Voer voor psychologen — Eric: Seizoen 1

Deze blog­post is deel 4 van 14 in de serie Eric & Sofie

[04:00 uur] Gitzwart water klotst tegen ges­loten sluis­deuren. Dode vis­sen hebben een tijdelijke rust­plaats gevon­den en deinen op hun zij zacht­jes daar waar de stro­ming geen vat op hen heeft. Her en der dekken dikke vlokken schuim de erg­ste troep toe. Mis­selijk­mak­ende put­lucht voorzi­et het gehele tafer­eel van een bij­passend aro­ma.

Een zit­bankje, ooit hier neergezet in een tijd dat de sluis nog een func­tie had en dagelijks vele boten voor­bij kwa­men, staat op de kade. Geni­etend van een sigaret kijkt Eric uit over de des­o­late plek.

Het gelige licht van de dim­licht­en van z’n auto werpt lange schaduwen. Af en toe klinkt de roep van een nachtvo­gel. Het zal nog wel even duren voor­dat de dager­aad aan­breekt.

Vroeger, toen dit kanaal de door­gaande vaart was, ging ik wel eens met m’n vad­er een stuk verderop vis­sen. Ik was nog erg jong de eerste keer dat ik met ‘m mee mocht. De wekker had ik op vier uur ’s ocht­ends gezet om toch maar wakker te zijn wan­neer hij me kwam roepen. De hele nacht kon ik bij­na niet slapen van de span­ning. In de verte hoorde ik de nacht­trein rij­den. Af en toe kwam er een auto door onze straat gere­den en dan sch­enen de lam­p­en door m’n kamer. Heel even werd dan m’n hen­gel ver­licht die al stond te wacht­en tegen de deur­post. Daar­na werd het weer donker en stil.’

Eric inhaleerde diep om ver­vol­gens de sigaret op de grond te gooien. Hij draaide zich naar z’n slachtof­fer naast hem op het bankje.
‘Ging jij ook ooit met je vad­er uit vis­sen?’ Zon­der het antwo­ord af te wacht­en stond Eric op en liep naar de rand van het kanaal. Er klonk een zachte plons. Alsof er een nat washand­je in het water werd gegooid. Heel even meende Eric iets in het water te ont­waren. Een rat? Of een pal­ing?

Any­way. Natu­urlijk viel ik tegen de ocht­end uit­geput in slaap, en heeft m’n vad­er ver­schil­lende keren moeten roepen voor­dat ik wakker werd. Op weg naar onze vis­plek ben ik in de auto opnieuw in slaap gesukkeld. Aangekomen bij het kanaal was het aarde­donker en voor mijn gevoel ijsk­oud. Het was hele­maal niet wat ik me ervan had voorgesteld. De teleurstelling en ver­moei­d­heid droop van m’n gezicht. Maar m’n vad­er liet niets merken en bleef prat­en en maak­te m’n hen­gel in orde. We zocht­en een mooi plek­je op en wier­pen aas in het water om vis­sen te lokken. Om ons heen begonnen de vogels te ont­wak­en en het eerste ocht­endlicht gaf de laaghangende mist op het water iets onwerke­lijks. Het is een heer­lijke dag gewor­den.’

Eric staarde voor zich uit. Al die tijd had hij staan prat­en zon­der zich tot z’n slachtof­fer te wen­den. Even was hij weer die kleine jon­gen die met z’n vad­er ging vis­sen. Achter zich wist hij het bankje met daarop het slachtof­fer. Het werd tijd om afscheid te nemen.

Wist je dat m’n vad­er de eige­naardigheid had om z’n legkip­pen een tweede kans te geven?’
Eric liep terug naar de zit­bank. Voor z’n slachtof­fer gekomen knielde hij en keek hem in de wij­dopen ogen. ‘Wan­neer een kip niet vol­doende eieren legde, dan werd die kip apart gezet. De hak­bi­jl lag naast het hok, goed zicht­baar. De kip had haar lot in eigen hand.’
Er vol­gde geen reac­tie. Eric ging weer staan en tilde z’n slachtof­fer op.
‘Voor ons was het om ’t even. Legde de kip naar behoren, dan aten we eieren. Zo niet, tsjak, kop er af en had­den we ’s avonds kip­pen­soep. En omdat m’n vad­er goed kon koken, was het alti­jd smullen.’

Opnieuw bij de waterkant aangekomen stond Eric weer stil.
‘Ja, ik weet wat je wil zeggen. Je hebt geen tweede kans gehad. Eigen­lijk heb je hele­maal geen kans gehad. Dat klopt. Maar jij bent dan ook geen kip, niet­waar?’
Stilte.
‘En ik heb geen slechte jeugd gehad’, zo ver­vol­gde hij, alsof om zichzelf gerust te stellen. ‘Alle­maal voer voor psy­cholo­gen.’

Maar voor­lop­ig ben jij voer voor vis­sen’, grin­nik­te hij zelfvoldaan en liet z’n slachtof­fer in het water vallen. Het gelu­id van de plons deed wat vogels opschrikken. Uit­di­jende krin­gen ver­wi­jder­den zich om gelei­delijk op te gaan in de natu­urlijke dein­ing van het water. Teruglopend naar z’n auto bedacht Eric dat hier een mooi voed­er­plek­je voor vis­sen was ontstaan.

[ergens anders, maar rond dezelfde tijd]
Een vrouw ont­waakt vroeg in de ocht­end. Het duurt even voor ze beseft dat haar man niet bij haar in bed ligt. Wat vreemd is, omdat zij alti­jd degene is die als eerste opstaat. Ze besluit te gaan kijken waar hij is omdat de stilte in huis onnatu­urlijk aan­voelt. Als haar man al opges­taan was, dan had ze iets moeten horen. Bad­kamergelu­iden. Keuken­gelu­iden.
Niets van dat alles. Slechts doo­dse stilte.

Ze kijkt even naar bin­nen in de kinderkamer. Daar is hun zoon­t­je in diepe slaap. Zijn piepende ademhal­ing is goed te horen en hij heeft een nieuwe luier nodig.

Omdat ze haar man ner­gens ziet, besluit ze naar bene­den te gaan. Op de trap komen flar­den van haar nachtelijke droom langs. Of was het geen droom geweest? Had er iemand naast haar bed ges­taan? En foto’s gemaakt? Een angstig gevoel over­valt haar.

De trap komt uit in de hal. De vrouw haalt diep adem en opent de deur naar de keuken.

Haar man zit aan de keukentafel, niet langer ‘hoofd’ van het gezin.
Dat er een hak­bi­jl op de tafel ligt, is een detail dat ze niet meer meekri­jgt als ze luid­keels gillend het huis uit rent.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Schat­je — Eric: Seizoen 1Weer­loos — Eric: Seizoen 1 »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets