20130518

Weg­on­der­bre­king: 
Deze week had ik een opdracht. Ik moest op punt B een enve­lop­pe opha­len om die terug te bren­gen naar punt A. Het was op een door­de­week­se vrije dag. Iets dat mij niet vaak over­komt. Een ande­re keer meer over het hoe en waar­om daar­van. Eerst moest ik op weg. Naar punt B. Ergens hal­ver­we­ge bleek de weg te stop­pen. Er werd aan gewerkt. Niet getreurd. Men had een alter­na­tief in de aan­bie­ding. Rou­te Z kon gevolgd wor­den. Ik reed ver­der in een voor mij vreem­de wereld. Links en rechts bomen die voor­bij zoef­den. Alleen rechts stroom­de een kanaal. Of een beek. Ik wist dat niet. Was hier nog nooit geweest. Maar het meest ver­won­der­de ik mij over de auto’s voor mij. Die wis­ten blijk­baar alle­maal waar ze naar toe moesten. Had­den een doel. Ter­wijl ik hen slechts volg­de. Nog steeds onder­weg naar punt B. Ech­ter hele­maal ver­lo­ren in de ruimte.

Een alles­over­heer­sen­de gedach­te drong zich plots aan me op. Vul­de de hele auto. Wat deed ik hier? Op aarde?

Wat is hier­op uw antwoord?

Bij de eer­ste de bes­te par­keer­plaats stop­te ik. De ande­re auto’s, de bomen en het kanaal niet. Alles bewoog. Had rich­ting. Behal­ve ik. Ik was hele­maal tot stil­stand geko­men. Ver­stild. Bevro­ren. Op zoek naar een ant­woord hoe­wel ik het allang wist. Dat ik het niet wist. Geen doel. Doel­loos. Zo bewoog ik me al mijn hele leven. Bewe­gen om het bewe­gen. Rus­te­loos. Niet om ergens te komen. Want waar zou dat moe­ten zijn? Ik had geen idee. Nooit gehad.

Ik keek naar de auto’s die me pas­seer­den. Pro­beer­de de inzit­ten­den te ont­wa­ren. Alle­maal had­den ze een vast­be­ra­den blik. Ze keken voor­uit. Waren ergens naar op weg. Zoals ook ik op weg was naar punt B. Via bor­den met Z. Maar dat was geen doel. Dat was slechts een invul­ling voor deze och­tend. Stel dat ik niet had hoe­ven te gaan. Wat had ik dan gedaan? Natuur­lijk, hobby’s genoeg. Een dag­je vrij om eens wat ont­span­nends te doen. Even weg van het werk. Ik had me er op ver­heugd. En kijk, nu zat ik totaal gedes­o­ri­ën­teerd in mijn auto ergens op een plek waar ik nog nooit eer­der was geweest. Over­val­len door de vraag aller vra­gen. Waar­om ben ik hier? Op aarde?

Wat is hier­op mijn antwoord?

Waar­om kwam ik niet met de voor de hand lig­gen­de reac­tie? Dat mijn vrouw, mijn gezin, mijn fami­lie en ga zo maar door, mijn bestaans­recht vor­men. Voor hen ben ik hier. Voor hen doe ik alles. Maar dat was niet het juis­te ant­woord. Omdat ik wist dat het daar nu niet om ging. Dit ging die­per. Aan alle voor de hand lig­gen­de ant­woor­den voor­bij. Ook reli­gie kon ik afschrij­ven. Te mak­ke­lijk. Deze vraag kwam recht­streeks uit het gro­te niets wat het begin en ein­de vormt van alles wat wij niet weten. Waar­om zijn wij hier? Wat doen wij hier? Op aarde?

Wat is hier­op ons antwoord?

Een exis­ten­ti­ë­le cri­sis. Zomaar in de schoot gewor­pen. Die alles radi­caal op z’n kop zet­te. In één klap was het fun­da­ment weg­ge­sla­gen onder mijn rus­te­loos voort­kab­be­len­de bestaan. Ik had beter kun­nen gaan wer­ken van­och­tend. Wer­ken. Aan opdrach­ten. Waar­om was ik hier? Ver­der­op zag ik een zwar­te Z. Op een geel bord. Met vas­te hand stuur­de ik mijn auto tus­sen de voort­ra­zen­de bomen de weg op. Rich­ting punt B. Eerst maar eens die enve­lop­pe opha­len. En terug­bren­gen naar punt A. Dat was over­zich­te­lijk. Daar­na zien we wel verder.