Wat alleen de roman kan redden

Deze blog­post is deel 3 van 43 in de serie Een per­fecte dag voor lit­er­atu­ur

Laat ik begin­nen met niet zomaar een willekeurig (alles wordt hier tenslotte met voorbe­dachte rade gedaan ook al heb ik dat niet zelf in de hand) citaat:

Om een beschav­ing te verni­eti­gen, moet je geen boeken ver­bran­den. Over­tu­ig gewoon de mensen om er geen meer te lezen.
[Ray Brad­bury; Amerikaans sci­ence-fic­tion schri­jver (1920–2012)]

Tij­dens het (her)lezen van het essay ‘Wat alleen de roman kan zeggen’ (waar­bij ik mezelf elke keer weer moet ver­beteren omdat ik vanaf het begin ‘Wat alleen de roman ons vertellen kan’ als titel in mijn brein heb opges­la­gen) door Oek de Jong, moest ik regel­matig aan boven­ver­meld citaat denken. Toen ik mijn aan­tekenin­gen zat door te nemen kreeg ik het idee dat dit onder andere te mak­en had met som­mige sug­gestieve hoofd­stuk­ti­tels als ‘Een beschav­ing van de roman’ en ‘Overvloed en onbe­ha­gen’, maar vooral door de lit­er­atu­urop­vat­ting van De Jong:

Ik zou wel de stelling aan­dur­ven dat de roman, in han­den van een groot schri­jver, ons de meest omvat­tende blik op het menselijk lev­en kan bieden, vooral omdat de roman als geen ander medi­um de kos­mos van onze bin­nen­wereld kan verken­nen. [p.89]

Er is dus vol­gens De Jong een belan­grijke rol voor de roman, of beter gezegd voor de lit­er­atu­ur in zijn alge­meen­heid, weggelegd als essen­tieel onderdeel bin­nen onze beschav­ing, omdat het als enige nog in staat is ons te ver­lossen, ‘en dat is waar we heimelijk alti­jd naar ver­lan­gen: het ongri­jp­baar iets dat ons ver­lost’ [p.89].

Het essay van De Jong is onderdeel van ‘een reeks essays van vooraanstaande Ned­er­landse en Vlaamse auteurs die wil bij­dra­gen aan het debat over een steeds veran­derend en zichzelf steeds weer vernieuwend genre: de roman’ (aldus de achterbin­nen­flaptekst). De Jong heeft in zijn essay voor de vol­gende aan­pak gekozen: via een posi­tiebepal­ing van de roman aan het begin van de 21ste eeuw (waar het niet meer die promi­nente plaats inneemt welke het lange tijd heeft gehad), wor­den ver­vol­gens enkele unieke eigen­schap­pen van de romankun­st ver­meld, waar­na de stap genomen wordt naar het beant­wo­or­den van de vraag in hoev­erre de roman zou kun­nen over­leven in het huidi­ge tijds­gewricht.

Vanzelf­sprek­end komt tij­dens deze postiebepal­ing uit­ge­breid de span­ning aan bod die de dig­i­tale rev­o­lu­tie en de daarmee gepaard gaande medi­a­cul­tu­ur heeft gebracht, waar het beeld de over­hand heeft gekre­gen over de tekst. Vaak wordt dit als iets negatiefs gebracht: met de opkomst van film en tv zou de ver­lei­d­ing van het beeld zodanig groot zijn gewor­den dat de con­sument gelei­delijk aan (en gro­ten­deels onbe­wust ) gekozen heeft voor het com­fort van het kijken zon­der inspan­ning. Men neemt de moeite niet meer om een boek open te slaan en zich te verdiepen in wat de schri­jver ons te bieden heeft. Er is teveel aflei­d­ing en het past niet langer in ons con­sump­tiepa­troon van ‘de snelle hap’. Ter­wi­jl de roman juist nog steeds zoveel belan­grijks te vertellen heeft. Alleen geeft goede lit­er­atu­ur niet alti­jd meteen zijn geheimen pri­js. We nemen er de tijd niet meer voor. En dat is jam­mer. Het posi­tieve wat hier tegenin gebracht kan wor­den is dat de nieuwe tijd ook nieuwe mogelijkhe­den (grot­er bereik, betere dis­trib­u­tie, meer aan­bod, etc.) heeft gebracht. Maar de slot­som is toch dat de negatieve bijver­schi­jnse­len van de nieuwe media de over­hand hebben gekre­gen.

Vol­gens De Jong is het daarom belan­grijk dat lit­eraire schri­jvers zich focussen op een aan­tal unieke eigen­schap­pen van de lit­er­atu­ur die hopelijk kun­nen bij­dra­gen tot een vernieuwing waar­door de roman opnieuw een plaats kan opeisen die recht doet aan wat ze te vertellen heeft. In zijn ogen gaat het om de vol­gende eigen­schap­pen:

  • de ver­beeld­ing van het intieme;
  • de kracht van zin­tu­iglijk proza;
  • de inspi­ratie van de tra­di­tie;
  • en het belang van een hoog sti­jl­be­wustz­i­jn.

Het gaat bij Oek de Jong niet zozeer om een rad­i­cale vernieuwing van het genre, maar eerder zoals hij zelf schri­jft, om ‘de mogelijkhe­den van de vor­men die er al zijn verder uit [te] werken’ [p.51].

Langza­am komen we zo bij de kern (althans zo zie ik het) van zijn betoog. Vooral in de twee hoofd­stuk­jes over de ver­beeld­ing van het intieme en de kracht van het zin­tu­iglijk proza spat het ent­hou­si­asme van Oek de Jong van de pagina’s. Strooiend met voor­beelden uit de wereldlit­er­atu­ur (ook wel zijn eigen per­soon­lijke canon, zo lijkt het soms) laat hij zien hoe de romankun­st in staat is om de diepere lagen van ons inner­lijke lev­en, onze (onbe­wuste) bewee­gre­de­nen en han­delin­gen, bloot te leggen. De tra­di­tie (dezelfde canon) en sti­jl­be­wustz­i­jn kun­nen de roman­schri­jver leren hoe ze deze belan­grijke lessen moeten vor­mgeven om ze eeuwighei­dswaarde te geven. Of toch op z’n minst onder­schei­dend te lat­en zijn op het moment van uitkomen.

Maar hoewel De Jong dit alles gepas­sioneerd weet te beschri­jven, wringt zich hier wel de schoen. Ondanks dat ik het voor het over­grote deel met hem eens ben met betrekking tot het voor­gaande, mis ik een con­creet antwo­ord op zijn in het laat­ste gedeelte van het essay geponeerde vraag hoe de roman zou kun­nen over­leven. Opnieuw komt hij met geweldig mooie voor­beelden uit de klassiek­ers die lat­en zien wat alleen de roman zeggen kan (sor­ry, wat alleen de roman kan zeggen). Hij hoeft mij niet meer te over­tu­igen, want ja, ik ben het volledig met hem eens dat de roman zeg­gingskracht heeft die al het andere ver weet te over­sti­j­gen. Alleen lijkt het tegen­wo­ordig meer en meer tegen dove­man­soren gezegd. De vraag is hoe de roman dat­gene wat ze te zeggen heeft, zodanig gebracht kan wor­den dat het ook gelezen gaat / bli­jft wor­den. Of moeten we accepteren dat een plaats in de marge voor de lit­er­atu­ur het hoogst haal­bare is. Hij geeft het eigen­lijk zelf al aan op pag­i­na 86: ‘… schri­jvers en lez­ers hebben alti­jd tot een min­der­heid beho­ord.’

Ik ben bang (banger dan Oek de Jong) dat het belan­grijk­ste wat de roman ons vol­gens De Jong te bieden heeft (namelijk: ‘de werke­lijkheid van de eigen tijd beschri­jven én tegelijk­er­ti­jd steeds méér werke­lijkheid in de roman explor­eren.’ [p.37]) voor­taan diezelfde mar­ginale rol zal bli­jven spe­len. Het zal nooit hele­maal verd­wi­j­nen, maar ik lees bij De Jong helaas niet wat de roman­schri­jver daad­w­erke­lijk kan helpen om deze vorm van (hogere) lit­er­atu­ur meer op de kaart te kri­j­gen. Ner­gens zie ik con­crete voor­beelden wat er echt anders moet om de lez­ers van nu de belan­grijke romans van nu te lat­en lezen. Ik snap dat Oek de Jong niet de tover­for­mule achter de hand heeft, maar iet­wat meer tips en trucs had ik wel verwacht. En dat helpt mij niet om mijn eigen pes­simistis­che visie op de rol van de lit­er­atu­ur, en dus tevens op een zekere mate van broodnodi­ge zel­fre­flec­tie bin­nen onze beschav­ing, weg te nemen.

Waar De Jong zegt:

Uitein­delijk gaat het niet om het over­leven van de roman, maar om het voortbestaan van de lit­er­atu­ur. [p.88]

zegt hij dus eigen­lijk dat het voortbestaan van een wezen­lijk ele­ment in onze beschav­ing in het ged­ing is wan­neer de roman­schri­jver niet voor elka­ar kri­jgt om dat wat alleen de roman kan zeggen ook daad­w­erke­lijk gelezen te kri­j­gen. Er is dus uitein­delijk een veel grotere rol weggelegd om de lez­er allereerst weer aan het lezen te kri­j­gen van de echt belan­grijke romans. Dat die voor­lop­ig geschreven zullen wor­den, daar heb ik (net als Oek de Jong) wel geloof in. Maar ze moeten gelezen wor­den. Want alleen de roman kan ons red­den.

In ‘Wat alleen de roman kan zeggen’ schri­jft een gepas­sioneerd roman­schri­jver over zijn méti­er in een nieuwe tijd. Het gaat over beeld­cul­tu­ur en lit­eraire cul­tu­ur, over klassieken als Tol­stoj en Proust, maar ook over Jonathan Franzen en de grote Japanse schri­jver Kawa­ba­ta; over de ver­houd­ing tussen roman en actu­aliteit, de ver­beeld­ing van het intieme, het belang van sti­jl en lit­eraire tra­di­tie, het ver­lan­gen naar nieuwe vor­men en de toekomst van de roman. Alles­be­heersend is de vraag: hoe kan de roman over­leven in een cul­tu­ur waarin hij met zoveel andere media moet con­cur­reren? 

Wat alleen de roman kan zeggen
Oek de Jong
Uit­gev­er­ij Atlas Con­tact
ISBN 9789025442132

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Cyclis­che mis­han­de­laarDe ondraaglijke waarheid van het bestaan »
  • Dank voor je reac­tie en je com­pli­ment. Fijn om te horen. Wel ben ik benieuwd naar waar je verder over na gaat denken, wat je nog niet in een keer kon bevat­ten.

    Wat ik mooi vind aan jouw betoog is de sim­pele opmerk­ing dat deze tijd ook veel goeds brengt voor de lit­er­atu­ur. Dis­trib­u­tie en mar­ket­ing bijvoor­beeld. Het is alle­maal zo sim­pel om de negatieve aspecten ergens van te benoe­men, maar moeil­ijk­er is het om ook de voorde­len ervan te zien. Pas dan kun je de bal­ans goed opmak­en. Leuk om al die ver­schil­lende menin­gen te lezen over­al over dit onder­w­erp.

    • Graag gedaan. Het ging mij over jouw opmerk­ing dat indi­en lezen alleen maar bestaan­srecht zou hebben wan­neer andere vor­men van tijdsver­dri­jf zouden ont­breken, dat het dan net zo goed kan verd­wi­j­nen. Dat gaat mij voor­lop­ig nog te ver. Ik denk nog steeds van lezen te kun­nen geni­eten, zelfs wan­neer er niets anders te doen zou zijn. Maar bewi­jzen kan ik dat natu­urlijk niet.

      • Ik bedoelde daar meer mee dat ik de stelling­name van de pes­simis­ten erg­er­lijk en onzin­nig vind als er gespro­ken wordt over de tele­visie en com­put­er als con­cur­rent van het boek en dat het lez­er­spub­liek daar­door afneemt. Alsof er alleen gelezen zou kun­nen wor­den als er geen andere aflei­d­ing is, ter­wi­jl ik juist ervaar dat er een grote groep mensen is die de tv steeds vak­er uitzet om een boek te lezen. Mijn opmerkin­gen is enigszins sar­castisch bedoeld(waar ik dus ken­nelijk niet zo goed in ben:). Het lijkt er namelijk op dat de pes­simis­ten willen zeggen: alleen het uit­sluiten van ander tijd­ver­dri­jf kan ervoor zor­gen dat de roman niet ten onder gaat. Ter­wi­jl in mijn optiek de kracht niet moet zit­ten in het ont­breken van iets anders, maar in de lit­er­atu­ur zelf. Want als we alleen zouden lezen als er ander tijd­ver­dri­jf ont­breekt, dan lijkt het erop alsof lezen geen leuke bezigheid is en we het enkel doen omdat er niks anders te doen is. En dan moet het maar verd­wi­j­nen.

        Hopelijk is het zo duidelijk­er.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets