Plankenkoorts

Doen waar je goed in bent. Hoe moeilijk kan dat zijn? Het antwoord lijkt simpel. Maar wat nu wanneer je zelf niet zo overtuigd bent van het feit dat je ergens goed in bent. Of, iets specifieker, dat je niet zo overtuigd bent van het feit dat je goed bent in datgene waarvan anderen beweren dat je er zo goed in bent. Dat jij bijvoorbeeld als een berg opziet tegen een bepaalde klus en dat anderen je op het eind complimenteren met hoe voortreffelijk je de klus geklaard hebt. En alweer een nieuwe klus hebben klaarliggen voor je. Zonder te weten dat je nachten hebt wakker gelegen, badend in het zweet vanwege allerlei angstvisioenen die alleen maar bevestigen wat jij allang weet: dat je een faalhaas bent. Een garantie voor mislukking. Het is slechts een kwestie van tijd voordat het fout gaat.

Wie herkent zich niet in dit beeld? Ik in ieder geval wel. Niet dat ik mezelf elke ochtend na een doorwaakte nacht richting kantoor moet slepen. Wel dat ik jaren geleden door deze fase ben gegaan. Om eenmaal op kantoor de vreemde gewaarwording te hebben dat je in een droomwereld ronddwaalt waar iedereen je op de schouder klopt en jijzelf iedere keer ineenkrimpt. De dolkstoot in de rug vermoedt die alleen maar terecht daar diep tussen je schouderbladen gedreven wordt om eindelijk korte metten met je te maken. Een einde te maken aan deze farce.

Echter het blijft bij complimenten. En jij gaat je steeds ongemakkelijker voelen. Wachtend op dat fatale moment. Dat ooit komt.

Maar das war einmal. Tegenwoordig slaap ik slaap der onschuldigen. Ik heb vaak genoeg laten merken dat ik niet geschikt voor de klus ben. Dat er echt wel betere kandidaten zijn dan mijzelf. Kandidaten met een hogere opleiding. Beter gemotiveerd om de klus te klaren. In alle opzichten beter dan ik. Wat kan ik nog meer doen?
In ieder geval er niet meer van wakker liggen.

Doch de sluimerende angst van de plotselinge ontmaskering blijft. En dat brengt mij terug bij de beginvraag: Doen waar je goed in bent. Hoe moeilijk kan dat zijn?
Vandaag had ik weer zo’n gesprek. Er ligt een leuke uitdaging te wachten. Eentje die mij op het lijf geschreven is. Slechts weinigen binnen de organisatie zouden hieraan een goede invulling kunnen geven. Althans volgens degene die aan het woord was. En terwijl ik ogenschijnlijk rustig de complimenten in ontvangst nam voelde ik de eerste zweetdruppels ijzig koud over mijn rug naar beneden glijden. De weinige tegenwerpingen die ik op het eind schijnbaar voor de vorm nog stamelend wist uit te brengen werden glimlachend van de tafel geveegd. Ik moest eens ophouden zo bescheiden te zijn, zo luidde de conclusie.

Op weg naar huis vroeg ik me af wat voor mezelf nu belangrijker was. De nieuwe klus? Of de angst dat ik niet de juiste persoon ben?
En ik zocht de vergelijking met plankenkoorts voorafgaande aan een optreden. Indien ik werkelijk zo’n goed acteur was waarvoor men mij hield, maar ik tegelijkertijd zo gekweld werd door de onvermijdelijke plankenkoorts die mij elke keer weer zo op de rand van de afgrond bracht, wat was dan belangrijker? Een plankenkoorts die vaak niet eens volledig verdween tijdens de performance zelf. Wat dan te doen? Accepteren dat dat hele zenuwengedoe er bij hoort? Dat het de prijs is die je dient te betalen voor een goede uitvoering? Of blijven staan voor de drempel en kiezen om het podium links te laten liggen? Dan maar geen acteur. Wat ook uitgelegd kan worden als een vorm van falen.

Doen waar je goed in bent. Hoe moeilijk kan dat zijn?

Ik ben er nog niet uit.

~ ~ ~

4 Reacties

  1. Dat is vast en zeker de adrenaline die je nodig hebt. Ik herken het, de faalangst maar ook de ervaring die die doet verdwijnen tot er zich weer een nieuwe, andere uitdaging voordoet.

  2. Inderdaad, als er continu een vreselijke plankenkoorts blijft, dan kan je er misschien wel goed in zijn, maar dan geldt nog niet dat waar je goed in bent je ook leuk vind…

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *