Wanhoop — Nabokov

Het invullen van een declaratiefor­muli­er na een kort zak­en­reis­je naar het buiten­land is tegen­wo­ordig een bezigheid op zich. Op mijn bureau heb ik een stapel bon­net­jes en ander bewi­js­ma­te­ri­aal voor me liggen. Moede­loos blad­er ik door de verkreukelde papiert­jes, op zoek naar de dagko­ers voor de Britse pond. In de kantli­jn van mijn heentick­et naar Birm­ing­ham zie ik het woord­je ‘Wan­hoop’ staan. En daaron­der, ‘Nabokov’. Ik had het er zelf op geschreven ter­wi­jl de stew­ard uit­leg gaf over hoe de nooduit­gang te ope­nen. Schuin voor me, aan de andere kant van het gang­pad, zat mijn ver­meende dubbel­ganger. Wat ik zo van achter kon zien, was dat hij lichtelijk kalend was.
Lat­er, op mijn hotelka­mer heb ik geprobeerd te ont­dekken of dat ook bij mij het geval was.

Mij trof onze gelijke­nis als een rariteit die bijkans een won­der was. […] In mijn ogen was hij mijn dubbel­ganger, een wezen dat fysiek aan mij gelijk was. Die absolute overeenkomst was wat mij zo’n sid­der­ing tot in het merg gaf.
[p.20, Wan­hoop, Vladimir Nabokov]

De ik-per­soon uit het ver­haal van Nabokov ont­moet op een dag een zwerv­er die als twee drup­pels water op hem lijkt. Er ontstaat bij hem een geni­aal plan om deze haveloze man van zijn kled­ing te voorzien en hem ver­vol­gens te ver­mo­or­den. Ver­vol­gens zou hij onder­duiken in het buiten­land in afwacht­ing van zijn echtgenote die het verzek­er­ings­geld zou opstrijken.

De per­soon die gelijke­nis met mij zou ver­to­nen had ik niet zelf ont­dekt. Het was zijn buur­man die het gezien had. Res­olu­ut was hij een kwartiert­je gele­den op mij afgelopen en had me ferm de hand gedrukt. Pas na enkele minuten wilde hij geloven dat hij zich ver­gist had. Dat ik niet zijn col­le­ga uit een andere ves­tig­ing was. Mom­pe­lend ver­wi­jderde hij zich uit de rij en pak­te zijn mobielt­je. Ikzelf bleef met iets van span­ning wacht­en tot­dat zijn col­le­ga, die wel onwaarschi­jn­lijk veel op mij moest lijken, zou arriv­eren. Heimelijk hield ik hem in de gat­en.

[…] gesprek in een hoois­chu­ur op een warme, donkere nacht: ‘Ja, dat was me een rare, die snu­iter die ik een keer tegenkwam. Beweerde dat we dubbel­gangers waren.’ Gelach in het donker: ‘Jij zag zelf dubbel, ouwe zuiplap.’
[p.49, Wan­hoop, Vladimir Nabokov]

Vorige week stond in de krant dat Nabokov na zes­tig jaar ein­delijk gelijk kreeg met zijn the­o­rie over de ver­sprei­d­ing van vlin­der­soorten met blauw iris­erende kleuren. Hij was van mening dat de Amerikaanse soort zoveel overeenkomst ver­toonde met een­zelfde Azi­atis­che vari­ant, dat ze wel aan elka­ar ver­want moesten zijn. Nu is door DNA onder­zoek bewezen dat dit klopt. Deze link was in zijn ogen mogelijk door het regel­matig droog­vallen van de Beringstraat, waar­door een over­tocht mogelijk werd. Een uit­leg die nooit serieus werd genomen. Tot vorige week, dus.

Eerlijk gezegd weet ik niet zek­er of mijn dubbel­ganger schuin voor me zat. Het kan natu­urlijk zo zijn dat de col­le­ga van de man die me aansprak zich ergens anders in het vlieg­tu­ig ophield. Omdat ze het niet gelukt was plaat­sen naast elka­ar te reserveren. Feit is dat de per­soon gezeten in de stoel schuin voor me, totaal niet op me leek. Althans, niet in mijn belev­ing.

Maar kun je dat zelf eigen­lijk wel zien? Of iemand op je lijkt? Het deed me toen al denken aan ‘Wan­hoop’. Van­daar de aan­teken­ing.

De ik-per­soon uit Wan­hoop had zich in ieder geval verkeken. Als hij vanu­it zijn buiten­landse schuilplaats de kran­ten onder ogen kri­jgt die meld­ing mak­en van de brute moord, is hij ver­bi­js­terd:

Nu daagde me pas wat me het diepst had geschokt en beledigd: er werd met geen woord over onze gelijke­nis gerept; niet alleen had men er geen com­men­taar op (ze had­den bijvoor­beeld op z’n minst kun­nen zeggen: ‘Ja, de gelijke­nis dwingt bewon­der­ing af, maar aan die en die ken­merken was te zien dat het lijk van een ander moest zijn’) maar er werd zelfs geen woord over gezegd — wat de indruk wek­te dat het slachtof­fer een arme sloe­ber was die er heel anders uitzag dan ik.
[p.171, Wan­hoop, Vladimir Nabokov]

~ ~ ~

  • mijn gevoel zegt dat je jezelf alti­jd anders ziet dan een ander dat zou doen. Het zit ‘m in de details. Maar hier schuilt geen weten­schap achter, althans niet, voor zover mij bek­end.

  • Ik geloof wel in dubbel­gangers. Ik denk echt dat er niet maar een van mij rondloopt…ik zou er graag twee van mij hebben… #neemhet­ni­ete­serieus 😉

  • .. het blog stond tussen mijn favori­eten, die ik van­daag een voor een heb bekeken. Van­daar dat ik hier nu ben..

    Ik ben mijn eigen ik nog nooit tegen gekomen, al zijn er wel mensen in mijn omgev­ing die op mij lijken, als in gedacht­en, ideeën en meer. Maar qua uiter­lijk.. nee. Ik hoor wel eens van anderen dat ze mij tegen zijn gekomen en me hebben gegroet. En dat ik geen antwo­ord had gegeven maar een beet­je stom­pzin­nig naar hen had ges­taard.
    Mijn naam is haas.

    Het ver­haal van Nabokov is natu­urlijk prachtig!

Comments are closed.

Tags

(all tags)

Tweets