CITO-toets 2012

Uit­gelek­te opzet voor een gecom­bi­neerde opgave in de leerge­bieden ‘Kun je reke­nen op je vrien­den’, ‘Begri­jpen anderen wat ze vluchtig lezen’ en ‘Welke school­plein pes­ter­i­jen kan ik lat­er verwacht­en’.

Place­hold­er voor opdracht 10 A
Moeil­ijkhei­ds­graad: Gemid­deld
Tijds­du­ur: 1 min­u­ut (gezien de snelle respon­sti­jd die heden­tendage gehanteerd wordt op het inter­net kan/mag men niet verwacht­en dat de leer­ling hier te lang over nadenkt)

Uit­slag meen­e­men in weg­ing voor: Pri­mair => loy­aliteits­gevoel; Secundair: over­lev­ingsstrate­gie; (opmerk­ing: dit staat nog ter dis­cussie; vol­go­rde kan veran­deren; is ook afhanke­lijk van het karak­ter­profiel van de leer­ling)

Con­text opdracht:
In de wereld van van­daag ver­schuiv­en de vriend­schaps­ban­den die de leer­ling onder­houdt zich steeds meer van de realiteit (gebruik ook de term IRL als de leer­ling niet bek­end is met het fenomeen ‘realiteit’) naar de vele vrien­denkrin­gen op de sociale media plat­forms (check kort vóór pub­li­catie of merk­na­men als Hyves, Twit­ter, Face­book nog steeds bestaan, of ‘hot’ zijn; het is belan­grijk aansluit­ing te houden met de belev­ingswereld van de leer­ling). In de opdracht wordt gepoogd een veelvoorkomende con­flict­si­t­u­atie op deze plat­for­men samen te vat­ten in een abstracte for­mule (ook hier geldt dat de for­mule en gebo­den oploss­ingsrichtin­gen vooraf getoetst moeten wor­den op de dan beschik­bare mogelijkhe­den op een soci­aal plat­form). De leer­ling wordt getest op het snel doorzien van de sit­u­atie en een passende actie te kiezen die past bij zijn/haar karak­ter­profiel.

Opdracht:
Stel je bent zelf per­soon A.
De genoemde per­so­n­en B t/m E zijn ‘virtuele’ vrien­den op je favori­ete sociale media plat­form (bv Hyves, Twit­ter of Face­book).

Op een bepaald moment log je in en begin je de laat­ste bericht­en door te lezen. Die zijn als vol­gt samen te vat­ten:
A is vriend met B. A is ook vriend met C. B is ook vriend met C. C is vriend met D. B is ook vriend met D. D maakt ruzie met B. B zegt vriend­schap met D op. C bli­jft vrien­den met D. B vraagt C om vriend­schap met D op te zeggen. C weigert. B dreigt C om dan de vriend­schap met C op te zeggen. C weigert. B zegt vriend­schap met C op. B vraagt aan A om vriend­schap met C op te zeggen. C vraagt aan A om vriend­schap met B op te zeggen. D heeft vriend­schapsver­zoek aan A ges­tu­urd. E heeft A een privébericht ges­tu­urd waarin staat dat B niet te vertrouwen is. E is vrien­den met C en D.

Wat doet A?

Er mag slechts één mogelijkheid gekozen wor­den:

  1. Logt in paniek uit
  2. Zegt de vriend­schap­pen met B en C op. Weigert vriend­schapsver­zoek D. Stu­urt vriend­schapsver­zoek naar E
  3. Laat alles zoals het is en schri­jft blog over de heden­daagse uit­wassen op het social media plat­form
  4. Heft account social media plat­form op
  5. (probeer in de aan­loop naar de toets­da­tum meer mogelijkhe­den samen te stellen om duidelijk­er weer­gave te kri­j­gen van de onmo­gelijkheid tot juiste keuzes; vergeet niet het aspect van kinder­achtigheid wat hier­mee vaak gepaard gaat te benadrukken in min­i­maal één van de keuze­mogelijkhe­den)

~ ~ ~

Nu ook op Nurks!

* BREKEND * NIEUWE CITOLEAKS OPGEDOKEN * BREKEND *

~ ~ ~

5 Comments

Geweldig idee!!
Antwo­ord 5 zou kun­nen zijn: “Schenkt een bor­rel in/rookt een join­t­je en gaat er eens goed voor zit­ten”
Hoewel ik toch waarschi­jn­lijk antwo­ord 1 al had gekozen!