Parking Lot

Zon­der rich­ting aan te geven stuurt ze abrupt de afrit op. Bij­na ver­liest ze daar­door de con­tro­le over haar auto, maar bij­tijds weet ze vol­doen­de vaart te minderen.
Met inge­hou­den adem rijdt ze het ben­zi­ne­sta­ti­on tege­moet. Bij de pomp staat nie­mand te tan­ken. Wel is er een bezoe­ker bin­nen in het win­kel­tje te zien. Ze par­keert naast het klei­ne gebouw en doet motor en lich­ten uit. In de nu dood­stil­le auto blijft ze zit­ten. Wan­neer haar ogen gewend zijn geraakt aan de duis­ter­nis van de inval­len­de avond ziet ze door de voor­ruit uit over de wei­lan­den. Er hangt een zweem van mist. Al die tijd houdt ze het stuur strak omklemd.

Het geluid van voet­stap­pen doet haar opkij­ken. Er loopt een man met een mobiel­tje in de hand. Af en toe staat hij stil om wat te zeg­gen. Een bran­den­de siga­ret hangt uit zijn mondhoek.

De mist is wat ver­der de par­keer­plaats opge­trok­ken. Het wordt klam in de auto. Ergens in de ver­te blaft een hond. Met haar voe­ten zet ze zich af en licht haar bil­len op. Moei­zaam lukt het om haar slip­je over haar boven­be­nen naar bene­den te stro­pen. Het laat­ste stuk­je gaat mak­ke­lij­ker. De man staat nog steeds te bel­len als ze de auto uit­stapt. Haas­tig loopt ze hem voor­bij rich­ting het open­ba­re toi­let aan de ach­ter­kant. De bui­ten­deur klemt en ze moet kracht zet­ten om hem open te krij­gen. Zorg­vul­dig waakt ze ervoor dat hij niet ach­ter haar in het slot valt. Het deur­tje van de klei­ne cabi­ne laat ze wagen­wijd open. Met omhoog gescho­ven rok zakt ze op de kou­de wc-bril. Iet­wat ach­ter­over geleund zoekt ze steun tegen de spoel­bak. Met haar hoofd in de nek gebo­gen staart ze naar het pla­fond. Ook hier weer bran­den niet alle tl-bui­zen. Bui­ten knerpt grind. Een kil­le bries strijkt langs haar benen omhoog. Ze sluit de ogen en begint haar blou­se open te kno­pen. Kort vraagt ze zich af of ze de auto heeft afgesloten.

~ ~ ~