Wie ben ik?

Blijk­baar was het van­daag weer eens tijd voor een ouder­wet­se iden­ti­teits­cri­sis. De dag begon goed. Vroeg op, rond­je hard­lo­pen, ste­vig ont­bijt en lek­ker in het zon­ne­tje met vol­doen­de te lezen. Ik had me voor­ge­no­men eerst nog een nieuw hoofd­stuk in Bird by Bird van Anne Lamott door te nemen voor­dat ik aan Het Bosch­huis van Pau­li­ne Broe­ke­ma zou begin­nen. Dat bleek geen ver­stan­dig idee te zijn. Niet veel later zat ik in gedach­ten ver­zon­ken ter­wijl de kof­fie koud werd.

Wat wil je later wor­den? zo vroeg men gere­geld toen ik nog een klei­ne jon­gen was. Tot op de dag van van­daag moet ik het ant­woord schul­dig blij­ven. Natuur­lijk ben ik iets gewor­den. Wel meer dan één ding zelfs. Soms werd ik iets om er gaan­de­weg ach­ter te komen dat ik er beter aan deed om ermee te stop­pen dat te zijn wat ik op dat moment was of pro­beer­de te wor­den.

Toen ik in het laat­ste jaar van het VWO zat, ont­kwam ik er niet aan een uni­ver­si­tai­re oplei­ding uit te kie­zen waar ik me moest inschrij­ven. Een aan­tal jaar eer­der had ik bedacht dat Indu­stri­eel Vorm­ge­ver wel iets voor mij zou zijn. Er was een goe­de oplei­ding in Eind­ho­ven. Door­dat ik het­zelf­de jaar glans­rijk faal­de voor de vak­ken natuur­kun­de en schei­kun­de moest ik een dik­ke streep door die plan­nen zet­ten. Ik begon opnieuw aan het vier­de jaar met dit keer een mij op het lijf geschre­ven pret­pak­ket. Wat ik daar dan later mee zou moe­ten stel­de ik voor­lo­pig nog even­tjes uit. Eerst pret maken.

Uit­ein­de­lijk werd het Cul­tu­re­le Antro­po­lo­gie in Nij­me­gen. Het kan trou­wens ook Soci­a­le Geo­gra­fie zijn. Ik ben ver­ge­ten wat ik op een door­de­week­se woens­dag­mid­dag haas­tig had aan­ge­kruist tij­dens de bege­lei­ding die we kre­gen voor onze stu­die­keu­ze. Nog tij­dens de vakan­tie na mijn exa­men aan het VWO kwam er een brief van het Minis­te­rie van Defen­sie. Een nor­ma­le oproep die iede­re jon­ge­man in die tijd kreeg. Tegen mijn ouders ver­tel­de ik dat de oplei­ding in Nij­me­gen voor­lo­pig moest wach­ten. Eer­ste dien­de ik mij te mel­den in Amers­foort voor een ande­re oplei­ding. Vol ver­ba­zing gaven ze aan dat ik toch gewoon uit­stel kon aan­vra­gen. Dat deed ieder­een. Maar ik was niet ieder­een.

Ergens eind okto­ber ver­trok ik ’s och­tends vroeg naar het sta­ti­on in Hel­mond. Mijn vader was al naar het werk en mijn moe­der sliep nog. In een impul­sie­ve daad had ik mijn snor afge­scho­ren die tij­dens het vijf­de school­jaar plots nadruk­ke­lijk ver­sche­nen was. Van de ene op de ande­re dag. En zo pro­mi­nent aan­we­zig dat ik ‘m niet durf­de te ver­wij­de­ren. Nu zou ik een nieu­we fase ingaan, en was plots de lef daar om het scheer­mes met enke­le flin­ke halen zijn werk te laten doen. Zon­der mezelf in de spie­gel aan te kij­ken vlucht­te ik daar­na het huis uit.

Ach­ter­af heb ik me altijd ver­won­derd dat ik niet opkeek tegen het gro­te avon­tuur wat de mili­ta­re dienst­plicht voor mij zou gaan wor­den. Ter­wijl ik sinds de aan­mel­ding in Nij­me­gen een feit was, wel regel­ma­tig met angst en beven wak­ker schrok bij het idee op kamers te moe­ten. En wat te den­ken van de ver­schrik­ke­lij­ke ont­groe­ning die met de dag dich­ter­bij kwam. In een opwel­ling had ik het in mijn hoofd gehaald dat ik niet onder de oproep uit kon. Daar­na kon ik niet meer op mijn beslis­sing terug komen. Vond ik.

