Afzondering

Af en toe. Niet al te vaak. Dan trekt hij zich terug in zijn stu­deer­ka­mer. Wan­neer hij alleen thuis is. En zeker weet dat hij de komen­de uren niet gestoord gaat wor­den. Voor de zeker­heid de stek­ker uit de bel van de voor­deur. Alle tele­foons in huis uit­ge­scha­keld. De deu­ren op slot. Want hij wil alleen zijn. Even­tjes hele­maal niets en nie­mand aan zijn hoofd.

In zijn stu­deer­ka­mer. In de hoek. Daar knielt hij neer. Met het gezicht naar de muur. Niet omdat hij straf heeft. Of boe­te moet doen. Het is de lege wand die hem gerust weet te stel­len. Hem uit het hier en nu haalt.

Wan­neer hij lang genoeg blijft kij­ken naar het wit voor hem, voelt hij zich ver­dwij­nen. Diep in de tijd. Terug naar vroe­ger. Vroe­ger dat min­der don­ker is dan toen het nu was. Hij heeft geleerd dat hij niet alleen ver­ant­woor­de­lijk was voor de ver­keerd uit­ge­val­len keu­zes die hij heeft gemaakt. Dat heeft hem veel moei­te gekost. Ook veel tijd. Nu lukt het om erlangs te kij­ken. Er over­heen. Naar de goe­de tij­den. Hij kan genie­ten. Van toen. Om gesterkt terug te keren in het nu.

Vol zelf­ver­trou­wen staat hij op. Hij is inmid­dels alle besef van tijd kwijt. Het is sche­mer­don­ker in zijn kamer. Even aar­zelt hij voor­dat hij een lamp aan doet. Plots staan daar al zijn boe­ken in het scher­pe licht. Soms afge­wis­seld door sou­ve­nirs ver­za­meld tij­dens ver­schil­len­de rei­zen die hij gemaakt heeft. Tevre­den kijkt hij rond. Het voelt goed. Hij pakt wil­le­keu­rig een exem­plaar uit de kast. Laat zijn vin­gers over de kaft gaan. Bla­dert naar zomaar een blad­zij­de. Leest een pas­sa­ge hard­op voor.

Zijn woor­den klin­ken, tril­len na in de ruim­te. Ont­snap­pen dan onder de dich­te deur naar bui­ten. Er blijft slechts stil­te. Hij luis­tert. Hoort elke nuan­ce in die tota­le afwe­zig­heid van elk geluid. Om ver­vol­gens diep adem te halen.

Met een fer­me zwaai gooit hij de deur open en loopt de over­loop op. De rea­li­teit springt hem niet onver­wacht in de nek. Slechts met moei­te lukt het hem de trap af te dalen. Elke stap met groei­en­de weer­zin gezet.

Ooit zal hij voor altijd die deur geslo­ten hou­den.

~ ~ ~

10 reacties

    • Peter zegt:

      Ik weet ook niet altijd waar het van­daan komt of wat het te bete­ke­nen heeft. Soms spo­ken er sce­nes, flar­den zin­nen, etc. door mijn hoofd die ik uit­ein­de­lijk maar opschrijf. Zon­der pre­cies door te heb­ben of het over mezelf gaat, of dat het voort­vloeit uit gesprek­ken met ande­ren, beel­den op tv, of iets wat ik gele­zen heb.

  1. Elja zegt:

    Intri­ge­rend, eens. Maar ook een beet­je beang­sti­gend, duis­ter, een­zaam. Waar haal je het toch van­daan, Peter? Prach­tig om zo wak­ker te wor­den geschud weer.

    • Peter zegt:

      Ik weet ook niet waar het soms van­daan komt of wat het te bete­ke­nen heeft. De zin­nen vor­men zich van­zelf naar een ver­haal waar­van ik niet altijd bij het begin wist dat ik het ging ver­tel­len. Heer­lijk om te doen, maar ook soms voor mij ver­ont­rus­tend wan­neer ik het eind­re­sul­taat terug­lees.

      • Zou dat ook zijn wat er gebeurt bij de auteurs die van die gru­we­lij­ke boe­ken schrij­ven, en van die gru­we­lij­ke epi­so­des van TV-series, en beang­sti­gen­de films en zo? Hmmm. Niet dat dit daar mee te ver­ge­lij­ken valt (want soms denk ik: is het nou wel OK om al dat geweld en al die angst de wereld in te slin­ge­ren, men­sen?). Maar ik vraag me altijd af wat zo’n schrij­ver van een hor­ror sto­ry nou denkt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *