Run, rabbit. Run! – deel 2

Klik hier voor deel 1.

De muur is te hoog. Daar kom ik nooit overheen.
Kan ik naar links? Maar ook hier hetzelfde resultaat. Meedogenloos zijn de bakstenen strak in gelid tegen het huizenblok aan gemetseld. Geen kiertje te bekennen.
Vol frustratie begin ik uit alle macht met mijn vuisten tegen de muur te slaan. Het kan me niet schelen dat mijn achtervolgers horen hoe de angst vat op mij heeft gekregen. Ik weet dat alles verloren is. Mij en mijn gezin wacht een verschrikkelijk lot. Schreeuwend schop en sla ik om me heen. Een pijnscheut in mijn scheenbeen snijdt als een mes door mijn lijf. Bijna verlies ik het evenwicht omdat één van mijn voeten vast blijft zitten in de muur.

Enkele stenen zijn van hun plaats verschoven waar ik heb staan trappen. Ik laat me op mijn knieën vallen en begin aan de stenen te trekken. Ze komen makkelijk los. Binnen de kortste keren heb ik er voldoende losgewrikt voor een doorgang waar ik mezelf doorheen kan wurmen. Nog eenmaal kijk ik achterom. De mannen zijn ergens halverwege. Ze maken geen haast. Blijkbaar weten ze dat er geen ontkomen voor mij is.
Was het soms een valstrik?

Ik druk me plat op de grond en begin mezelf door de nauwe opening te wringen. Armen als eerste. In tijgersluipgang schuif ik beetje bij beetje naar voren. Met mijn wang schaaf ik over de klinkers. Als ik eenmaal mijn schouders er door heb, gaat het beter. Te snel richt ik me op en stoot mijn rug aan een afgebroken steen. Vloekend kom ik moeizaam verder overeind.
Aan deze kant van de muur is het volop licht. Bij de ingang van één van de huizen zie ik een afvalcontainer staan. Die plaats ik voor de opening. Dat zal ze even bezig houden. Dan begin ik opnieuw te rennen.

Zonder me te bedenken sla ik af naar rechts wanneer ik de straat bereik. Terwijl ik blijf rennen kijk ik om me heen. Vertrouwde gevels vormen een bekend decor. De bakker aan de overkant. Een kledingzaak. In de verte torent het gerechtsgebouw. Ook de bioscoop zie ik nu. En ik stop abrupt.
Het aangename gevoel van herkenning blijft sluimerend aanwezig wanneer ik me met een schok realiseer dat dit weliswaar bekend terrein is, maar wel eentje uit mijn dromen. Hier spelen al mijn nachtmerries zich af. In de loop der jaren heeft dit gebied zich langzaam ontwikkeld tot een complete stadswijk waar ik op elke hoek nieuw gevaar kan verwachten.

Uit ervaring weet ik dat er slechts één uitweg is.

Behoedzaam vervolg ik mijn weg. Onderwijl razen allerlei gedachten door mijn hoofd. Ben ik toch aan het dromen? Hoe kan het dat het ditmaal veel echter lijkt? Dat alles vreselijk pijn doet? Heb ik een nieuw niveau in mijn nachtmerries bereikt?

Ik meng me tussen de vele wandelaars. Blijf af en toe stil staan om een etalage te bewonderen. Probeer me zoveel mogelijk aan te passen aan de omgeving. Van mijn achtervolgers is geen spoor te bekennen. Ook de onaangename verrassingen die me normaal gesproken tijdens eerdere nachtmerries overvallen is nu geen sprake. Toch bevind ik me in een wereld die ik alleen uit mijn dromen ken. Het kan niet zijn dat dit echt is.
Het bewijs daarvoor wordt geleverd als ik het verlossende straatnaambordje zie. Aan het eind daarvan is de deur. De uitgang naar de realiteit.

Verbaasd blijf ik staan als ik om me heen mensen zich gillend zie verwijderen. Sommigen staren me aan. Pas dan hoor ik het schot. En voel de steek in mijn zij. Met een zucht zak ik op de grond.

Bang! Bang! Bang! Bang!
Goes the farmer’s gun.
Vol ongeloof kijk ik op naar de hemel. Ben ik neergeschoten? Dit is helemaal verkeerd.
De pijn verbijtend probeer ik overeind te komen. In de verte zie ik mijn belagers weer. Ik kan ze horen lachen. Hun prooi is aangeschoten en kan niet meer voor een tweede keer ontsnappen. Ik draai me om en schat de afstand tot de deur. Die uitnodigend openstaat. Nog slechts een tiental meters.
Het moet te doen zijn.

Strompelend vervolg ik mijn weg. Eenmaal door de deur zal ik zwetend ontwaken. Alle wonden zullen verdwenen zijn. Gulzig zal ik de eerste koffie in de ochtend achterover slaan om de laatste vrees weg te spoelen. Veilig zolang het dag is. Opnieuw klinkt een schot. Ik buk maar ben allang geraakt in mijn bovenbeen. Bukken gaat over in vallen. Ik bijt een stukje van mijn tong als mijn kin de grond raakt.
Op mijn buik liggend kan ik door de open deur naar binnen (buiten?) kijken.

Het is mijn vrouw die ik als eerste zie. Vastgebonden op een stoel. Haar blik gericht op een bed tegenover haar. Daarop ligt een man. Er steken magere beentjes onder hem uit. Ik herken de roze schoentjes.

“Laat hen met rust”, breng ik met moeite uit. “Ik heb de opdracht volbracht.”
Mijn uitgestoken hand is naar hen gericht.
Een andere man verschijnt in de deuropening. Hij kijkt me meewarig aan voordat hij de deur zachtjes dicht doet.

“Nee!”, schreeuw ik als ik tot mijn verbijstering zie dat het geen enveloppe is maar het knuffelkonijntje van mijn dochter, wat ik in mijn hand heb.
Een volgend schot valt samen met het op slot draaien van de deur.

“Run, rabbit. Run! Run! Run!“ prevel ik.

~ ~ ~

Mijn bijdrage voor de bundel Adrenaline.

vijftien auteurs, zestien verhalen.
ISBN 978-90-484-1521-2

Het boekje kost 10,00 Euro (excl. verzendkosten) en is bij mij te bestellen.

~ ~ ~