Boom — 3

Samen sta­ren we naar ergens voor­bij de hori­zon.
Ver­der weg dan waar de toe­komst ons ooit kan bren­gen. En daar dan ach­ter.
Zo ver weg in de tijd voe­len we ons vei­lig. Kun­nen we pra­ten over hoe het dan zou kun­nen zijn. Ons ver­won­de­ren over hoe het ooit zo ver had kun­nen komen. Dat dat maar goed is ook. Want waar­om zou je dat alle­maal in eigen hand wil­len hou­den? Wil­len con­tro­le­ren? Dat kan niet, en dat zou je ook niet moe­ten wil­len. Toch?

Samen filo­so­fe­ren.
Over een tijd waar wij er alle­maal niet meer zijn.

Soms pra­ten.
Over de nabije toe­komst. De heel nabije toe­komst. Iet­wat later van­daag. Mis­schien een beet­je in mor­gen. Maar niet ver­der. Niet over­mor­gen. Of vol­gen­de week. Of wat daar net ach­ter zit.
Nee. Van mor­gen met één gro­te stap naar ergens ach­ter­aan in het onein­di­ge.  Zo ver moge­lijk weg.

Soms naden­ken.
Over vol­gen­de week. Dat kan wel. Dat doen we ook.
Dat weet ik zeker. Als ik het doe moet hij het toch ook doen? Toch?
Maar erover pra­ten? Dat toch nog maar even niet.

Samen sta­ren.
Dat doen we eigen­lijk het liefst.
Ik word al een echt gro­te boom.

~ ~ ~

7 Replies to “Boom — 3”

  1. Man­nen­din­gen. Vader-zoon din­gen. Het her­ken­ba­re onge­mak. En toch zo intiem.
    Dat het nog lang zo mag zijn.

    1. Dank je. Daar gaan we gewoon van uit.

  2. Ik ben geen vader, ik heb geen zoon. Maar zo bomen, dat ken ik wel. Intiem.

    1. Ik weet zeker dat jij dat goed ken! Zo denk ik je te ken­nen, althans 😉

  3. Ik kan het ook. Maar ken is geen spel­fout.

Comments are closed.