Regen

Wat?” vroeg ik.
Ze zei opnieuw wat ze eerder zei. In iets andere bewo­ordin­gen. Wel net zo bedachtza­am. En net zo duidelijk als de eerste keer.
Ik had het goed ver­staan. De eerste keer al. Ontken­nen had geen zin. Niet naar haar en niet naar mezelf.
Ik bleef al die tijd naar buiten kijken. De dreigende wolken waren eerder aan komen rollen. Nu vie­len de eerste zware drup­pels in ver­trag­ing naar bene­den. Loom stu­iterend zocht­en ze zich een weg naar de brede voe­gen tussen de straat­ste­nen. Waar ze verd­we­nen.
“Ben je er nog?” vroeg zij.
Maar ik vroeg me af waar de drup­pels bleven. Dat leek nu het aller­be­lan­grijk­ste in mijn lev­en. Al het andere moest wacht­en tot­dat dit raad­sel was opgelost. Hoe kon­den die drup­pels zomaar uit de lucht komen vallen en in het niets verd­wi­j­nen? Dat vroeg om ophelder­ing. Mijn volledi­ge aan­dacht had ik daar­voor nodig.
“Ja” zei ik nog. “Ik ben er.”
De tele­foon had ik op de tafel voor me gelegd. Op de luid­sprek­er­stand. Zodat ik mijn han­den vrij had om mijn hoofd te onder­s­te­unen. Op de denk­stand. Het was hard­er gaan rege­nen.
“Heb je het een beet­je kun­nen vol­gen?”
Nog een vraag. Het leek wel een ver­hoor. Snapte ze dan niet dat ik bezig was? Het was al moeil­ijk genoeg om door het besla­gen raam te vol­gen hoe de drup­pels zich nog steeds poog­den te ver­ber­gen in de ver­sleten steeg. Ik mocht ze geen ogen­blik uit het oog ver­liezen.
“Denk je dat je maandag vrij kunt nemen?”
Ik merk­te hoe ik steeds onrustiger werd. Wat wilde ze toch van mij? Natu­urlijk kon ik vrij nemen. Natu­urlijk had ik haar kun­nen vol­gen. Natu­urlijk had ik haar al de eerste keer ver­staan. Maar ik zou zo graag een regen­drup­pel willen zijn. En samen met haar verd­wi­j­nen. Met al die andere regen­drup­pels.
Diep wegge­do­ken. Ver­bor­gen voor alles en iedereen. Veilig.
Dat dacht ik alle­maal ter­wi­jl ik tegelijk­er­ti­jd zag hoe de voe­gen verzadigd waren gewor­den. Hoe er zich water­plas­jes begonnen te vor­men. En hoe de eerste gehaaste voor­bi­j­ganger er zich doorheen baande. Het opper­vlak door­brak en de samen­hang ver­sto­orde. De verza­melde drup­pels alle kan­ten op joeg.
Een­maal los van elka­ar, elka­ar voor­goed ver­loren.
“Ben je er nog?” vroeg zij opnieuw.

regen~ ~ ~

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets