Sunrise (voor www.vitaal.nl)

Zal ik ooit over mijn erg­ste nacht­mer­ries dur­ven schri­jven?
Niet nu.
Nee! Niet nu ik er bij­na ben!

Krachtig duw ik me omhoog. Mijn han­den glib­beren weg op de lauwwarme zachte brij. Stru­ike­lend probeer ik overeind te komen. Weg uit de klauwen van mijn achter­vol­gers. Ik weet dat het nog slechts een klein stuk is tot aan de duinen. Vóór mij kan ik al een enkele licht­straal zien die door de dichte begroei­ing heen een mogelijke uit­gang aangeeft. Een vuur­toren die me de weg wijst uit deze duis­tere hel en over het strand naar de veilige zee zal lood­sen.

De jun­gle is inmid­dels veran­derd in één grote graaiende kri­jsende mas­sa. Maar haar kracht­en nemen af. Het taaie is verd­we­nen. De weer­stand die ik voel wordt wek­er, slap­per. Wan­hopiger. Ik kan me los bli­jven rukken. Niet­sontziend scheur ik plakkerige lede­mat­en los. Ik probeer te gaan ren­nen. Als ik een­maal op snel­heid ben kun­nen ze me niet meer tegen­houden. Maaiend met mijn armen baan ik me een weg.
Nog enkele meters.

Met een luide schree­uw duik ik voorover door de donker­groene muur. Het voelt alsof ik uit­ge­spu­ugd wordt. De zon­nige wereld in.

Rol­lend en tol­lend tuimel ik de duin­helling af naar bene­den, richt­ing strand. Ik doe geen moeite om mijn val te breken. Ben toch al kapot. En bli­jf uitein­delijk liggen aan de voet van de zand­helling. Op mijn rug.

Met mijn han­den gri­jp ik in het zand. Laat het tussen mijn vingers gli­j­den. Het is nog koel. Verkoeld het bran­derige gevoel. Langza­am kom ik op adem.
Ik draai me om en laat me nog een stuk­je naar bene­den gli­j­den. Ga dan rech­top zit­ten. Met mijn rug naar het oer­woud. Negeer de kreten en con­cen­treer me op de rijzende zon aan de ein­der. Haar stralen ver­war­men mijn gezicht. Doen mijn tra­nen ver­damp­en. Maar het kan mijn snikken niet onder­drukken.

Als het gelu­id achter mij hele­maal ver­stomd is, sta ik op. Klop het zand van me af en bek­ijk mijn hand­pal­men. Grote blaren wellen op, vol geel vocht. Onder mijn nagels zit­ten stuk­jes groene der­rie. Lange bloed­erige krassen heb ik niet alleen op mijn armen maar ook op mijn benen. De zoge­naamde bescher­mende kled­ing die ik droeg is finaal aan flar­den. Daar zal men van opkijken.

Onder een oran­je­blauwe lucht loop ik naar de zee. Het lijkt eb. Op som­mige plekken staat nog water. De zon heeft het al opge­war­md, zodat het niet de verkoel­ing geeft die ik zoek. Ik loop verder. Hoog in de lucht zweven meeuwen. Als ik ze volg word ik verblind wan­neer ze voor­langs de zon vliegen. Paniek­gol­ven over­spoe­len me meteen in deze plot­selinge donkerte. Ik ben terug in de jun­gle. Maar net zo snel is het weer over. Koele lik­jes water kabbe­len over mijn ontvelde voeten. Het licht ver­dringt de duis­ter­n­is. De meeuwen zijn verd­we­nen. Het water staat mij aan de enkels. Helen de won­den.

Zo bli­jf ik staan. Vol bewon­der­ing starend naar de als­maar hoger opgaande zon.
Dan kom ik in beweg­ing.

De zee voert water aan en zand af. Zou het eiland op den duur verd­wi­j­nen?
Of voert zij zand aan en water af?
Ben ik nog steeds op het eiland zolang mijn voeten vaste grond voe­len?

Vlak voor­dat het water zich boven mij sluit hoor ik weer de meeuwen. Ver­af maar toch dicht­bij.
Zon­licht dringt dieper door dan ik gedacht had.

~ ~ ~

Eerder gepost op 19 novem­ber 2009, maar iet­wat her­schreven voor mijn col­umn op (het inmid­dels al weer ter ziele gegaan) www.vitaal.nl.

~ ~ ~

  • Zon­licht dringt dieper door dan ik gedacht had…Dubbelzinnig en een prachtige afs­luit­ing van jouw ver­haal!

Comments are closed.

Tags

(all tags)

Tweets