Het had alle­maal heel anders kun­nen lopen. Maar dat deed het niet.

Nadat ik mijn zes­tien maan­den als onder­of­fi­cier had vol­tooid bij de Huza­ren van Boreel, rol­de ik als van­zelf via enke­le vakan­tie­baan­tjes en wat IT-cur­sus­sen in de avond­uren bij Phi­lips naar bin­nen. Daar deed ik wat in de logis­tiek, onder­brak na enke­le jaren iets wat in aan­leg een mooie car­ri­è­re had kun­nen wor­den en ging als­nog naar de uni­ver­si­teit om Geschie­de­nis te stu­de­ren. Wat ik wil­de wor­den wist ik nog steeds niet. Wel wat ik niet wil­de wor­den, name­lijk een kan­toor­slaaf. Ik had aan­leg voor dra­ma in die jaren.

Vier mooie stu­die­ja­ren ver­der bleek dat het jam­mer genoeg tege­lij­ker­tijd in mijn rela­tie vier min­de­re jaren waren geweest. We gin­gen in goed over­leg uit elkaar en omdat ik geen recht meer had op stu­die­fi­nan­cie­ring moest ik op zoek naar werk om mijn stu­die te bekos­ti­gen. Ik kon weer bij Phi­lips aan de slag. In de logis­tiek.

Uit­ein­de­lijk ben ik ermee opge­hou­den voor mij­zelf te zoe­ken naar het ant­woord wat ik later wil(de) wor­den. Voor mijn gevoel was het moment voor­bij. Het maak­te niet zoveel meer uit. Gaan­de­weg ging ik mij meer ver­die­pen in het werk wat ik deed. De stu­die Geschie­de­nis die ik half­slach­tig in deel­tijd pro­beer­de af te maken plaatste ik in de ijs­kast. Logis­tiek was waar ik goed in was. Daar­na en nu nog steeds het imple­men­te­ren van bedrijfs­sys­te­men.

Ik ben. Wie of wat, ik zou het niet weten. Ik ben. Dat is vol­doen­de.

Hoe­wel.

Schrij­ver. Als er iets is dat ik mis­schien toch nog zou wil­len wor­den, dan is het dat. Van­daar dat ik dus met zoveel aan­dacht het boek van Anne Lamott lees. (“Superb wri­ting advi­ce … hila­rious, help­ful and pro­vo­ca­ti­ve. — New York Times Book Review) Deze och­tend ging ik opge­wekt ver­der bij Part Two — The Wri­ting Fra­me of Mind. Het duur­de niet lang voor­dat ik bij de vol­gen­de pas­sa­ge kwam:

The wri­ter is a per­son who is stan­ding apart […] You’­re out­si­de, but you can see things up clo­se through your bino­cu­lars. Your job is to pre­sent clear­ly your vie­w­point, your line of visi­on. Your job is to see peo­p­le as they real­ly are, and to do this, you have to know who you are in the most com­pas­si­o­na­te pos­si­ble sen­se. Then you can recog­ni­ze others.
[p.98]

Mijn schrij­vers­am­bi­ties kan ik aldus opber­gen. Of aller­eerst werk maken van de vraag aller vra­gen: ‘Wie ben ik?’

~ ~ ~

16 Comments

  1. Ik lees veel over boe­ken. Ik lees veel over blog­gen. Ik lees een zoe­ken­de Peter. En nu hier weer.
    Tijd om de bakens te ver­zet­ten. Kap­pen met wat je nu op dit blog doet en gewoon maar eens flink aan het schrij­ven slaan. En dat bedoel ik seri­eus.
    We lezen hier graag hoe het je daar­mee ver­gaat.

    Dus: min­der lezen, meer schrij­ven, en over de voort­gang blog­gen.

    1. Het valt me moei­lij­ker om tus­sen­door (flink) te schrij­ven dan te lezen. Met mijn onre­gel­ma­ti­ge werk­tij­den lukt het me niet om een goed rit­me te vin­den om gestruc­tu­reerd aan het schrij­ven te gaan. Het zijn niet alleen de uren die je daar­voor nodig hebt, maar voor­al de focus op het onder­werp. Tel­kens raak ik door her­sen­kra­kers op het werk afge­leid of ver­moeid en is het moei­lijk om de con­cen­tra­tie weer op te bren­gen met waar ik mee bezig was.
      Ik zal een manier moe­ten vin­den om dit te door­bre­ken, door bv wat vaker/langer vrij te nemen. Ten­slot­te heb ik een stuw­meer aan vakan­tie­da­gen.

      Dank voor de duw in de rug 🙂

  2. Elja

    Voor mij bén jij een schrij­ver. Dat je het zelf ‘blog­ger’ noemt, tsja. A rose by any other name …

    Wat Anne beschrijft, daar­in her­ken ik jou. Jij weet vol­gens mij heel goed wie jij bent.

    Is het niet puur de wor­ste­ling van een beeld dat ande­ren schet­sen en jij inter­pre­teert als zijn­de iets waar jij niet aan vol­doet??

    1. Ik twij­fel. Mis­schien ben ik in essen­tie dan wel een schrij­ver, maar van mezelf vind ik dat het er dan ook wel een keer­tje van mag komen dat er iets meer uit mijn pen vloeit dan een paar kor­te ver­ha­len.
      Meer nog twij­fel ik over het feit dat ik zou weten wie ik ben. Ik heb een goe­de modus gevon­den om posi­tief in het leven te staan en meer dan tevre­den te zijn met wat ik heb en met wie ik mijn leven deel. Maar dat zegt wei­nig over wie ik denk te zijn.

      1. Elja

        Ik weet niet hoor. Mis­schien weet jij juist wel wie je bent omdat je er over nadenkt? Het is mak­ke­lijk om jezelf te defi­nie­ren als WAT je bent (wat je doet, wel­ke rela­ties je hebt in je leven). Maar WIE je bent, tsja. Ik heb het gevoel dat ik dat van mezelf wel weet, wat mijn essen­tie is, maar hoe diep die ken­nis nou gaat?

        1. We moe­ten er bin­nen­kort maar eens een keer­tje ver­der over bomen bij een of ande­re tweetup ergens in het land. Het valt hier op deze plaats moei­lijk uit te leg­gen wat ik pre­cies voel wan­neer ik pro­beer te door­gron­den wie ik ben. En mis­schien moet ik wel erken­nen dat dit zoe­ken­de aspect van mij­zelf, uit­ein­de­lijk mijn ware ik blijkt te zijn. Maar zover ben ik nog niet…

  3. Ken je het boek ‘Stran­gers to our­sel­ves’ — Waar­om we niet weten wie we zijn — van Timo­thy Wil­son, Peter? Met die splin­ter bewust­zijn is het bio­lo­gisch onmo­ge­lijk dat enor­me Hid­den Brain te ken­nen (ook een zeer goed boek, ove­ri­gens — ander­hal­ve week terug een blog over geschre­ven). Het onbe­wus­te is per defi­ni­tie onbe­wust. Daar­naast onder­schat­ten we de invloed van de soci­a­le omge­ving enorm. Zeker met onze rati­o­ne­le voor­keur voor het zelf beslis­sen­de en bepa­len­de indi­vi­du.

    Wat ver­sta je trou­wens onder ‘schrij­ver wor­den’? Zelf ben ik het eens met Elja: dat ben je al. Maar als je bedoelt dat je je baan ervoor kunt opzeg­gen, omdat je een afdoen­de breed publiek aan­spreekt met boe­ken die offi­ci­eel door een uit­ge­ver gepu­bli­ceerd wor­den, dan wordt het een ander ‘ver­haal’. 😉

    1. Dank voor je tip vwb ‘Stran­gers to our­sel­ves’ en ‘Hid­den brain’. Ze staan nu op mijn lijst­je van nog aan te schaf­fen boe­ken. Je blog heb ik onder mijn favo­rie­ten gezet en ga ik later op mijn gemak lezen. Long reads heb­ben ten­slot­te aan­dacht nodig 😉
      Of ik daar­na met al deze nieuw te ver­wer­ven ken­nis mezelf beter zal ken­nen (of juist vre­de kan heb­ben met het feit dat ik mezelf nooit zal gaan ken­nen) is iets waar ik benieuwd naar ben.

      Onder de schrij­ver wor­den ver­sta ik niet echt dat ik kan stop­pen met mijn baan van­we­ge vol­doen­de publiek en/of ver­koop. Eer­der dat ik vind dat ik iets fun­da­men­teels moet heb­ben geschre­ven (wat niet per se uit­ge­ge­ven hoeft te zijn) in plaats van dat het blijft bij de gedach­te daar­aan. Ik kan ook niet met dro­ge ogen bewe­ren dat ik een voet­bal­ler ben wan­neer het alleen blijft bij de droom om ooit nog eens de wk-fina­le te spe­len.

      1. Jezelf ken­nen’, is over­ra­ted. 😉 Er is geen con­sis­tent en over de tijd onver­an­der­lijk ‘ik’. Dat is een onont­koom­ba­re illu­sie van het bewust­zijn. Er zijn wel basis­ken­mer­ken waar je struc­tu­reel niks aan kunt ver­an­de­ren, zoals of je intro­vert of extra­vert bent, hoe emo­ti­o­neel sta­biel je bent en in wel­ke mate con­sci­ën­ti­eus.

        Zelf vind ik het rust­ge­vend, dat ‘ik’ eigen­lijk niet besta. Als ik dat filo­so­fe­rend door­trek, kan ‘ik’ dus ook niet dood­gaan. Niet dat ik in onster­fe­lijk­heid geloof. Het is meer dat ik mezelf zie als een tij­de­lij­ke bun­de­ling van ener­gie in deze vorm. Maar goed, dit is alle­maal ook alleen maar wat ik denk en geloof. Uiterst sub­jec­tief natuur­lijk. 🙂

        Wat is ‘iets fun­da­men­teels’? Hangt dat niet af van het tijds­ge­wricht, je levens­fa­se, soci­a­le omge­ving en gezond­heid? Mis­schien ont­staat er iets fun­da­men­teels door wat je alle­maal bij elkaar schrijft. Een soort fun­da­men­te­le rode draad.

        Schrij­ven is zo vaak een zoek­tocht. Al boet­se­rend wordt meest­al wel een bepaal­de essen­tie zicht­baar. En heb jij ook wel eens dat je een bepaal­de blog van jezelf (of iemand anders) erg goed vindt, dat het iets met je doet en je daar een paar maan­den later heel anders over denkt door nieu­we gebeur­te­nis­sen of erva­rin­gen?

        1. Die tij­de­lij­ke bun­de­ling van ener­gie spreekt me wel aan. Daar heb ik geen moei­te mee als dat het ‘slechts’ zou zijn. Ook niet wan­neer we hier op aar­de net zoals elke wil­le­keu­ri­ge mug of oli­fant schijn­baar zon­der hoger doel of plan gedwon­gen zijn onze tijd door te bren­gen. Ik vind het pri­ma dat we komen en gaan zon­der dat we weten waar­om. Het eni­ge wat bij mij blijft zeu­ren is wie of wat ik dan zelf ben. Zelfs als ik dus die tij­de­lij­ke bun­de­ling van ener­gie ben, dan wil ik nog graag weten wie of wat ik dan tij­de­lijk ben. Niet omdat ik dan een of ander raad­sel oplos, maar gewoon­weg om wat meer rust voor mezelf te vin­den.

          Ook je opmer­king over het feit dat door te schrij­ven er ook iets fun­da­men­teels ont­staat, vind ik mooi. Zo had ik er nog niet naar geke­ken. Raar eigen­lijk.

          En natuur­lijk(?) kijk ik met ande­re ogen naar eer­der werk van mezelf/anderen. Ik prijs mezelf geluk­kig open te staan voor ver­an­de­rin­gen. Schrij­ven zelf kan dat inder­daad al voor een heel groot stuk bewerk­stel­li­gen. Door­dat je vaak inge­no­men stand­pun­ten moet ver­de­di­gen ont­kom je er niet jezelf te ver­die­pen in de voors en tegens. Daar leer je van. Net zoals je blijft leren door te leven en te reflec­te­ren. Waar­bij het (erover) schrij­ven ook weer een gro­te hulp is.

    1. Wij­ze woor­den. En eer­lijk­heids­hal­ve moet ik beken­nen dat ik al omkij­kend zie dat ik wel dege­lijk meer over mezelf te weten ben geko­men. De reflec­tie loont, maar het geeft nog niet alle gehei­men prijs.

  4. In het zes­de (want laat­ste) jaar van het VWO falen voor natuur­kun­de en schei­kun­de en dan in het vier­de jaar opnieuw begin­nen met een ander pak­ket? Je was dui­de­lijk altijd al zo van de omwe­gen 😛

    1. Nee, ik bedoel­de dat ik in het vier­de jaar bleef zit­ten en toen besloot mijn pak­ket om te gooi­en, wat met­een als con­se­quen­tie had dat Indu­stri­eel Vorm­ge­ver niet meer moge­lijk was. Maar ver­der heb je gelijk vwb de con­clu­sie betreft: ja, ik ben van de omwe­gen…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *