Vergaderculturen

Som­mige mensen zouden beter wat meer van zich doen horen, anderen zouden beter wat meer kun­nen luis­teren,” was mijn beschei­den bij­drage aan de dis­cussie die nu al te lang gaande was. Maar ze hoorde het niet. Onver­stoor­baar ratelde ze door over wat in haar ogen alle­maal niet goed geregeld was in Europa. Nie­mand van de aan­wezi­gen nam de moeite naar haar te luis­teren. De meesten waren volop bezig hun email bij te werken of zat­en doc­u­menten door te nemen.

Er viel een korte stilte toen ze even op adem moest komen van haar betoog. Hand­ig maak­te ik gebruik van dit moment door op te staan en de micro­foon te nemen die alleen gebruikt werd wan­neer de omgev­ings­gelu­iden te luid waren. Ik begon te spreken. Over hoe uniek Europa wel niet was en waarom men veel beter het project hier had kun­nen starten in plaats van in de VS. Want dan had­den we al veel eerder de in hun ogen uit­zon­der­ings­gevallen geï­den­ti­ficeerd. En ik had nog meer willen zeggen doch zij was al weer verder gegaan met haar her­hal­ing van zetten.

Ik check­te de micro­foon. Die stond toch echt aan. Er waren schi­jn­baar meer drastis­che meth­o­d­en nodig om haar aan­dacht te trekken. Dus klom ik met veel mis­baar op de tafel en zette de luid­sprek­ers op het hoog­ste vol­ume. Met alle kracht begon ik te schree­uwen. Zo hard ik kon.  Zolang ik kon vol­houden. Zon­der resul­taat. Toen ik zwaar hij­gend mijn pogin­gen moest stak­en zag ik hoe zij nog steeds het hoog­ste woord had.

Over de tafels liep ik naar haar toe, onder­tussen lap­tops, papieren, bek­ert­jes, mobielt­jes op de grond schop­pend. Nie­mand scheen het te merken. Zek­er zij niet. Bij haar tafelt­je aangekomen hurk­te ik voor haar neer en begon uit volle borst te zin­gen: “Ik wil con­tact. Tuut tuut tuut. Tussen jou en mij!”

Niets. Alsof ik niet bestond.

Uiter­lijk ver­sla­gen liep ik terug naar mijn eigen plaats en zonk neer in de stoel. Vanaf deze posi­tie keek ik haar door­drin­gend aan ter­wi­jl ze nog steeds het woord tot mij richtte. Dwars door haar heen keek ik. Naar de witte muur achter haar. Met aan de andere kant de fab­riek­shal waar de arbei­ders luid zin­gend bezig waren nut­tige con­sumenten­pro­ducten in elka­ar te zetten. Verder nog keek ik naar de straat achter de hal, met het kleine bushok­je bestemd voor de rokers. Het was er nu niet zo druk. Zek­er geen pauze meer. En nog verder. Over de snel­weg. Naar het vliegveld. Over de oceaan. Naar ons hoofd­kan­toor. Naar haar afdel­ing. In haar project. Op zoek naar een geschikt plek­je.

En een­maal gevon­den. Plaat­ste ik een bom. Met een timer. In haar project. Op een geschikt plek­je. Aan de andere kant van de oceaan. Alleen ik wist wan­neer die timer zou afgaan. Haar project zou ont­plof­fen.

Dat was de macht die ik bezat. Waar­van zij geen weet had.

Wijze woor­den,” zei ze toen mijn blik weer was neergedaald op haar.
Ik deed alsof ik haar niet hoorde.

~ ~ ~

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets