You can’t hide…

Toen mij werd gevraagd of ik iets wilde voordragen tijdens de boekpresentatie van Adrenaline, hoefde ik daar niet lang over na te denken. Ik was al bezig met wat aanzetjes voor een nieuw kort verhaal en kon dat zo mooi uittesten. Omdat ‘spanning’ het thema van Adrenaline was, lag het voor de hand om ook nu met een spannend verhaal te komen. Zeker toen na enkele wijzigingen de definitieve datum op 31 oktober werd vastgesteld: Halloween. Hoe toepasselijk.

Uiteindelijk bleek het nog een hele bevalling om een verhaal te schrijven wat ik goed genoeg vond om voor te dragen. En wat ook niet meeviel was om het zodanig op te schrijven dat het goed voorgelezen kon worden. Dat vergt toch een iets andere aanpak. Maar al doende (thuis tussen de schuifdeuren, en af en toe op het werk) kreeg het verhaal de juiste vorm, en ikzelf het vertrouwen om het spannend te kunnen brengen.

Ik was er klaar voor.

Totdat ik op de bewuste zondagochtend badend in het zweet wakker werd. Zoals gewoonlijk waren de herinneringen aan de gebeurtenissen van nu alweer 25 jaar geleden in alle hevigheid mijn dromen binnengedrongen. Herinneringen die ik met succes het gehele jaar kan verdringen, maar die zich op 31 oktober nooit laten tegenhouden. Ik zou er nooit aan kunnen ontkomen. De bloedrode letters stonden nog op mijn netvlies gebrand: YOU CAN’T HIDE.

Ik besloot het zorgvuldig geschreven en ingestudeerde verhaal te laten voor wat het was, en mijn voordracht te improviseren rondom het ongeluk wat mij 25 jaar geleden was overkomen in het zuiden van de VS.

Het was tijdens een 4-weekse vakantie die ik ondernam met twee goede studievrienden. In een gehuurde Buick trokken we van camping naar camping en hadden de tijd van ons leven. Tijdens de laatste week bevonden we ons ergens in Texas. Ondertussen was het een vaste routine geworden om in alle vroegte de tent op te breken indien we van plan waren weer verder te trekken. Zo ook de ochtend van 31 oktober. We hadden in de campingwinkel wat broodjes en koffie gehaald en zaten nu op een picknickplaats met de kaart op de houten tafel te bekijken wat het einddoel van deze dag zou zijn. Al snel werd het ons duidelijk dat de volgende interessante plaats die we wilden bezoeken niet binnen één dag bereikt kon worden. Daarom leek het ons een goed plan niet langer door te rijden tot vroeg in de namiddag en dan een campeerplek te zoeken.

Na een halve dag gereden te hebben bleek dat een camping zoeken in het verlaten gebied waar we doorheen reden misschien toch nog wel een moeilijke opgave te worden. De kaart gaf in ieder geval niets aan. Een uurtje later maakten we een korte stop bij zo’n typisch verlaten tankstation. Nadat we getankt hadden, knoopten we een praatje aan met wat schijnbaar de eigenaar was. Een oude man, die gezeten in een schommelstoel de aangeboden dollarbiljetten zonder na te tellen in zijn broekzak frommelde, en ons toen waarschuwde voor een snel naderbij komende storm. Wij keken om ons heen over de weidse lege vlakte. De zon stond hoog aan de hemel, er was geen wolkje te zien. De amerikaanse vlag hing slap aan de vlaggestok. Geen zuchtje wind.
Ik vermoed dat hij het ongeloof op onze gezichten zag, want een beetje gepikeerd voegde hij er aan toe dat hij hier opgegroeid was en geen tv of radio nodig had om te weten wat voor weer het zou worden.
Als we flink doorreden, zo vertelde hij, dan konden we met een uurtje in het meest nabije stadje zijn. Dat had een klein hotel. Maar we konden ook bij hem logeren. Maar één ding moesten we ons realiseren. We moesten tijdens de storm niet meer buiten zijn. Want, zo benadrukte hij nogal onheilspellend: “you can’t hide.” Het werd ons toegebeten in dat typische knauwerige texaanse accent.

We sloegen zijn aanbod vriendelijk af en sprongen snel in de auto. Alsof we zijn raad opvolgden. Maar al snel waren we zijn waarschuwing vergeten.
Totdat één van mijn vrienden riep dat het plotseling wel heel erg donker achter ons werd. Door de achterruit zagen we hoe in hoog tempo grote zwarte donderwolken ons naderden. Links en rechts schoten  bliksemschichten uit de hemel. Het duurde niet lang voordat de stormwind tegen de auto begon te beuken. Aanrollend over de prairie kon het aan kracht en snelheid winnen om keer op keer te trachten de auto van de verlaten weg te duwen. Een striemende regen zorgde ervoor dat het zicht steeds minder werd.
Het was slechts een kwestie van tijd voordat mijn vriend de controle over het stuur verloor en met de rechterwielen in de berm terechtkwam. Daarna ging het snel. Tegensturen hielp niet meer en door enkele verkeerd uitgevoerde manoeuvres  raakten we verder in de slip en gingen zelfs enkele keren over de kop totdat de auto met veel kabaal tot stilstand kwam.

Het duurde een tijdje voordat ik doorhad waar ik was en wat er gebeurd was. Ik voelde om me heen, merkte dat ik overeind zat. Dat de auto dus wel rechtop moest staan. Begon de regen buiten te horen. De wind die nog steeds tegen de auto beukte. Dat de motor nog draaide. En dat mijn twee vrienden als verdoofd op hun plek zaten.
Met moeite kreeg ik de deur aan mijn kant open en vervolgens de deur aan de bestuurderskant. Sleurde mijn vriend vanachter het stuur vandaan en plaatste hem op de achterbank. Daarna nam ik plaats achter het stuur en probeerde de auto weer op de weg te krijgen. Wat uiteindelijk lukte. Hierna gaf ik vol gas om zo snel mogelijk in de bewoonde wereld terecht te komen. Ik realiseerde me dat ik niet wist welke kant ik opging. Voor hetzelfde geld was de auto gedraaid en reden we terug richting tankstation. Maar dat kon me niet schelen.

Redelijk snel zag ik de afslag zoals aangegeven door de oude man. We reden kennelijk in de goede richting. Met alle kracht die nog in me was stuurde ik de auto over de hobbelige secundaire weg naar het stadje. Het leek of de storm met de minuut toenam. Dichte zandwolken opgeblazen door de hevige wind hadden de regen vervangen. De regenwissers hielpen niet meer.
Net toen ik wilde stoppen omdat ik geen hand meer voor ogen zag, doemde een wit huis op. Dat moest het hotel zijn.
Ik parkeerde voor het gebouw, worstelde mezelf uit de auto en duwde met mijn laatste krachten de stevige houten deur open. En viel toen meer dood dan levend naar binnen.

Later ontwaakte ik op mijn hotelkamer. De gordijnen waren dicht. Het was stil. Toen ik de gordijnen opendeed kreeg ik nog net de zonsondergang te zien. De storm was gaan liggen.
Beneden in de hotellobby werd me verteld dat de auto flinke schade had. Mijn vrienden lagen ook op een kamer en hadden aangegeven niet gestoord te willen worden. Als ik honger had kon ik aan de overkant van de straat iets eten. Nog wat onwennig liep ik naar buiten. Overal had ik spierpijn. Aan de auto te zien hadden we een flinke smak gemaakt. Een wonder dat we het er levend vanaf hadden gebracht.
Na een lichte maaltijd maakte ik een kleine wandeling door de hoofdstraat. Er viel niets te beleven. Wel bij het hotel. Daar liep net een klein groepje mensen naar binnen. Nu pas zag ik een affiche op de deur hangen. Het was een aankondiging van een lezing over ‘de lokale eigenaardigheden, gewoontes en bijgeloof rondom Halloween’. Dat was me ontschoten. Dat het Halloween was.
Omdat ik nog geen zin had om naar bed te gaan besloot ik de lezing bij te wonen. In de hotellobby werd me verteld dat het gratis was. Van mijn vrienden hadden ze niets meer gehoord. Die sliepen zeker nog en hadden blijkbaar geen trek.

Nadat ik op de voorste rij had plaats genomen gingen de deuren dicht en werd het licht gedoofd. Ik was net op tijd. De voorzitter van de plaatselijke vereniging van iets wat ik vergeten ben deed de aankondiging en hierna betrad een man geheel in het zwart gekleed het podium. Met een zware sonore stem begon hij aan zijn voordracht:
“In ancient times local indian tribes believed that the border between this world and the Otherworld was very thin on (what they called) O-ween. Thus allowing spirits (both harmless and harmfull) to pass through…”
Uiterst gedetailleerd en met veel voorbeelden deed hij uit de doeken hoe vooral in deze omgeving de doden rond Halloween niet alleen vanuit de Andere wereld tevoorschijn kwamen om hun dierbaren te zien, maar dat zij zelfs probeerden diezelfde dierbaren mee terug te nemen naar diezelfde Andere wereld. Naar het dodenrijk. Omdat zij niet zonder hen konden.
Het was dus zaak goed op te passen en elk contact met deze doden, deze zombies, te vermijden. Ze waren te herkennen aan spontane bloedingen uit hun voorhoofd. Zag je er eentje, dan was je lot eigenlijk al bezegeld, zo sprak hij. Je kunt je niet voor hen verbergen. “You can’t hide.”

Hoe boeiend ook, de vermoeidheid begon toch toe te slaan. Het lukte me niet wakker te blijven en langzaam dommelde ik in. Om even later weer wakker te schrikken. Beschaamd keek ik om me heen. Niemand had iets gezien. Wat me verraste was dat mijn vrienden inmiddels naast mij hadden plaats genomen. Gebiologeerd volgden ze de voordracht. Toen ik één van hen aansprak kreeg ik geen reactie.
Ik volgde hun blik. Op het podium stond nog steeds dezelfde spreker in het zwarte pak. Uit zijn voorhoofd stroomden enkele straaltjes bloed.

Begrijpelijk dat mijn vrienden zo zaten te kijken. Die hadden de hele voorgeschiedenis niet meegekregen en verkeerden dus in de veronderstelling dat er iets grondig mis was. Haastig keerde ik me naar hen toe om een en ander uit te willen leggen. Dat dit een flauwe grap was om de voordracht wat extra cachet te geven.
Het drong niet meteen tot me door dat zij beiden ook een bebloed voorhoofd hadden. Wezenloos keken ze me aan.
Bevangen door een paniekaanval sprong ik op. De stoel waarop ik zat kletterde achterover op de grond. Alle ogen in de zaal waren ogenblikkelijk om mij gericht. Starende ogen omgeven door donkerrood bloed.

Gillend en om me heen slaand rende ik naar de uitgang van de zaal. Op de deur was een plakkaat bevestigd. In bloedrode letters stond geschreven: ‘YOU CAN’T HIDE…’ Natuurlijk was de deur op slot. Bonzend probeerde ik de aandacht te trekken van het personeel in de hotellobby. De deur bleef dicht. Toen ik me omdraaide zag ik de menigte op me af komen. Mijn vrienden voorop. De armen gestrekt. Bloed bleef stromen. Met mijn rug tegen de deur gedrukt probeerde ik het moment uit te stellen dat hun handen mij zouden raken. Ik kon nergens heen. Ik sloot mijn ogen.

Juist op dat moment tuimelde ik achterover om wakker te worden in een ziekenhuisbed. Ik had alles gedroomd. Tenminste, vanaf het moment dat ik in de hotellobby was binnengevallen. Want we hadden wel degelijk een ongeluk gehad. Ikzelf was er met lichte verwondingen vanaf gekomen. Mijn vrienden waren dodelijk verongelukt. Schijnbaar moet ik in shocktoestand zijn geweest. Het was een raadsel hoe ik de auto door de verschrikkelijk storm tot aan het hotel heb weten te krijgen. Daar ben ik naar binnen gestrompeld en bewusteloos geraakt. Het hotelpersoneel had politie en ambulance gebeld.

Na enkele dagen werd ik ontslagen uit het ziekenhuis. Maar mij werd verzocht nog een tijdje te blijven om de administratieve afhandeling te helpen verzorgen voor de overtocht van mijn vrienden. Die moesten tenslotte in Nederland begraven worden. De familie was nog niet gearriveerd.
In een politieauto werd ik naar het hotel gebracht, waar men een kamer voor mij had gereserveerd. Toen ik met mijn koffer op het trottoir stond, zag ik iets wits aan de voordeur van het hotel. Het was een affiche wat ietwat losgeraakt was en wapperde in de wind.
Ik wist wat er op stond voordat ik het gelezen had.
Toen ik dichterbij kwam en het met eigen ogen kon lezen begon ik desondanks te trillen op mijn benen. Het was inderdaad het affiche waarover ik gedroomd had. Blijkbaar had ik het net voordat ik bewusteloos raakte gezien en opgeslagen in mijn onderbewuste. Waar het mijn koortsdromen in het ziekenhuis vorm had gegeven.

Om te voorkomen dat ik het later zelf niet meer zou geloven, besloot ik het affiche van de deur te halen en mee te nemen. Nog altijd heb ik het. En toen ik vanochtend besloot dit verhaal met u te delen heb ik het weer tevoorschijn gehaald. Om het u vandaag te laten zien.

Zodat u mij zult geloven.

Dat ik niet heb gelogen.

 

~ ~ ~

4 Reacties

Er kunnen geen reacties worden geplaatst.