Voer voor psychologen – Eric: Seizoen 1

Deze blogpost is deel 4 van 11 in de serie Eric & Sofie

[04:00 uur] Gitzwart water klotst tegen gesloten sluisdeuren. Dode vissen hebben een tijdelijke rustplaats gevonden en deinen op hun zij zachtjes daar waar de stroming geen vat op hen heeft. Her en der dekken dikke vlokken schuim de ergste troep toe. Misselijkmakende putlucht voorziet het gehele tafereel van een bijpassend aroma.

Een zitbankje, ooit hier neergezet in een tijd dat de sluis nog een functie had en dagelijks vele boten voorbij kwamen, staat op de kade. Genietend van een sigaret kijkt Eric uit over de desolate plek.

Het gelige licht van de dimlichten van z’n auto werpt lange schaduwen. Af en toe klinkt de roep van een nachtvogel. Het zal nog wel even duren voordat de dageraad aanbreekt.

‘Vroeger, toen dit kanaal de doorgaande vaart was, ging ik wel eens met m’n vader een stuk verderop vissen. Ik was nog erg jong de eerste keer dat ik met ‘m mee mocht. De wekker had ik op vier uur ’s ochtends gezet om toch maar wakker te zijn wanneer hij me kwam roepen. De hele nacht kon ik bijna niet slapen van de spanning. In de verte hoorde ik de nachttrein rijden. Af en toe kwam er een auto door onze straat gereden en dan schenen de lampen door m’n kamer. Heel even werd dan m’n hengel verlicht die al stond te wachten tegen de deurpost. Daarna werd het weer donker en stil.’

Eric inhaleerde diep om vervolgens de sigaret op de grond te gooien. Hij draaide zich naar z’n slachtoffer naast hem op het bankje.
‘Ging jij ook ooit met je vader uit vissen?’ Zonder het antwoord af te wachten stond Eric op en liep naar de rand van het kanaal. Er klonk een zachte plons. Alsof er een nat washandje in het water werd gegooid. Heel even meende Eric iets in het water te ontwaren. Een rat? Of een paling?

‘Anyway. Natuurlijk viel ik tegen de ochtend uitgeput in slaap, en heeft m’n vader verschillende keren moeten roepen voordat ik wakker werd. Op weg naar onze visplek ben ik in de auto opnieuw in slaap gesukkeld. Aangekomen bij het kanaal was het aardedonker en voor mijn gevoel ijskoud. Het was helemaal niet wat ik me ervan had voorgesteld. De teleurstelling en vermoeidheid droop van m’n gezicht. Maar m’n vader liet niets merken en bleef praten en maakte m’n hengel in orde. We zochten een mooi plekje op en wierpen aas in het water om vissen te lokken. Om ons heen begonnen de vogels te ontwaken en het eerste ochtendlicht gaf de laaghangende mist op het water iets onwerkelijks. Het is een heerlijke dag geworden.’

Eric staarde voor zich uit. Al die tijd had hij staan praten zonder zich tot z’n slachtoffer te wenden. Even was hij weer die kleine jongen die met z’n vader ging vissen. Achter zich wist hij het bankje met daarop het slachtoffer. Het werd tijd om afscheid te nemen.

‘Wist je dat m’n vader de eigenaardigheid had om z’n legkippen een tweede kans te geven?’
Eric liep terug naar de zitbank. Voor z’n slachtoffer gekomen knielde hij en keek hem in de wijdopen ogen. ‘Wanneer een kip niet voldoende eieren legde, dan werd die kip apart gezet. De hakbijl lag naast het hok, goed zichtbaar. De kip had haar lot in eigen hand.’
Er volgde geen reactie. Eric ging weer staan en tilde z’n slachtoffer op.
‘Voor ons was het om ’t even. Legde de kip naar behoren, dan aten we eieren. Zo niet, tsjak, kop er af en hadden we ‘s avonds kippensoep. En omdat m’n vader goed kon koken, was het altijd smullen.’

Opnieuw bij de waterkant aangekomen stond Eric weer stil.
‘Ja, ik weet wat je wil zeggen. Je hebt geen tweede kans gehad. Eigenlijk heb je helemaal geen kans gehad. Dat klopt. Maar jij bent dan ook geen kip, nietwaar?’
Stilte.
‘En ik heb geen slechte jeugd gehad’, zo vervolgde hij, alsof om zichzelf gerust te stellen. ‘Allemaal voer voor psychologen.’

‘Maar voorlopig ben jij voer voor vissen’, grinnikte hij zelfvoldaan en liet z’n slachtoffer in het water vallen. Het geluid van de plons deed wat vogels opschrikken. Uitdijende kringen verwijderden zich om geleidelijk op te gaan in de natuurlijke deining van het water. Teruglopend naar z’n auto bedacht Eric dat hier een mooi voederplekje voor vissen was ontstaan.

[ergens anders, maar rond dezelfde tijd]
Een vrouw ontwaakt vroeg in de ochtend. Het duurt even voor ze beseft dat haar man niet bij haar in bed ligt. Wat vreemd is, omdat zij altijd degene is die als eerste opstaat. Ze besluit te gaan kijken waar hij is omdat de stilte in huis onnatuurlijk aanvoelt. Als haar man al opgestaan was, dan had ze iets moeten horen. Badkamergeluiden. Keukengeluiden.
Niets van dat alles. Slechts doodse stilte.

Ze kijkt even naar binnen in de kinderkamer. Daar is hun zoontje in diepe slaap. Zijn piepende ademhaling is goed te horen en hij heeft een nieuwe luier nodig.

Omdat ze haar man nergens ziet, besluit ze naar beneden te gaan. Op de trap komen flarden van haar nachtelijke droom langs. Of was het geen droom geweest? Had er iemand naast haar bed gestaan? En foto’s gemaakt? Een angstig gevoel overvalt haar.

De trap komt uit in de hal. De vrouw haalt diep adem en opent de deur naar de keuken.

Haar man zit aan de keukentafel, niet langer ‘hoofd’ van het gezin.
Dat er een hakbijl op de tafel ligt, is een detail dat ze niet meer meekrijgt als ze luidkeels gillend het huis uit rent.

~ ~ ~

Een gedachte over “Voer voor psychologen – Eric: Seizoen 1

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *