Nachtleven

We waren nog maar net het sta­tion uit­gere­den toen de trein alweer met een zucht tot stil­stand kwam. Hoewel, we. Ik had het idee dat er buiten de machin­ist verder hele­maal nie­mand in de trein zat dan ikzelf. En ook daaraan begon ik te twi­jfe­len nadat een volle vijf minuten lat­er er nog steeds geen aanstal­ten gemaakt wer­den om verder te rij­den. Het zou nog span­nend wor­den om de laat­ste bus te halen wan­neer we ein­delijk weer in beweg­ing zouden ger­ak­en. In het raam­p­je zag ik mezelf weer­spiegeld. Buiten was niets te zien. Pik­donker. De maan ver­sc­holen achter een dicht wolk­endek.

Met veel gekraak trok de trein na nog eens enkele minuten weer langza­am op. Zon­der verdere prob­le­men arriveer­den we niet veel lat­er bij het eerstvol­gende sta­tion waar ik er uit moest. Al die tijd was er niets omgeroepen, nie­mand voor­bij gekomen of geen con­t­role geweest. Vooral dat laat­ste betreurde ik niet want ook deze keer had ik de gok genomen om geen kaart­je aan te schaf­fen. Snel stapte ik uit. Op het schaars ver­lichte sta­tion keek ik om me heen. Com­pleet ver­lat­en. Vanu­it het hogergele­gen per­ron had ik uitzicht op de bushalte. De bus was in geen velden of wegen te zien. Er zat niets anders op dan naar huis te lopen.

Gelukkig was het droog. Eerder die avond had het al een paar keer flink gere­gend. Mijn kleren waren zo goed als opge­droogd nadat ik vooral tij­dens de laat­ste bui ner­gens goed had kun­nen schuilen om maar niet de trein te hoeven mis­sen. Toch trok er een huiv­er­ing door mijn lichaam toen ik bij het omgaan van de bocht halver­wege mijn weg naar huis twee gedaantes mij tege­moet zag komen.

Hoewel de buurt waar ik woon niet echt geken­merkt kan wor­den als een ruige of gevaar­lijke buurt, zijn er toch dagen waarop de ocht­end­kran­ten ope­nen met grofko­r­re­lige foto’s van slachtof­fers die gevallen zijn bij dodelijke steek­par­ti­jen. Meestal zijn het onschuldige voor­bi­j­gangers die hoogst­waarschi­jn­lijk ver­wikkeld zijn ger­aakt bij een vecht­par­tij. Of miss­chien getu­ige zijn geweest van een ille­gale straathandel. Naar mijn weten zijn de daders of dad­er nooit opgepakt.

Ik voelde diep in mijn zakken en vond het kleine zakmes wat ik alti­jd bij me droeg en ooit van mijn vad­er gekre­gen had. Nu we elka­ar wat meer genaderd waren kon ik zien dat de twee tege­moetkomende fig­uren zo goed als zek­er jon­gens waren. Jonge­man­nen. Zek­er geen vol­wassen man­nen. Dus onvoor­spel­baar in hun gedrag. Met mijn rechter­hand opende ik voorzichtig het mes. Voorzichtig om mijn bin­nen­zak niet open te sni­j­den. Ik kon de jon­gens horen lachen. Ze maak­ten er een sport van om elka­ar van het trot­toir te duwen. Ik had het idee dat ze mij nog niet gezien had­den.

Zacht­jes schraapte ik mijn keel en liet mijn hoge hakken iets hard­er op de stoeptegels komen. Tegelijk keken ze op. Ze had­den me inder­daad nog niet opge­merkt. We waren zo’n tien meter van elka­ar ver­wi­jderd. De kle­in­ste van de twee maak­te bin­nens­mond een of andere opmerk­ing en stompte zijn vriend hard in de zij. Die vloek­te en deed een paar passen opz­ij. Wan­neer ik door zou bli­jven lopen en zij ook dan zouden ze mij links en rechts passeren. Nog­maals schraapte ik mijn keel. Maar ik zei niets. Ik haalde alleen diep adem.

Toen de kle­in­ste mij aan de link­erkant voor­bij liep, hoorde ik hem opnieuw iets zeggen. Het klonk als ‘Goeieav­ond, mevrouw’, maar ik kan me ver­gis­sen. Ik had me teveel op zijn vriend gecon­cen­treerd die zich in de zij stond te wrijven. Mijn jas had ik inmid­dels openges­la­gen en met mijn link­er­hand trok ik mijn blouse wat naar bene­den zodat hij vol zicht had op mijn nu ont­blote link­er­borst. Hij staarde ver­bouw­ereerd voor zich uit. Zijn han­den hin­gen besluiteloos langs zijn lichaam. “Mooi?” vroeg ik en stootte het mes diep in zijn onder­buik. Nog met zijn ogen wij­dopen zak­te hij in elka­ar. Achter mij hoorde ik hoe zijn kleine vriend nader­bij kwam. Ook nu mom­pelde hij weer iets wat ik niet goed kon ver­staan. Ter­wi­jl hij buk­te om zijn vriend overeind te helpen stak ik het mes driemaal snel in zijn nek. Het bloed spoot alle kan­ten uit.

Vlug maak­te ik me uit de voeten. Ik keek niet meer op of om. Nie­mand had me gezien. Nie­mand mocht me zien. Voor­dat ik het mes opborg lik­te ik het ver­lekkerd schoon. De bus had ik dan wel gemist, maar ik had er iets beters voor teruggekre­gen.

~ ~ ~

5 Comments

Geef een reactie