Afstand

Langer dan ik mij wist te herin­neren was ik bezig om het pad in de achter­tu­in sneeuwvrij te mak­en toen ik op een dag een soort gezoem hoorde. Het kwam van ergens een heel eind boven mij. Was het een observerende helikopter of een passerend vlieg­tu­ig op weg naar voor mij onbek­ende bestem­ming? Nieuws­gierig keek ik op. En zag mijn zicht gehin­derd door laaghangende takken bedekt met verse sneeuw. Daar­tussendoor waren slechts frag­menten strak­blauwe heldere ocht­end waarneem­baar. Hoe ik ook mijn best deed, ik kon met geen moeite door het takge­was heen kijken om de herkomst van het inmid­dels afzwakkende gelu­id te trac­eren. Even lat­er was het weer doo­d­stil in de lucht. Gefrus­treerd her­vat­te ik mijn win­terse werkza­amhe­den.

Niet veel lat­er vie­len de eerste ijs­drup­pels smeltende sneeuw in mijn onbe­dek­te hals. Huiv­erend voelde ik ze ter­gend langza­am over mijn rug naar bene­den gli­j­den. Ik keek nog­maals op naar de takken boven mij. Vol hoop dit­maal. Een korte inschat­ting leerde mij dat het nog min­stens een halve dag zou duren voor­dat de meeste sneeuw verd­we­nen zou zijn en mij een betere blik gegund zou zijn op dat wat zich nu nog aan mijn spiedend oog wist te ont­trekken. Daar kon ik niet op wacht­en. Miss­chien was het beter wat meer afs­tand te nemen. Zo dicht op de takken zouden ze zelfs in al hun kaal­heid nog in staat zijn mij te belem­meren te zien wat ik wilde zien.

Ik nam plaats op de koude grond. Ging zelfs op mijn rug in de opge­hoopte sneeuw liggen. En keek omhoog. Naar de takken. Door de takken. Voor­bij de takken. Zover ik kon zien.

Om niets te zien. Hele­maal niets.

Teleurgesteld stond ik na een poos op. De sneeuwschuiver die ik al die tijd had vast­ge­houden voelde nut­teloos aan. Wat moest ik er mee? Het halfvri­jge­maak­te pad zou of vanzelf wel sneeuwvrij ger­ak­en van­wege de inval­lende dooi. Of zich anders weer toedekken met een wit dons­deken mocht het toch nog gaan sneeuwen. Mijn inbreng was van nul en gen­er­lei waarde. Wie zat er eigen­lijk op te wacht­en? Ik liep naar het schu­urt­je en zag het overige tuin­gereed­schap wacht­en op andere tij­den. Met een zucht sloot ik de deur nadat ik de sneeuwschuiver een plaat­sje ergens achter­aan had gegeven. Ik keek niet meer omhoog onder­weg van schu­ur naar huis.

~ ~ ~

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets