Datumloze dagen — Jeroen Brouwers

Als een reeks datum­loze dagen. Zo voelden de voor­bi­je twee weken aan. Geen dic­tatu­ur van de agen­da met dead­lines, mile­stones en deliv­er­ables.
Daar­voor in de plaats elke ocht­end een stapel beschik­bare uren die naar willekeur inge­vuld mocht­en wor­den. Met voor­namelijk lezen, bloggen, inter­net­ten, film kijken, luieren, fam­i­lie bezoeken, maar natu­urlijk helaas ook kleine klus­jes klaren en het niet te ver­mi­j­den en o zo noodza­ke­lijke bood­schap­pen doen. Achter­af bekeken best wel volle dagen, echter met de vri­jheid om ze zelf vorm te geven, en er net zo makke­lijk van af te wijken en een ander dag­pro­gram te kiezen. Het is me goed bevallen. Vooral het lezen en bloggen. Of ik dat de komende tijd kan vasthouden zal nog een prob­leem wor­den.

In ieder geval heb ik gis­ter weer met een tevre­den gevoel een boek uit­gelezen waarin ik vorig jaar was begonnen (zie het als een goed voorne­men). Deze keer een boek van Jeroen Brouw­ers, Datum­loze dagen. Het hoofdthe­ma is de relatie tussen vad­er en zoon. En dan vooral het ont­breken van deze relatie. Want in de ogen van de vad­er was het beter geweest wan­neer de zoon nooit geboren was. Hij wilde geen kinderen, althans niet op het moment dat zijn vrouw hem con­fron­teerde met het feit dat ze zwanger was. In zijn ogen was dit een daad van ver­raad van haar:

Vanaf het moment dat ze me plot­sel­ing haar zwanger­schap aanzegde, –ze had het ook wel over ‘onze’ zwanger­schap, als ze dat zei werd om mijn keel een ijz­eren band dicht­gek­likt en zo aange­draaid dat ik geen lucht meer kreeg,- vanaf dat moment begon de vervreemd­ing, tot we zo ver van elka­ar waren wegge­dreven dat de afs­tand tussen ons onafzien­baar was gewor­den: –zij ver­schim­mend op haar hori­zon, ik van haar uit gezien op de mijne.
[p.30, Datum­loze dagen]

Het kind komt er, en de vad­er vertrekt. Niet meteen. De eerste jaren bli­jft de vad­er nog bij het gezin waarin hij op zijn manier half­s­lachtige aan­dacht aan het kind geeft. Onder­wi­jl houdt hij er ver­schil­lende minna­ressen op na, en steekt hij geen vinger meer uit naar zijn vrouw die hij hart­grondig haat. Een kwest­ie van tijd voor­dat de breuk defin­i­tief is. Het lei­dt tot deze verzucht­ing van de vad­er:

De hon­der­den din­gen in je lev­en die je ver­keerd hebt gedaan. Niet mijn schei­d­ing van Mir­jam was ver­keerd, hoewel, maar dat het tot gevolg had dat mijn zoon en ik uit elka­ars geheugen en gedacht­en zouden weg­dri­jven, als bal­lon­nen, is de onvergeeflijke mis­stap. De keren dat ik hem, na het huis te hebben ver­lat­en, nog zou ont­moeten, zijn op één hand te tellen, ik beken het, ik ver­pul­ver van schaamte.
[p.53, Datum­loze dagen]

We zit­ten dan op ongeveer 1/3 van het boek. In het vol­gende gedeelte (een hoofd­stukindel­ing is er niet) vol­gen we de vad­er-per­soon tot ongeveer aan zijn zes­tig­ste leefti­jd. En inder­daad zijn de ont­moetin­gen die hij met zijn zoon heeft op de vingers van één hand te tellen. Bij toe­val en vol onbe­grip. Met Brouw­e­ri­aanse allure wordt beschreven hoe de vad­er en de zoon gevan­gen zit­ten in hun onmacht om con­tact te mak­en:

Twee heren, vreem­den voor elka­ar, aan de witte wijn op een ter­ras in Wenen […] De jong­ste der heren, ter­wi­jl hij snip­pert­jes van de envel­op scheurt, zegt alleen iets als de oud­ere hem iets vraagt, de oud­ere put zich energiek uit in goed­wil­lend­heid, maar het is duidelijk dat hij de ander niet bereikt, deze voelt zich opgeprikt –vlin­der die een knop­speld door zijn lijf voelt gaan–  er vallen voort­durend wakken in de ijsko­r­re­lige con­ver­sa­tie.
[p.103, Datum­loze dagen]

Het lijkt er op alsof hun lev­ens niet meer zullen kruisen. Doch het nood­lot brengt hen nog een­maal bij elka­ar terug. Het laat­ste deel van het boek is gewi­jd aan de peri­ode dat één van hen bei­den dodelijk ziek in het zieken­huis ligt (ik verk­lap hier niet wie) en de ander ver­zoekt om op bezoek te komen. Het toe­val wil dat ik dit stuk aan het lezen was net op het moment dat Vrouwke van Stavast een blog pub­liceerde over ster­ven (ik heb er een reac­tie bij geplaatst). Haar blog was n.a.v. het artikel Mijn lichaam, mijn scher­fvest door Arnon Grun­berg in de NRC. Een artikel wat mij ook al opgevallen was en erg aansprak. Ik moest opnieuw denken aan mijn vad­er. Die loopt momenteel wat te sukke­len met zijn gezond­heid. Omdat hij niet meer een van de jong­ste is  gaan mijn gedacht­en soms onher­roe­pelijk naar het onver­mi­jdelijke. Daar baal ik dan van omdat het me een rot­gevoel geeft. Vooral van­wege de link die je automa­tisch legt (onbe­wust, maar toch) naar het gegeven dat de lev­ens van je oud­ers niet oneindig zijn. Het lei­d­de ertoe dat ik de afgelopen dagen iet­wat meer gepre­oc­cu­peerd was met het fenomeen ‘dood’ en ‘doo­dgaan’. Het boek sloot hier mooi bij aan. Tre­f­fend vond ik het citaat bij­na op het eind:

Onze angst geldt niet de dood, maar het ster­ven, waar men zich geen beeld van kan vor­men, anders dan in huiselijke trant: het licht gaat uit, de machine stopt. Slaat ook de de geest onmid­del­lijk en defin­i­tief op tilt, zoals ik graag zou weten?
[p.156, Datum­loze dagen]

Er komt een moment dat we antwo­ord kri­j­gen op die vraag.

Datum­loze dagen
Jeroen Brouw­ers
ISBN 9789045000695

~ ~ ~

Zie ook: Tes­ta­ment

~ ~ ~

Tags

(all tags)

Tweets