meer die ruim­te in wordt getrok­ken dan er in past, zal net zolang blij­ven bestaan, tot­dat het de aan­dacht heeft gekre­gen die het ver­dient. Lukt dat niet, dan wor­den u en ik ach­ter­volgd door wat nog die aan­dacht ver­dient. ”

En Ger­hardt sluit af met:

Mijn vraag aan u is: wat ach­ter­volgt u dat nog aan­dacht ver­dient, eer het in tevre­den­heid en rust kan ver­dwij­nen?”

Inmid­dels begint de duis­ter­nis te val­len en is de sta­pel Gele­zen niet meer dan een ver ver­wij­derd idee in tijd en ruim­te. Rus­te­loos loop ik door huis en tuin. In mijn hoofd is het een cha­os. Een wir­war van in elkaar gedraai­de gedach­te­kron­kels waar geen begin of ein­de aan valt te ont­dek­ken. Nog geen dag is er voor­bij van de vakan­tie waar ik zolang naar heb toe­ge­leefd. En nu al ver­lang ik terug naar kan­toor. Naar de dage­lijk­se rou­ti­ne­klus­sen. Naar struc­tuur. Zodat ik geen tijd heb voor de vraag die con­ti­nu door mijn hoofd spookt.

De vraag die mij niet lan­ger ach­ter­volgt, maar gevan­gen houdt.
De vraag waar­op ik het ant­woord schul­dig moet blij­ven: “wat ach­ter­volgt u dat nog aan­dacht ver­dient, eer het in tevre­den­heid en rust kan ver­dwij­nen?”

 

(er zal toch wel iets zijn?)
~ ~ ~

3 Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *