De verschrikkelijke sneeuwpop

Achter de huizen­rij zie ik de fletse win­ter­zon gelei­delijk uit beeld verd­wi­j­nen. Een kwest­ie van tijd voor­dat de duis­ter­n­is zal intre­den. Lange schaduwen klauwen als doo­dse vingers verder de straat in. Hun aan­rak­ing doet ver­star­ren. Huiv­eren. De weinige voor­bi­j­gangers slaan hun kraag wat hoger op en zetten er nog eens flink de pas in. Op weg naar huis. Waar de warme kachel wacht. De deuren en ramen goed ges­loten tegen de ijzige vriestocht van een nieuwe win­terse nacht.

Opgelucht haal ik adem. Het lijkt er op dat ik een dag uit­s­tel heb voor­dat mijn defin­i­tieve einde daar is. Extra tijd om mijn opdracht alsnog uit te voeren. De vries­lucht zal me hernieuwde energie geven. Me aansterken. Hard mak­en om de con­frontatie met een vol­gende zon­nige dag aan te gaan. Maar het mag ook weer niet te koud wor­den. Want dan bli­jft het leeg op straat. Te leeg is niet goed. Geen voor­bi­j­gangers betekent geen kans op suc­ces. Dan gaat het zek­er niet lukken mijn taak als uitverko­rene uit te voeren. Wat werd me ook alweer nageroepen net voor­dat ik vertrok? Fail­ure is not an option! Dat was duidelijk. Ik hoefde er niet aan te denken om met lege han­den terug te keren. Van­nacht moet ik toes­laan! De afgelopen dagen ben ik te zeer verzwakt ger­aakt door de almaar in kracht toen­e­mende zon en de daarmee gepaard gaande dodelijke dooi.

Prob­leem is alleen dat ik gedoemd ben tot wacht­en. Allereerst wacht­en tot na zon­son­der­gang. Tot­dat de uren zijn aange­bro­ken waarin ik de kracht en de gave tot mijn beschikking heb om mijn prooi te ver­schalken. De donkere uren tot aan het moment waarop de zon weer haar rol als spel­breek­ster oppakt en mijn kracht­en zien­dero­gen oplossen in de eerste stralen die mij weten te rak­en. En wacht­en op het onwe­tende slachtof­fer. Een man of vrouw, meis­je of jon­gen, kleur en of religie niet van belang, die, aangetrokken door mijn maagdelijk witte uit­stral­ing in een zwarte nacht, nader­bij zal komen. Uit medeli­j­den met mijn scheefgeza­k­te wortel­neus of hoge hoed. De koolt­jes wegge­gle­den vanu­it de nu lege oogkassen tot op mijn ingevallen wan­gen. Mij om het even. Zolang ze maar komen. Bin­nen het bereik van een plot­selinge wur­gende omhelz­ing. Ste­vig genoeg om ze de adem te ont­ne­men. Neus en mond zal ik vol­stuwen met ver­stikkende sneeuw. Ze kun­nen slaan en schop­pen wat ze willen. Mijn lijf dempt het af. Nie­mand die hen zal horen. Alle kracht gaat ver­loren. Snel rak­en ze uit­geput. Door kou bevan­gen zakken ze als ver­doofd in mijn armen in elka­ar. Slappe lijven. Niet meer in staat zich te verdedi­gen. Pre­cies hoe ik ze hebben wil. Alleen hun ogen reg­istr­eren nog. Vol ver­bi­js­ter­ing kijken ze me aan. Niet begri­jpend zien ze hoe ik verder over hen heen buig. Het zicht op de maan ont­neem. Hen opneem. In mijn bin­nen­ste wit­ste van wit. Om ooit, oh zeer bin­nenko­rt ben ik bang, met mij te versmelten en heen te gaan waarheen ik van­daan kwam. Zodat ik mijn plicht vervuld heb. Alles voor een hoger doel. Mij onbek­end. Soit. De beloning, daar gaat het om.

Ha, kijk eens aan. Hebben we daar niet dat verve­lende jochie van num­mer 10. Was hij het die eerder van­daag de euvele moed had om mij de bezem uit de hand te slaan? Hoe onver­stand­ing, zo laat nog op straat. Waar zijn je oud­ers? Hm, nu maar hopen dat hij zin heeft nog meer kwat­tek­waad uit te halen. Ja hoor, daar komt hij al aan. Kom maar jonget­je, zie je hoe schuin mijn hoed op mijn gekrompen hoofd staat. Die wil je er best wel afrukken, toch? Nog een beet­je dichter­bij. Een klein beet­je…

~ ~ ~

Jan­u­ari uitdag­ing Schri­jve­lar­ij: Dit keer kruipen we in de huid van iets anders. We hebben genoeg sneeuw gehad om mooie, leuke of sexy sneeuw­pop­pen te mak­en.
Daarom is de uitdag­ing voor Jan­u­ari: kruip in de huid van die sneeuw­pop. Wie heeft je gemaakt, wat heb je aan of wat heb je meege­maakt.

~ ~ ~

Comments are closed.

Tags

(all tags)

Tweets