Proef

Hij pakt het met­al­en stuk gereed­schap op van de tafel en laat het los­jes bal­anceren in de palm van zijn hand. Per­fect in even­wicht. Tevre­den sluit hij zijn hand en brengt de voorkant van het voor­w­erp dichter bij zijn gezicht. Aan­dachtig bestudeert hij de puntige uitein­des. Zijn scherpe blik op zoek naar onvolkomen­heden of achterge­bleven resten van vorige sessies. Niets van dat al te bespeuren. Langza­am laat hij zijn hand zakken en kijkt recht in de ogen van de vrouw. Haar link­er ooglid trilt een beet­je. Als hij een min­za­am lach­je op zijn gezicht tovert lijkt zij iets te ontspan­nen.

Niet slecht,” zegt hij. “Vergeleken met die wan­presta­tie van gis­ter.”

Het ooglid begint als op com­man­do onmid­del­lijk heftiger te trillen. Een tijd­lang ver­roert hij zich niet. Licht­jes voorover gebo­gen snuift hij met korte teug­jes de lucht onder zijn neus op. De neusvleugels ver­wi­j­den en sluiten zich in een regel­matige cadans. Met de ogen ges­loten slaakt hij een diepe zucht.

Goed. Heel goed.” Hij kijkt haar weer aan. “Tot nu toe.”

De vrouw durft nu ook heel even te glim­lachen. Maar haar mond ver­strakt weer in een rechte streep wan­neer hij zijn hand optilt en het blink­ende metaal in de lucht houdt.

So far, so good. But as they say, the proof is in the pud­ding.”

En met die woor­den kijkt hij naar bene­den en speurt naar de juiste plek om het gereed­schap zijn werk te lat­en doen. Een­maal gevon­den aarzelt hij geen moment en brengt het werk­tu­ig in de juiste posi­tie. Langza­am begint hij druk uit te oefe­nen. Onder zijn hand voelt hij hoe de materie meegeeft. Hij kijkt de vrouw weer aan. Reg­istreert dat de trilling in haar ooglid weer terug is. Ze opent haar mond om iets te zeggen. Hij vraagt zich af wat haar excu­us zal zijn. Of het vol­doende zal zijn. Dan schi­et de vork door de gaar gekook­te aar­dap­pel heen. De tik van metaal op porse­leinen galmt door de keuken. Zij kijkt hem verwacht­ingsvol aan. Haar lip­pen getu­it voor een nog niet uit­ge­spro­ken zin. Hij staart naar de geplette sub­stantie op zijn bord. Dan weer naar haar.

Per­fect,” verzucht hij uitein­delijk. “Hele­maal per­fect.”

Opgelucht begint zij nu ook voor haarzelf een por­tie aar­dap­pels op haar bord te schep­pen ter­wi­jl haar echtgenoot verder gaat met prakken.

~ ~ ~

Ode aan de aar­dap­pel

De aar­dap­pel heb ik lief daar hij,
Strevend naar volkomen rond­heid,
Alti­jd ànders rond is,
En oog­jes heeft
Als van een blind­ge­boren diert­je.

Ik heb hem lief daar hij, zo lekker,
Door de Groten wordt misk­end;
Daar zijn kruid zo lelijk
En zijn bloem zo onaanzien­lijk is,

En vooral daar hij
(Alsof hij wist dat hij in vrouwen­hand
Belandt)
Beschei­den en beschaamd
Zijn kloot­jes
Ver­bor­gen houdt onder het zand.

Ben Cami (1920–2004)

~ ~ ~

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets