Doolhof

Een aan­tal dagen gele­den bevond ik mij in een stad waar ik nooit eerder was geweest. Het begon al te schemeren en ik was op zoek naar mijn auto. Ik wist waar ik ‘m gepar­keerd had maar kon de juiste straat niet meer vin­den. Ze leken hier alle­maal op elka­ar. De huizen en de strat­en. Ook de straat­na­men gaven geen enkele hou­vast. Gevoels­matig kon ik net zo goed rond­dolen door iden­tieke strat­en geplaatst in een gebied van enkele vierkante meters als waren ze uit­ges­meerd over vele hon­der­den vierkante kilo­me­ters. Het zou geen ver­schil uit­mak­en. Ik wist op voor­hand dat er nog uren gin­gen ver­strijken zon­der dat ik ook maar een glimp van mijn auto zou ont­waren. En bij elke dreigende accep­tie van de ned­er­laag hem niet te kun­nen vin­den dat hard­nekkige idee dat hij net om de vol­gende hoek zou kun­nen staan. Steev­ast gevol­gd door de desil­lusie van het tegen­deel. Hoop en wan­hoop woon­den hier in dezelfde straat. En de hele stad was uit dezelfde strat­en opgetrokken.

Ik had er geen zin in. Waarom zou ik me bezighouden met iets waar­van bij voor­baat al vast­stond dat ik niet kon win­nen? Impulsief door­brak ik het patroon en schoot een nauwe steeg in tussen twee huizen. Aan de andere kant kwam ik uit op een soort van bin­nen­plaats. Er ston­den enkele straat­lantaarns waar­van er een­t­je licht gaf. Voor de rest was het er ver­lat­en. Uit een van de huizen klonk gedempt muziek. In het mid­den van het plein­t­je was een mini-speel­tu­in. Een zand­bak, een schom­mel en een gli­jbaan. Ik nam plaats op de schom­mel en wiegde op de maat van de muziek. Af en toe kwam een bleke maan tevoorschi­jn tussen de ges­taag voor­bi­j­dri­jvende wolken. Mijn gedacht­en gin­gen ver terug. Zo ver dat het pijn deed in mijn hoofd. Het koude ijz­er van de ket­ting waarmee de schom­mel beves­tigd was gaf een beet­je ver­licht­ing.

Een deur ging ergens open en weer dicht. Voet­stap­pen schuifelden in de schaduw van de over­hangende huizen voor­bij. Een hond blafte naar nie­mand in het bij­zon­der. De muziek was gaan liggen. Mijn schom­mel hing stil. Aan de andere kant van de gang was de straat als vanouds. Om de hoek stond mijn auto. Dat wist ik zek­er.

~ ~ ~

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets