Mus

In het dorp waar ik opgroei­de had­den de meesten van ons bij­na­men. Vaak waren het sub­tiele veran­derin­gen van iemands voor- of achter­naam. Nog vak­er had het te mak­en met een (on)opvallende fysieke eige­naardigheid, die door ons voor het juiste effect promi­nent uitver­g­root werd. Maar in een enkel geval stond de bij­naam hele­maal op zichzelf en was het niet geheel duidelijk hoe iemand er aan gekomen was.

Mij is alti­jd ‘de Mus’ bijge­bleven. Pas nu ik het voor de eerste keer opschri­jf valt me op dat ik het als vanzelf­sprek­end met een hoofdlet­ter schri­jf. Het rare is dat we meerdere ‘mussen’ in ons dorp had­den. Nog vreemder was dat wan­neer we het over ‘de Mus’ had­den, dat we gewoon­lijk wis­ten over welke ‘mus’ we het dan had­den. Zelfs als er twee ‘mussen’ in dezelfde anec­dote zat­en dan luk­te het ons om zon­der nadere aan­duid­ing toch de ene ‘mus’ van de andere ‘mus’ te onder­schei­den. Ze waren tenslotte alle­maal ver­schil­lend. Die mussen.

Ik heb wel eens een aan­tal Chi­nese collega’s (op bezoek van­wege een of ander project) in ver­twi­jfel­ing horen uitroepen dat ze ons (Euro­pea­nen) niet uit elka­ar kon­den houden omdat we alle­maal zo op elka­ar lijken.

Samen met ‘de Mus’ (die kleine water­vlugge met dat licht­bru­ine iets te lange haar, die enkele strat­en verderop woonde) waren we, met nog wat andere kwa­jon­gens uit de buurt, op het dak van een fiet­sen­stalling bij zijn lagere school gek­lom­men. Het was een lome mid­dag waarop we ons alle­maal verveelden. Een­maal op het dak veran­derde daar niets aan. Lus­teloos zat­en we naast elka­ar met onze benen bun­ge­lend over de rand. Een typ­is­che zomer­vakantiedag.

Plots maakt ‘de Mus’ zich los van het dak en valt als een bak­steen naar bene­den. Achter me hoor ik enkele jon­gens in lachen uit­barsten. “De mussen vallen van het dak”, roept er een­t­je. “Zo warm is het”, vult een ander aan. Gierend van de pret rollen ze over het dak. Ver­bi­js­terd kijk ik hen aan. Waren ze echt zo gek geweest om ‘de Mus’ een zetje te hebben gegeven? Zomaar, voor de grap? Bene­den ligt ‘de Mus’. Net wan­neer ik van plan ben om de sprong te wagen staat hij op. Lachend klopt hij zijn kleren af. Op zijn knie vormt zich een rode plek. Bloed loopt over zijn scheen­been in zijn sok. “Zullen we gaan voet­ballen?”, zo vraagt hij.

In Chi­na waren in 1958 mussen het doel­wit om mas­saal bestre­den te wor­den. Omdat ze graan­zaden aten. En dat kon men tij­dens ‘de Grote Sprong Voor­waarts’ niet gebruiken. Mao mobiliseerde het land voor een totale oor­log tegen de mus:

Door op trom­mels te rof­fe­len, pot­ten te lat­en klet­teren of op gongen te slaan werd een reusachtige her­rie gecreëerd, zodat de mussen bleven vliegen tot ze zo uit­geput waren dat ze gewoon uit de lucht vie­len. Eieren wer­den kapot­ge­maakt en jonge vogels gedood; de vogels wer­den ook uit de lucht geschoten.
[p.220, Mao’s mas­samo­ord, door Frank Diköt­ter]

Maar:

Er deden zich ongelukken voor door­dat mensen van dak­en, palen en lad­ders afvie­len. In Nan­jing klom Li Haod­ing op het dak van een school­ge­bouw om bij een mussennest te komen, maar ver­loor zijn even­wicht en viel drie verdiepin­gen naar bene­den.
[p.221, Mao’s mas­samo­ord, door Frank Diköt­ter]

Toen we lat­er vol­doende buurtgenoot­jes had­den gevon­den om een par­ti­jt­je te voet­ballen heeft ‘de Mus’ bei­de grap­pen­mak­ers uiterst tre­fzek­er met enkele gerichte tack­les uit­geschakeld. In Chi­na namen de mussen op een andere manier wraak. Omdat ze com­pleet waren uit­geroeid kon­den aller­lei insecten (waaron­der de gevrees­de sprinkha­nen) onge­hin­derd alle gewas veror­beren zon­der dat de boeren daar iets tegen kon­den doen.

Illus­tratie: Every­body comes to beat (or kill) spar­rowsChineseposters.net

~ ~ ~

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets