The amazing adventures of Kavalier & Clay — Michael Chabon

Afge­lo­pen week werd ik weer eens gecon­fron­teerd met een eigen­lijk nog­al irri­tan­te hob­by van mezelf: het niet uit­le­zen van boe­ken waar ik ooit in begon­nen ben. In het blog over De scha­duw van de wind heb ik een poging gedaan uit te leg­gen wat de ver­schil­len­de rede­nen kun­nen zijn om een boek niet tot het ein­de uit te lezen. Het kan gezien wor­den als een poging tot goed­pra­ten van dit feno­meen. Maar mis­schien wordt het tijd om mijn lees­me­tho­des wat aan te pas­sen. Zeker gezien de almaar groei­en­de sta­pel boe­ken die met een lees­lint ergens hal­ver­we­ge, lig­gen te wach­ten op bete­re tij­den. Hoe frus­tre­rend moet het voor hen niet zijn ooit ter hand te zijn geno­men om daar­na ter­zij­de te wor­den gescho­ven. Dan kun je maar beter geheel onge­le­zen blij­ven, lijkt me.

Dus daar­om maar de daad bij het woord gevoegd (het is ten­slot­te de tijd van goe­de voor­ne­mens) en het eer­ste de bes­te boek van de sta­pel geno­men: The ama­zing adven­tu­res of Kava­lier & Clay, door Michael Chabon.

Nadat ik het boek van­daag heb uit­ge­le­zen (gis­ter geen alco­hol, dus van­och­tend geen kater, en vroeg op, geen ver­plich­tin­gen, dus vol­op tijd) vraag ik mezelf af waar­om ik ooit ben gestopt met lezen in dit boek. Het moet wel reden 3 zijn geweest uit het boven ver­mel­de blog, want de ande­re rede­nen zijn niet van toe­pas­sing. Het eni­ge wat ik kan beden­ken is dat ik mis­schien een tijd­lang de ver­keer­de ver­wach­ting heb gehad van het boek. Onbe­kend met het werk van Michael Chabon maar enthou­si­ast gewor­den door de aan­be­ve­ling op de ach­ter­flap:

An adven­tu­re sto­ry that keeps you up until 4 AM with the beds­i­de lamp on, eager to learn if the Esca­pist, and Chabon himself, can free the ensla­ved and lead them home”,

dacht ik een lite­rai­re ver­beel­ding van een super­hel­den­film aan­ge­schaft te heb­ben. Dat bleek niet het geval te zijn. Het is het hart­ver­scheu­ren­de ver­haal van een jood­se jon­gen (Josef Kava­lier) uit Praag die kort voor het uit­bre­ken van WO-II de kans krijgt te ont­snap­pen naar de VS. Zon­der zijn fami­lie. Een­maal in de VS weet hij zich met een neef (Sam Klay­man) een baan te ver­wer­ven in de opko­men­de indu­strie van de goed­ko­pe strip­boek­jes met super­hel­den in de hoofd­rol. Ze ver­zin­nen een hoop nieu­we karak­ters, waar­van er een­tje genaamd ‘The Esca­pist’ erg popu­lair wordt. Gaan­de­weg de oor­log vor­dert wordt Josef ech­ter steeds onge­rus­ter over het lot van zijn fami­lie in Praag. Het wordt een obses­sie voor hem om ze over te laten komen naar de VS. Weg uit de han­den van de Duit­sers. Voor­dat het te laat is.

Maar ver­wacht dus niet een flit­send actie­ver­haal met scè­nes vol ach­ter­vol­gin­gen, gevech­ten, intri­ges en ver­raad. De lot­ge­val­len van Josef zijn inge­bed in een enorm gede­tail­leerd ver­haal waar­in voor­al de geschie­de­nis van de ‘comics’ in de VS een gro­te rol speelt. Af en toe lijkt het eer­der of je mee­ge­no­men wordt in een docu­men­tai­re of een afle­ve­ring uit Ande­re Tij­den. Met onge­loof­lijk inle­vings­ver­mo­gen beschrijft Chabon de weder­waar­dig­he­den van de teke­naars en sce­na­rio­schrij­vers, die als ware loon­sla­ven dag en nacht pro­duc­tie die­nen af te leve­ren om de strip­blaad­jes te vul­len. Je krijgt een fas­ci­ne­rend inkijk­je in de ont­staans­ge­schie­de­nis van beken­de hel­den als Super­man, Bat­man, Spi­der­man en ga zo maar door. Zij­de­lings krijg je ook nog mee waar­om veel van die super­hel­den vaak een jon­ge­re man­ne­lij­ke ‘side­kick’ er op na hiel­den.

Wees ech­ter niet bang dat het daar­door eer­der een non-fic­tie boek in lite­rai­re vorm is. Chabon weet wel dege­lijk een gewel­dig mee­sle­pend ver­haal te ver­tel­len. Op gezet­te tij­den span­nend, dan weer ont­zet­tend triest of uiterst humo­ris­tisch. Nog­maals, sinds ik er weer in begon­nen ben te lezen, ver­baas ik me erover dat ik het heb weg­ge­legd en uit het oog ben ver­lo­ren.

Kort­om, een aan­ra­der.

~ ~ ~

You can’t hide…
Ava­tar en de ver­dwij­nen­de hutongs van Beij­ing