Reacties 7

12 minuten

Iets voor half tien liep ik bij de huis­art­sen­prak­tijk naar bin­nen. Niet al te vroeg, maar zeker niet te laat. U raadt het al, ik had een afspraak om half tien.

Een onge­zond ogen­de iet­wat cor­pu­len­te vrouw zat ach­ter een geslo­ten glas­plaat een gesprek te voe­ren. Omdat ze een hoofd­te­le­foon op had, had ze de han­den vrij om deze glas­plaat opzij te schui­ven en mij aan te kij­ken. Ter­wijl ze het gesprek op lui­de toon voort­zet­te maak­te ze een gebaar met haar hoofd. Onge­mak­ke­lijk keek ik van haar weg, zoals altijd wan­neer ik me in de nabij­heid bevind van iemand met een lich­te han­di­cap.

Na een kor­te tijd­span­ne waar­in ik me enigs­zins her­steld had, keek ik haar weer aan. Met­een maak­te ze opnieuw het hoofd­ge­baar. Ik bleef haar deze keer met veel moei­te maar wel vra­gend aan­kij­ken. “Naam?” zei ze. Omdat ik haar ver­der niet wil­de sto­ren besloot ik zolang plaats te nemen in de wacht­ka­mer. Als ges­te schoof ik de glas­plaat weer dicht. Niet ieder­een hoef­de het gesprek te vol­gen.

Ik had nog geen zes stap­pen gedaan toen ik hoor­de hoe de glas­plaat weer open werd gescho­ven. “Naam?” riep die­zelf­de nu enigs­zins op mijn zenu­wen wer­ken­de vrouw. In tegen­stel­ling tot de rest van de wach­ten­den in de wacht­ka­mer die allen ver­schrikt rich­ting de glas­plaat keken negeer­de ik haar, en nam plaats op een van de vele vrije stoel­tjes. Maar niet voor­dat ik ieder­een een wel­ge­meen­de goe­de och­tend had gewenst. Daar­bij maak­te ik een die­pe bui­ging plus bij­be­ho­ren­de zwie­ri­ge bewe­ging met mijn lin­ker­arm. Als­of ik mijn hoed afnam en hen allen daar­mee een groet bracht. Niet dat ik een hoed op had.

Een­maal geze­ten kon ik het niet laten schie­lijk toch even naar de glas­plaat te kij­ken. Dat had ik beter niet kun­nen doen. Mijn kwel­geest hing inmid­dels uit vol­le borst over de toon­bank. “Mijn­heer Pel­le­naars?” vroeg ze. Ik knik­te in het vol­le besef dat ont­ken­nen geen zin had. Ten­slot­te had ik een afspraak gemaakt. “Het spijt me, maar het spreek­uur loopt iets­jes uit. Ik ver­moed dat u over twaalf minuut­jes aan de beurt bent.” Voor­dat ik kon rea­ge­ren trok ze zich terug. Met een klik sloot de glas­plaat zich.

Ver­bou­we­reerd liet ik de mede­de­ling op me inwer­ken. Twaalf. De betref­fen­de wiki­pe­dia­pa­gi­na ver­scheen levens­echt voor mijn gees­tes­oog. Jaren­lan­ge stu­die begon zijn vruch­ten af te wer­pen. “Twaalf is een meer dan elf,” zei ik meer tegen mezelf dan tegen de ande­re wach­ten­den. Waar­om twaalf? Het hok­je met mijn plaag­geest was nu her­me­tisch geslo­ten, zo wist ik, dus daar hoef­de ik het ant­woord niet te zoe­ken. Ik keek om me heen. Inclu­sief mij­zelf zaten er vijf men­sen te wach­ten. “Heb­ben jul­lie ook twaalf minu­ten ver­tra­ging?” zocht ik beves­ti­ging. Er werd ont­ken­nend geknikt. Iemand zei “Tien minu­ten” en een ander “Ik ook tien minu­ten”. Kijk, dat vond ik nou nor­maal. Tien. Of een kwar­tier. In het slecht­ste geval een half uur. Half uur­tje. Maar twaalf? Vreemd.

Om een opko­men­de bui van neer­slach­tig­heid halt toe te roe­pen haal­de ik een mond­har­mo­ni­ca uit mijn bin­nen­zak tevoor­schijn. Het was me een raad­sel hoe die daar terecht was geko­men. Ik zocht ver­der en vond ein­de­lijk mijn mobiel­tje. Gecon­cen­treerd begon ik te twit­te­ren. Ik had nog niet op het ene bericht­je gere­a­geerd of er kwam alweer een nieuw bericht­je bin­nen. Elke keer weer met dat spe­ci­fie­ke deun­tje de iPho­ne zo eigen. Het was een vro­lijk getin­gel­tan­gel daar in die wacht­ka­mer. “U heeft het er maar druk mee,” zei mijn buur­man. “Ja, u weet hoe dat gaat tegen­woor­dig. Ner­gens ben je meer onbe­reik­baar. Altijd gaat het maar door met dat werk. Druk druk druk. Nu weer een vir­tu­e­le ver­ga­de­ring met een aan­tal collega’s uit het Ver­re Oos­ten. Nooit is me eens een moment­je van rust gegund. Ach, ik hoef u niets te ver­tel­len. We zijn allen slacht­of­fer van de moder­ne 24/7 eco­no­mie!” Voor­dat de man kon rea­ge­ren werd hij in zijn rol­stoel de wacht­ka­mer uit geduwd.

Ik keek op mijn hor­lo­ge. Van de twaalf minu­ten waren er nu zo’n drie­ën­twin­tig ver­stre­ken. De wacht­ka­mer begon leeg te raken. Na mij waren er geen nieu­we pati­ën­ten bin­nen geko­men. Pre­cies vijf­tien minu­ten later was ik aan de beurt. De ver­van­ger van mijn vas­te huis­arts kwam me halen. Het was aan­ge­naam ver­toe­ven geweest daar in die wacht­ka­mer en ik besloot dat wereld­kun­dig te maken.

~ ~ ~

0

7 reacties

  1. en zo vind je ver­ha­len op straat, in de wacht­ka­mer, bij de fysi­o­the­ra­peut, bij de kaas­boer en eigen­lijk over­al. Heer­lijk, zo’n over­vol­le wacht­ka­mer zwij­gen­de slacht­of­fers van een uit­ge­lo­pen spreek­uur.

Schrijf een reactie