So the story goes


18181 — zondag

Gis­ter­avond had ik blijk­baar de koel­kast niet han­dig inge­ruimd na het eten want deze och­tend viel er een bak­je uit wat ik nog maar net kon opvan­gen. Er zat een stuk spa­re­rib in wat over­ge­ble­ven was van het avond­eten. Met een dub­bel gevoel zet­te ik het bak­je weer terug. Ja, ik had het tij­dig weten te van­gen voor­dat het op de grond zou zijn geval­len. Nee, ik zou het hoogst­waar­schijn­lijk niet meer opeten. Tus­sen gis­ter­avond en van­mor­gen zat name­lijk weer een stuk tekst van Jona­than Saf­ran Foer wat ik gele­zen had. De titel was ‘Sli­ces of Para­di­se / Pie­ces of Shit’, en vormt het zes­de hoofd­stuk in Eating Ani­mals.

Het lezen in Eating Ani­mals gaat me moei­zaam af. Niet omdat het slecht geschre­ven is. Inte­gen­deel. JS schrijft uit­zon­der­lijk goed. Hij weet elke blad­zij­de opnieuw de juis­te toon en woor­den te vin­den om zijn hor­ror-ver­haal over de dier­on­te­ren­de prak­tij­ken in de bio-indu­strie mee­sle­pend over te bren­gen. Als ik zou wil­len had ik het boek met­een de eer­ste dag al uit­ge­le­zen. Maar ik ben pas hal­ver­we­ge. Met angst en beven beweeg ik me schoor­voe­tend naar het ein­de. Grijp elke gele­gen­heid tot uit­stel aan. Alle­maal van­we­ge de con­fron­ta­tie die bij het dicht­slaan van het boek op me wacht. In gang gezet door J.M. Coet­zee die juist bij het open­slaan mij onver­wachts over­viel met zijn kor­te aan­be­ve­ling om na het lezen een keu­ze te maken die haast onver­mij­de­lijk is:

The eve­ry­day hor­rors of fac­to­ry far­ming are evo­ked so vivid­ly, and the case against the peo­p­le who run the sys­tem is pre­sen­ted so con­vin­cin­gly, that any­o­ne who, after rea­ding Foer’s book, con­ti­nues to con­su­me the industry’s pro­ducts must be wit­hout a heart, or imp­er­vious to rea­son, or both.

Heb ik geen hart? Ik dacht altijd van wel. Maar heb ik dat hart waar­van ik claim dat het over­loopt van die­ren­lief­de op de goe­de plaats zit­ten? Of ben ik een laf­aard die weg­loopt voor wat Foer (en hij niet alleen trou­wens, ik heb er onder­tus­sen genoeg over gele­zen op ande­re plaat­sen) mij ali­nea na ali­nea, hoofd­stuk na hoofd­stuk dui­de­lijk pro­beert te maken. Ben ik niet voor zijn rede vat­baar en laat ik mijn eigen genot om een smaak­vol stuk­je vlees of vis te mogen ver­or­be­ren pre­va­le­ren boven het leed dat deze die­ren wordt aan­ge­daan? Als­of ik met zeker­heid kan bewe­ren dat die smaak (wat ik meen te her­ken­nen als zo typisch kip of rund) wel echt authen­tiek is en geen smaak­ver­van­ger.

Het eni­ge wat ik met zeker­heid kan zeg­gen is dat ik wel weet waar dit ein­digt. Maar ik ben er nog niet aan toe. Nog niet. En dus leg ik Foer aan de kant en pak After Dark van Haruki Mura­kami. Even­tjes geen die­ren­leed. Tijd voor een stuk­je ont­span­ning. Acht blad­zij­des gaat het goed. Tot­dat de vol­gen­de pas­sa­ge zich aan­dient:

“You don’t like chic­ken?” he asks.
“It’s not that,” Mari says. “But I make a point of not eating chic­ken out.”
“Why not?”
“Espe­ci­al­ly the chic­ken they ser­ve in chain res­tau­rants — they’­re full of weird drugs. Growth hor­mo­nes and stuff. The chic­kens are lock­ed in the­se dark, nar­row cages, and given all the­se shots, and their feed is full of che­mi­cals, and they’­re put on con­ve­yor belts, and machi­nes cut their heads off and pluck them…”
“Whoa!” he says with a smi­le.

Het is me dui­de­lijk. Ik ont­kom er niet aan om eerst Eating Ani­mals uit te lezen.

En?

En!?

Ok! En om een keu­ze te maken. Niet met mijn hoofd, maar van­uit mijn hart. Zo goed?

~ ~ ~

Van­daag is de laat­ste dag van #syn­chroon­kij­ken (het immens popu­lai­re ini­ti­a­tief van Else Kra­mer) aan­ge­bro­ken. Het zal even wen­nen zijn om mor­gen­och­tend op te staan zon­der een foto-opdracht in de mail­box. Maar geluk­kig heeft Else beloofd om met een nazorg­mail te komen. Dat zal nodig zijn wan­neer ik zie hoe­veel tijd en enthou­si­as­me menig­een in deze bij­zon­de­re week heeft gestopt. Het was ont­zet­tend gaaf om mee te heb­ben gedaan, hoe­wel ik er nu een sok aan heb over­ge­hou­den die zich­zelf op een voet­stuk heeft geplaatst en alleen nog maar met de nodi­ge égards behan­deld wil wor­den. Een sok met kap­so­nes, dat is geen sok…

De opdracht voor dag 5: Foto­gra­feer jezelf
Van­daag mag je een zelf­por­tret maken.
En als je nu denkt ‘ik wil niet her­ken­baar met mijn hoofd onli­ne’: dat hoeft niet.
Dan foto­gra­feer je gewoon een klein stuk­je van jezelf. Of je doet iets con­cep­tu­eels qua­si onher­ken­baar.

~ ~ ~

De zon­dag­och­tend, dat begint steeds meer een dag van tra­di­tie, rou­ti­ne of medi­ta­tie te wor­den. Het is maar hoe je er naar kijkt. In ieder geval is het de gewoon­te om vroeg op te staan en een goed ont­bijt te nut­ti­gen wat de kans krijgt om te kun­nen zak­ken voor­dat ik een rond­je ga ren­nen. Tij­dens het ont­bijt scan ik de blogs door die ik pro­beer te vol­gen. Daar­na wat kran­ten en tijd­schrif­ten tot­dat het tijd is voor de #pop­me­di­ta­tie die stan­daard iede­re zon­dag­och­tend om 8 uur door Ste­ven Gort wordt ver­zorgd. Van­daag alweer voor de 80ste keer!

Tij­dens het onder­gaan van de #pop­me­di­ta­tie schrijf ik aan mijn eigen weke­lijk­se zon­dag­och­tend­blog. Om 9 uur wil ik een nieu­we vraag voor het #50books ini­ti­a­tief klaar heb­ben staan. Dat lukt steeds beter hoe­wel het een enke­le keer wat later wordt. Maar hoe dan ook, wan­neer het blog gepost is, dan trek ik mijn sport­kle­ren aan voor een rond­je ren­nen. Inmid­dels heb ik voor de zon­dag een vast rond­je uit­ge­zocht wat pre­cies 10 kilo­me­ter lang is, exclu­sief het stuk­je par­cours wat ik gebruik voor war­ming-up en coo­ling-down. Het is ook pre­cies de afstand die ik 31 augus­tus ga ren­nen in het kader van Run for Kika.

Wan­neer ik hard­loop denk ik gaan­de­weg aan steeds min­der. Ik pro­beer het lopen te onder­gaan. Mijn hoofd leeg te ren­nen. Daar­bij gebruik ik de laat­ste tijd een num­mer van Neil Young dat 27 minu­ten en 51 secon­den duurt. Op de repeat-stand kan ik het 2x afluis­te­ren en ben dan klaar met mijn 10 km. Het num­mer is gro­ten­deels instru­men­taal en brengt me in een soort van tran­ce waar­in het mak­ke­lijk lopen is. De tekst sluit won­der­wel aan bij de gemoeds­toe­stand die ik pro­beer te berei­ken en de sub­tie­le over­gang op 1:25 vind ik van een ont­roe­ren­de schoon­heid:

In my medita­ti­on
I block out all my thoughts
When they come back I push them out
Like Jes­us had a rock

Heel soms lukt het niet om in dat medi­ta­tie­ve loop­rit­me te komen. Ik blijf me bewust van mijn fysiek. Dij­en die tegen elkaar schu­ren. Zweet wat over mijn gezicht stroomt. Het hij­gen, het kreu­nen. De ande­re lopers en loop­sters die ik zie. Hun dei­nen­de bil­len, bor­sten. Hun gehijg, gekreun. En dan kan ik maar aan één ding den­ken. Sor­ry. Wei­nig ver­hef­fend eigen­lijk. Of ik denk aan niets. Of ik denk aan seks. De reme­die is om har­der te gaan ren­nen. Als­maar har­der. Waar­door ik er bin­nen de kors­te keren zo door­heen zit dat ik er de eer­ste uren zelfs niet meer aan wil den­ken.

2 reacties op “18181 — zondag”

  1. Vege­ta­ri­ër of niet..?
    .. cha­cha­cha..

  2. Heb je nou een keu­ze gemaakt?

    Ik zeg: DOEN 😉